maandag 22 december 2008

Opgehemeld

Niks ‘Zoon van God’, niks ’Onbevlekte Ontvangenis’.
Ik was een simpele timmermanszoon, meer niet.
En mijn ouders waren doodgewone mensen. Ongeletterd en straatarm. Maar smoorverliefd, en zo kwam het dat ik ben geboren als liefdesbaby.

Mijn eerste jaren dribbelde ik vrolijk rond in de werkplaats van mijn vader. Een kind als alle anderen.
Maar toch niet helemaal, want, al zeg ik het zelf: ik was een slim ventje en ik nam me geen blad voor de mond.

Toen ik wat ouder werd, bleven mijn kritische opmerkingen over de Romeinse bezetter dan ook niet onopgemerkt.
Dat vinden de mensen prachtig, iemand die zegt wat hij denkt. En die vooral zegt wat zij zelf ook denken maar niet durven zeggen. Of je nou Pim heet of Jezus.
Voordat ik het wist, was ik hun held. Een volk dat onderdrukt wordt, zoekt nu eenmaal een leider. En als die er niet is, maken ze hem wel. Alles wat ik zei, namen ze voor zoete koek aan. Zelf nadenken deden ze niet, ik was hun voorganger. Erger nog: hun Verlosser.
Want om mij nog geloofwaardiger en onfeilbaarder te maken, dichtten ze me goddelijke krachten toe. Ik was de Zoon van God.

En dat is me fataal geworden. Door die hype begon de bezetter me serieus te nemen en werd hij bang voor me. Opeens was ik een officiële staatsvijand.
32 jaar ben ik maar geworden, en ik ben op een vreselijke manier aan mijn eind gekomen. Net zoals die andere messiassen-tegen-wil-en-dank: Ghandi, Martin Luther King, John Lennon, Pim.
De geschiedenis herhaalt zich, nog steeds.

Wat mij betreft, eindigt daar mijn verhaal.
Maar zoals altijd bij martelaars, werd er met terugwerkende kracht steeds meer gefantaseerd over mij en mijn leven.
Als ik de Bijbel lees, herken ik niets van mezelf terug en word ik kwaad over de barre verzinsels.

Neem nou dat verhaal van mijn geboorte. Niet alleen klopt het niet, maar als mijn volgelingen het zo goed met me voor hebben, waarom hebben ze dan bedacht dat ik in een vuile voederbak ben geboren?
Waarom niet gewoon thuis, in een warm bed?
Waarom moest mijn hoogzwangere moeder zo nodig op reis?
Waarom moest die herbergier de deur dichtslaan?
En waarom heeft mijn vader dat gepikt?
Waarom heeft hij zijn voet niet tussen de deur gezet?

Over Mijn andere zogenaamde Vader zal ik het maar helemáál niet hebben. Had Die in Zijn almacht niet iets beters kunnen regelen dan een smerige stal in een afgelegen gehucht?
Ik heb ook niet eens de tijd gekregen om eerst eens lekker bij mijn moeder aan de borst te liggen. Ik hing bij wijze van spreken nog aan de navelstreng, of er kwamen al horden mensen binnen.
Vieze stinkende herders met luid blatende schapen, die zelf ook niet leken te begrijpen wat ze kwamen doen. Als een stel sukkels waren ze achter een of andere vage engel aangelopen, zonder te vragen naar het doel van die nachtelijke wandeling.
En een paar oude mannen in glimmende jurken. Enge zwarte gezichten boven mijn wieg.
Ze legden vreemde cadeaus om me heen, niets voor een baby. Waarom geen lekkere knuffel of een leuke rammelaar?
En dan steeds maar die ster, die zo uitsloverig stond te stralen dat ik geen oog dicht deed.

Mijn volgelingen hebben het trouwens ook niet best voor met mijn arme moeder. In hun verhaal krijgt ze geen kans om bij te komen van de bevalling, het moet vreselijk voor haar zijn geweest. Daarom zal ze wel direct hebben gedacht: bij deze ene blijft het. Groot gelijk.
Maar ik had best een broertje of een zusje willen hebben…

Mijn korte leven is getekend door de heldenrol die me werd opgedrongen. Ik wérd geleefd. Iedereen kent het verhaal, maar niemand kent mij. Nog steeds niet.
Misschien wordt het tijd voor het echte verhaal, een autobiografie.
Voor al diegenen die in mij geloven.
Maar zij zullen mij niet geloven.



J. van Nazareth , december 2008 na mij

dinsdag 25 november 2008

Het laatste taboe

Huilen in het openbaar. Het lijkt wel alsof het steeds meer gebeurt.
In niet-westerse culturen is het al eeuwenlang heel gewoon. Maar wie had pakweg twintig jaar geleden gedacht dat duizenden Engelsen, midden op straat, zouden huilen toen er een prinses was overleden? Engelsen, het volk waar je dat juist het laatst van zou verwachten.
Maar ook wij Nederlanders hebben snel bijgeleerd. Rijen dik stonden we te huilen bij de uitvaart van Pim Fortuyn. Een Arena vol zat snikkend naar de kist van André Hazes te kijken.
Familieleden die herenigd worden in ´Spoorloos´, ´Vermist´ en ´Familiediner´vallen elkaar blèrend in de armen, terwijl er miljoenen mensen meekijken.

Maar ook in kleinere kring kunnen we er wat van. Waar vroeger de gordijnen dicht gingen bij een sterfgeval, en de familie zich afzonderde tijdens de zwaarste periode van de rouw, schreeuwt men nu het verdriet om het overlijden van een geliefde van de daken. Kijk maar naar de lange verhalen, gedichten en liedteksten in rouwadvertenties, op rouwkaarten, op condoleancekaarten.
Bij begrafenissen en crematies is de Kleenex niet aan te slepen.

Allemaal prima voor wie daar behoefte aan heeft.
Maar het lijkt wel alsof je niet deugt als je er niet aan meedoet, als je niet overal huilt. Ooit was zelfbeheersing een deugd, tegenwoordig is het een taboe.

Mijn ouders hebben me opgevoed tot iemand die zijn verdriet en problemen niet aan Jan en alleman laat zien. Dat hoorde niet, zeiden ze. Daar moest je anderen niet mee lastig vallen: een kwestie van beschaving.

In het afgelopen half jaar zijn mijn ouders allebei overleden. Ik mis hen vreselijk. Ik huil wat af. Maar wel als ik alleen ben, of hooguit onder vier ogen, met een goede vriend of vriendin. Ik kom ruimschoots aan mijn traantrekken, het zit wel goed met mijn verwerking en mijn rouwproces.
Maar menigeen is het daar niet mee eens: ´Je moet meer huilen, je houdt je in, dat is niet goed.´

Ja, ik houd me in. Als zij er zijn, althans. En daar voel ik me prima bij.
Ik zie er echt niet mooi uit als ik huil. Bovendien wil ik anderen niet in verlegenheid brengen. Sommige mensen kunnen omgaan met het openlijke verdriet van een ander, maar de meesten voelen zich opgelaten, weten niet hoe ze moeten reageren. Daar houd ik rekening mee. Een kestie van beschaving, zouden mijn vader en moeder hebben gezegd.

Raar toch, dat anderen altijd beter weten wat goed voor je is dan jijzelf.
En schandelijk dat je pas de aandacht krijgt waar je zo naar hunkert, als je in hun gezelschap je tranen de vrije loop laat. Tegenwoordig heeft troost een prijs: tranen.
Hoe meer tranen, hoe meer troost.
En zo wordt het verdriet nóg groter. Het is om te huilen.



Loes Gouweloos

zondag 23 november 2008

Een historische dag

Het is 8 uur’, zegt de nieuwslezer.’ Dit is het ANP Nieuws van vrijdag 4 november.
Een historische dag. De Amerikanen kiezen vandaag een nieuwe president.

Ik zit naast mijn dode vader.
Ik strijk hem door zijn haren. Hij is nog warm. Op zijn kin en bovenlip parelen de zweetdruppels van zijn doodstrijd. Zijn mond hangt een beetje open. Net alsof hij slaapt. Net alsof hij zo weer zijn ogen kan opendoen en ik zijn blijde blik van herkenning zal zien.

Dan gaat de bel. Ik droog mijn tranen en doe open. Voor de deur staat een lang, slank meisje van een jaar of 19. Golvende blonde haren tot op haar taille. Strak lila truitje, strakke spijkerbroek, navelpiercing. Grote lichtblauwe ogen die mij geschrokken aankijken. En een zachte, onzekere stem:
‘Goedemorgen. Ik ben van de verzorging. Ik heb gehoord dat uw vader net is overleden.En uh… als u het niet erg vindt, mag ik dan alstublieft nog even naar hem kijken?

’Wat bedremmeld volgt ze me de huiskamer in. Ze gaat naast mijn vaders bed staan en kijkt neer op zijn uitgemergelde lichaam. Ze staart naar zijn gezicht, zijn ingevallen wangen, zijn gesloten ogen, en begint zachtjes te snikken.
Haar vingers frunniken aan een patiëntendossier dat ze tegen haar borst geklemd houdt.
Minutenlang blijft ze zo staan. Haalt af en toe haar neus op, pinkt een traantje weg.
‘Ach…’, zegt ze steeds weer. ‘Ach...’.
Ze blijft het maar herhalen.
‘Ach… Ik vond het zo’n lieve man. Ik heb hem tot vorige week nog verzorgd.’

‘Hoe heet je?’, vraag ik.
‘Lilianne’.

Nooit van gehoord. Mijn vader vertelde veel over de verzorgsters, en meestal was dat niet veel goeds. Hij moest niets hebben van hun goedbedoelde adviezen, van hun betuttelende toontje.
Er waren een paar uitzonderingen, maar die waren op de vingers van één hand te tellen.
De naam Lilianne heeft hij nooit genoemd.

‘Ach’, zegt ze weer. ‘Ik moest altijd zo om hem lachen. Ik moest er in het begin wel even aan wennen hoor, maar hij had zo’n leuke, droge humor. En hij vond het maar niets, al die vrouwen over de vloer.’

Ik probeer me mijn doodzieke oude vader voor te stellen in gesprek met dit engelachtige meisje met navelpiercing. Blijkbaar heeft hij een snaar bij haar geraakt. Zij ook bij hem?
Normaal gesproken zou ik hem dat direct hebben gevraagd. Dan had hij me ongetwijfeld een mooi verhaal verteld over een ‘aardig mokkeltje’, veel aardiger dan de meesten, die ‘wijven’ die de baas over hem probeerden te spelen in zijn eigen huis.
Maar ik kan het hem niet meer vragen. Ik kan mijn vader nooit meer iets meer vragen.
En zijn mooie verhalen zal ik nooit meer horen.

‘Nou, ik ga maar weer’, zegt Lilianne. Ze kijkt nog één keer naar mijn vader. Strekt haar hand naar hem uit maar trekt die weer terug. Dan draait ze zich om en loopt de kamer uit.
‘Bedankt dat ik nog even mocht kijken’, zegt ze met trillende stem, ‘en u heel veel sterkte hoor. Uw vader was een lieve man.’

Ik weet het Lilianne, ik weet het. Ook ik zal hem missen, meer dan jij ooit kunt begrijpen…
Vrijdag 4 november. Een historische dag.


Loes Gouweloos

vrijdag 7 november 2008

Holletje

“Kijk, hier zit de morfinepleister”, zegt de huisarts. Hij ontbloot mijn vaders borst en wijst op het kuiltje boven zijn linkersleutelbeen. Alleen al door het omlaag trekken van het pyjamajasje, schokt mijn vaders uitgemergelde lichaam van top tot teen. Zijn gezicht vertrekt van pijn.
“Au!”, roept hij.

* * * * *

“Doet het veel pijn?”, vraagt mijn moeder.
Mijn vroegste jeugdherinnering. Ik ben een jaar of drie.
Elke zondagochtend mag ik, voordat we opstaan, een uurtje tussen mijn vader en moeder in bed liggen. Het warmste, het lekkerste plekje dat er is.
Zeker als je hard op je knie bent gevallen en pijn hebt. Mijn moeder aait over mijn knie en spreekt troostende woordjes.
Mijn vader zegt niet zo veel. Behalve dat wat hij altijd zegt op zondagochtend. Hoe raar het voor anderen ook mag klinken, het is ´ons zinnetje´, het staat symbool voor de liefde en de zielsverwantschap tussen mijn vader en mij. “Kom maar in mijn holletje”, zegt hij, en trekt me zachtjes naar zich toe.
Ik ga tegen mijn vaders sterke lijf aan liggen, en nestel mijn hoofd in het holletje, het kuiltje boven zijn linkersleutelbeen. Hij slaat zijn arm om me heen. Als een spinnende kat, lig ik innig tevreden in mijn vaders holletje.
“Lekker hè?”, zegt hij af en toe. Dan knik ik en kruip nog even extra dicht tegen hem aan. Hier ben ik veilig, hier voel ik geen pijn meer, dit is het mooiste plekje op aarde.

* * * * *

“Au!”, roept mijn oude vader opnieuw.
Het is het eerste woord dat ik versta sinds ik een uur geleden binnenkwam.

“Hoi pa”, zei ik toen. Hij strekte een broodmagere arm uit, ik pakte zijn hand, hij trok me naar zich toe, kneep in mijn hand en hield die minutenlang stevig vast.
En hij begon te praten, praten, praten. Onafgebroken, rusteloos, geagiteerd.
Maar ik kon hem niet verstaan.
Ik kan hem al weken niet meer verstaan. De oorzaak is onbekend, maar hoe hard mijn vader zijn best ook doet, hij kan alleen nog maar klanken uitstoten.
Ik kijk hem aan en zie mezelf: dezelfde kleur ogen, dezelfde oogopslag, dezelfde ziel.
Zijn blik is smekend, wanhopig. Loes, begrijp je me dan niet?!, zie ik hem denken.
Nee pa, ik begrijp je niet. Ik weet niet wat je me wilt vertellen.
Maar ik weet wel wat je voelt: pijn, wanhoop, je wilt contact maar het lukt je niet meer.

“Helaas is hij ongelooflijk taai, daarom duurt het zo lang”, zegt de huisarts. “Ik zal er nog maar een extra morfinepleister bij plakken”.
Ik doe een stap achteruit, zodat hij er goed bij kan.
“Loes! Loes!”, schreeuwt mijn vader.

De huisarts drukt de pleister stevig aan. “Zo, die zit goed vast”, zegt hij, en doet mijn vaders pyjamajasje weer dicht.
Het holletje is verdwenen. Voor altijd.



Loes Gouweloos
29 oktober 2008

dinsdag 21 oktober 2008

De Techniker

‘s Avonds sluit ik mijn deur met een aandoenlijk koperen kettinkje, het enige stukje ouderwetse Duitse degelijkheid in deze hotelkamer met minibar, ISDN-aansluiting, en dubbele ramen die vanwege de airco niet open kunnen.
De volgende ochtend ga ik Berlijn bekijken. Vastberaden trek ik de deur open.
Althans, dat is mijn bedoeling. Maar niet die van het kettinkje. Hard trekken, zacht duwen, luid vloeken, niets helpt. Een kier van tien centimeter, dat is alles. Mijn claustrofobie slaat genadeloos toe.
Rustig blijven, geen paniek! Ik heb het ding naar rechts geschoven, dan moet het toch ook weer naar links kunnen?
Maar mijn analyse levert niets op. Diep beschaamd bel ik de hotelreceptie. In mijn beste Duits leg ik mijn probleem uit. De receptioniste snapt me niet.
Ik krijg het steeds benauwder. Snak naar frisse lucht in mijn luxe hotelkamer met gesloten deur en ramen. Als ik wanhopig mijn kettingverhaal heb herhaald, begint de receptioniste iets te begrijpen. Maar helpen kan ze me niet: 'Dafür brauchen Sie ein Techniker'.

Ze hangt op. Het angstzweet breekt me uit. Zet de airco op de hoogste stand, gooi koud water over mijn gezicht.
Dan, als mijn wanhoop zijn toppunt heeft bereikt, wordt er aangeklopt. Ik gluur door de kier.
Daar staat hij: de Techniker. Een reus in een blauwe overall, met een gigantische bierbuik en handen als kolenschoppen. In een daarvan heeft hij een grote ijzeren gereedschapkist. Ik wijs trillend op de koperen ketting en stamel dat ik 'aufgeschlossen' zit.
'Ach so'. De Techniker lacht meewarig. Hij steekt een dikke worstvinger naar binnen en drukt zwijgend op een minuscuul klein knopje naast de ketting. Dan duwt hij zachtjes tegen diezelfde ketting, die soepel uit het slot glijdt.
Met een zwierige beweging en een triomfantelijke blik duwt mijn Duitse Bevrijder de deur open: 'Bitte schön!'

Loes Gouweloos

zondag 5 oktober 2008

Koevoet

'Wij zijn een hardrockband, en wij bieden 80 Euro voor uw versterker. Maar eerst willen we hem bekijken. Woensdagavond om 8 uur komen we met z’n vieren langs. Oké?’

Ik staar naar mijn monitor. Via http://www.marktplaats.nl/ heb ik al heel wat overtollige spullen voor een mooi prijsje van de hand gedaan. Altijd aan keurige mensen.
Ook ík heb de verhalen gehoord over schurken die zich als geïnteresseerde kijkers voordoen, je inboedel inventariseren en vervolgens als inbrekers terugkeren als je niet thuis bent. Maar bij mij is het altijd goed gegaan.
Bovendien wil ik me niet laten leiden door angst. En ik wil niemand bij voorbaat wantrouwen. Niet omdat hij Marokkaan is, niet omdat hij zwart is, en dus ook niet omdat hij in een hardrock band speelt.
Maar víer hard rockers is wel een beetje veel. En een beetje eng…

Waar ligt de grens tussen angst en voorzichtigheid?
Ik heb ook een bod ontvangen van een trotse vader die zijn muzikale zoontje een versterker cadeau wil doen. Dat lijkt een stuk veiliger. En hij biedt maar 10 Euro minder dan de rockers. Moet ik voor 10 Euro zo’n risico nemen?
Fout! Daar gaat het niet om, besluit ik dapper. Het gaat om het principe. Geen vooroordelen, geen angst. Als ik deze jongens niet laat komen, zal ik me altijd blijven schamen.

’Woensdagavond 8 uur is oké’, mail ik hen terug. Met trillende vingers, dat wel…
De hele woensdag denk ik eraan. Hoe zal het vanavond gaan?
Vallen ze mee? Maak ik me druk om niets?
Of nemen ze mijn versterker mee zonder te betalen? En nemen ze gelijk nog wat andere spullen mee? Of nóg erger? Helaas ben ik behept met een rijke fantasie. Tegen vier sterke jongemannen begin ik niets. Tenzij…Tenzij ik een wapen heb!

Opeens herinner ik me dat ik ooit, in een vlaag van onbedwingbare koopjesdrift, een reusachtige, knalrode koevoet heb gekocht, die onweerstaanbaar naar me lag te lonken vanuit de aanbiedingenbak van de Gamma. Als ik die nou vanavond eens onder handbereik houd?

Ik wacht en ik wacht. Pas om 9 uur gaat de bel. Zie je nou wel dat ze niet te vertrouwen zijn?!Even later komen ze de lift uit. Ondanks mijn rijke fantasie, overtreft hun aanblik zelfs mijn meest angstige verwachtingen:
Vier reuzen van jongens. Met zwarte bomberjacks, zwarte baseballcaps met een doodskop erop, vuile cowboylaarzen, vette haren tot op de schouders, en van top tot teen behangen met zware, rinkelende kettingen.
Wijdbeens marcheren ze op me af. Mijn hartslag stijgt tot ongekende hoogte.
Ik probeer zelfverzekerd over te komen. Maar ik hoor mezelf té hard en té amicaal zeggen:
‘Hoi jongens, kom erin, en kijk eens wat een mooi apparaat ik voor jullie heb!’

Zwijgend klossen ze over mijn crèmekleurige tapijt de huiskamer in. Ik wijs op de versterker.
‘Kijk Bart, dat is ‘m nou’, zegt de jongste van het stel. ‘Als je hem mooi vindt, krijg je hem van ons voor je verjaardag.’

Een zachte stem, een ontwapenend baby-face, twinkelende lichtblauwe ogen, een verwachtingsvolle blik richting Bart. Gevolgd door een olijke knipoog naar mij.
‘Deze mevrouw heeft me gemaild dat hij nog als nieuw is. En het is echt een topmerk hoor. Wat vind je ervan?’

Bart pakt het apparaat op. Handen als kolenschoppen strelen zacht over de knoppen: liefde op het eerste gezicht. Hij bloost zelfs een beetje.
‘Jongens, wat lief dat ik die van jullie voor mijn verjaardag krijg. Hij is prachtig!’
‘Hartstikke mooi Bart. Ga nu maar even op de gang staan, dan gaan wij die mevrouw betalen.
Alstublieft mevrouw, 80 Euro, precies gepast. En reuze bedankt!'

Pas als ik hun auto hoor wegrijden, kom ik weer een beetje tot mezelf.
Ik pak de koevoet onder de bank vandaan, en begraaf hem diep, heel diep onderin mijn gereedschapskist.


Loes Gouweloos

maandag 22 september 2008

De drie B's

‘Het gaat om het innerlijk, ik houd me niet bezig met uiterlijkheden’, heb ik altijd fier beweerd. Overtollige kilo’s, rimpels, grijze haren – ze horen bij het klimmen der jaren en ik heb ze immer moedig geaccepteerd, daarbij heimelijk neerkijkend op vriendinnen met slapeloze nachten en financiële problemen tengevolge van peperdure jojodiëten, antirimpel-crèmes en kleurspoelingen.

Maar toen mijn middelbare bovenbenen een steeds treffender gelijkenis gingen vertonen met de lubberende bovenarmen van Koningin Juliana, werd het me opeens te veel. Iets met een emmer en een druppel, denk ik.

Een meelevende buurvrouw brengt uitkomst: ‘Ga maar eens met me mee naar Slender You. Dat helpt, en bovendien is het heerlijk ontspannend’.
Zo zie je maar weer: als de nood het hoogst is, is de redding nabij. Want ontspanning kan ik ook wel gebruiken, in deze door hevige stressaanvallen tengevolge van een eindeloze overgang gekenmerkte levensfase.

Ik word meegetroond naar een ruimte die het midden houdt tussen een sportschool en een schoonheidssalon: okergele vloerbedekking, een sfeervol, gedempt Sky Radio-muziekje, en een volslanke, zorgvuldig opgemaakte gastvrouw, gekleed in een zowel sportieve als charmante outfit met een rode blouse. Op haar rug staat met zwierige letters: ‘Slender You’.
Uiteraard heet ze Angelique, en ze legt uit dat de methode vooral geschikt is voor dames die hun overtollige vet willen omzetten in strakke spieren.
Slender You concentreert zich op de drie B’s: buik, billen en benen. Deze drie B’s worden onder handen genomen op zes banken.

Ik neem plaats op bank 1, de ‘sandbag table’. Zorgzaam vleit Angelique een kussentje onder mijn hoofd. Ook legt ze een zware zandzak op mijn buik bij wijze van tegengewicht, en dan drukt ze op de knop.
Tien minuten lang worden mijn billen rondgedraaid door twee roterende bankonderdelen.
Om me enigszins het idee te geven dat ik zelf ook nog wat doe, wordt er een roze elastieken band om mijn enkels gedaan en krijg ik de opdracht mijn benen langzaam te spreiden en sluiten. Een soort schoolslag met bepakking.
Op bank 2 wordt het serieus: mijn voeten worden vastgemaakt in skischoenen die zijn bevestigd op verticale latten. Die draaien rond in een hels tempo. Mijn artroseknie protesteert hevig, dit doet gemeen pijn, het zweet breekt me uit. Hoezo, ontspannend?

‘Dat komt bij bank 6’, stelt Angelique me gerust, ‘die is zo ontspannend, daar vallen veel mensen zelfs in slaap.’
Maar eerst moet ik nog op bank 3, 4 en 5. Daar worden respectievelijk mijn beide benen een paar honderd keer de lucht in gegooid, moet ik ruggelings marcheren op de ‘waist, tummy and hip table’ (‘Dit staat gelijk aan een stevige wandeling van 3 kilometer’, meldt de bijbehorende poster), en worden mijn onder- en bovenrug zo ‘heerlijk gemasseerd’ dat ik mijn wervels onheilspellend hoor knakken.

Maar dan komt de beloning: de Hemelse Bank 6. Uitgeput en vol verwachting vlei ik me neer. ‘Hier worden alle afvalstoffen afgevoerd, en het is de totale ontspanning. Ga maar lekker liggen met je ogen dicht’, zegt Angelique moederlijk. ‘Misschien val je wel in slaap, geniet ervan!’
Ze drukt op de knop. De hele bank begint zachtjes te trillen. Mijn spieren ontspannen zich, de pijn trekt weg uit mijn gefolterde lichaam. De zwoele vioolmuziek uit de met vilt omspannen speakers doet de rest. Ik krijg een heerlijk loom gevoel en zak steeds dieper weg.

‘Lekker hè? Slaap je al?!’ gilt mijn buurvrouw, die tijdens mijn Slender You-inwijding onder de zonnebank heeft gelegen. Met overslaand hart kom ik overeind.
Als ik dat de volgende ochtend opnieuw wil doen, kan ik het niet meer. Alledrie mijn B’s doen zo’n helse pijn dat ik nu al als een berg opzie tegen mijn volgende Slender You-sessie...
Ik denk dat ik toch maar een kleurspoeling neem.


Loes Gouweloos

De drie B's

‘Het gaat om het innerlijk, ik houd me niet bezig met uiterlijkheden’, heb ik altijd fier beweerd. Overtollige kilo’s, rimpels, grijze haren – ze horen bij het klimmen der jaren en ik heb ze immer moedig geaccepteerd, daarbij heimelijk neerkijkend op vriendinnen met slapeloze nachten en financiële problemen tengevolge van peperdure jojodiëten, antirimpel-crèmes en kleurspoelingen.


Maar toen mijn middelbare bovenbenen een steeds treffender gelijkenis gingen vertonen met de lubberende bovenarmen van Koningin Juliana, werd het me opeens te veel. Iets met een emmer en een druppel, denk ik.


Een meelevende buurvrouw brengt uitkomst: ‘Ga maar eens met me mee naar Slender You. Dat helpt, en bovendien is het heerlijk ontspannend’.

Zo zie je maar weer: als de nood het hoogst is, is de redding nabij. Want ontspanning kan ik ook wel gebruiken, in deze door hevige stressaanvallen tengevolge van een eindeloze overgang gekenmerkte levensfase.


Ik word meegetroond naar een ruimte die het midden houdt tussen een sportschool en een schoonheidssalon: okergele vloerbedekking, een sfeervol, gedempt Sky Radio-muziekje, en een volslanke, zorgvuldig opgemaakte gastvrouw, gekleed in een zowel sportieve als charmante outfit met een rode blouse. Op haar rug staat met zwierige letters: ‘Slender You’.

Uiteraard heet ze Angelique, en ze legt uit dat de methode vooral geschikt is voor dames die hun overtollige vet willen omzetten in strakke spieren.

Slender You concentreert zich op de drie B’s: buik, billen en benen. Deze drie B’s worden onder handen genomen op zes banken.


Ik neem plaats op bank 1, de ‘sandbag table’. Zorgzaam vleit Angelique een kussentje onder mijn hoofd. Ook legt ze een zware zandzak op mijn buik bij wijze van tegengewicht, en dan drukt ze op de knop. Tien minuten lang worden mijn billen rondgedraaid door twee roterende bankonder-delen.

Om me enigszins het idee te geven dat ik zelf ook nog wat doe, wordt er een roze elastieken band om mijn enkels gedaan en krijg ik de opdracht mijn benen langzaam te spreiden en sluiten. Een soort schoolslag met bepakking.

Op bank 2 wordt het serieus: mijn voeten worden vastgemaakt in skischoenen die zijn bevestigd op verticale latten. Die draaien rond in een hels tempo. Mijn artroseknie protesteert hevig, dit doet gemeen pijn, het zweet breekt me uit. Hoezo, ontspannend?


‘Dat komt bij bank 6’, stelt Angelique me gerust, ‘die is zo ontspannend, daar vallen veel mensen zelfs in slaap.’

Maar eerst moet ik nog op bank 3, 4 en 5. Daar worden respectievelijk mijn beide benen een paar honderd keer de lucht in gegooid, moet ik ruggelings marcheren op de ‘waist, tummy and hip table’ (‘Dit staat gelijk aan een stevige wandeling van 3 kilometer’, meldt de bijbehorende poster), en worden mijn onder- en bovenrug zo ‘heerlijk gemasseerd’ dat ik mijn wervels onheilspellend hoor knakken.


Maar dan komt de beloning: de Hemelse Bank 6. Uitgeput en vol verwachting vlei ik me neer. ‘Hier worden alle afvalstoffen afgevoerd, en het is de totale ontspanning. Ga maar lekker liggen met je ogen dicht’, zegt Angelique moederlijk. ‘Misschien val je wel in slaap, geniet ervan!’

Ze drukt op de knop. De hele bank begint zachtjes te trillen. Mijn spieren ontspannen zich, de pijn trekt weg uit mijn gefolterde lichaam. De zwoele vioolmuziek uit de met vilt omspannen speakers doet de rest. Ik krijg een heerlijk loom gevoel en zak steeds dieper weg.


‘Lekker hè? Slaap je al?!’ gilt mijn buurvrouw, die tijdens mijn Slender You-inwijding onder de zonnebank heeft gelegen. Met overslaand hart kom ik overeind.

Als ik dat de volgende ochtend opnieuw wil doen, kan ik het niet meer. Alledrie mijn B’s doen zo’n helse pijn dat ik nu al als een berg opzie tegen mijn volgende Slender You-sessie...

Ik denk dat ik toch maar een kleurspoeling neem.



Loes Gouweloos

maandag 15 september 2008

Luchtje

‘O goedemohge!’
Het klinkt wat verschrikt.
Als ik deze medebewoonster in onze flat tegenkom, steekt ze altijd haar neus in de lucht en loopt ze me voorbij alsof ik niet besta.
Ik zie Mevrouw Van Meerdervoort alleen tijdens de maandelijkse borrel. Verder spreek ik haar nooit. Ik ben niet van haar niveau. Zij is een echte dème, met bijbehorende dure kleding, een kapsel waarvan elk haartje altijd op zijn plaats zit, en een neusverblindend parfum.

Dat laatste ruik ik nu extra. Want dankzij de kleine wachtkamer van wat onze gemeenschap-pelijke huisarts blijkt te zijn, moet ze vlak naast me plaatsnemen.
Vandaar haar verschrikte ‘goedemohge’.
’Ook goedemorgen’, zeg ik. ‘Bent u ook zo benieuwd naar onze nieuwe huisarts?’
’Ach, wat zal ik zagge? Hij schijnt een buitenlander te zijn….’
Haar veelzeggende klemtoom op de eerste lettergreep van ‘buitenlander’ zegt inderdaad veel. En haar daarop volgende diepe zucht zegt alles.

Dan gaat de deur open en komt de ‘buitenlander’ met uitgestrekte hand op mij af. Hij stelt zich vriendelijk voor.

Ja, hij is de nieuwe huisarts, zegt hij, als ik tegenover hem zit in de spreekkamer.
En hij komt uit Irak. Heel even denk ik aan Mevrouw Van Meerdervoort. Hoe zal die straks reageren als hij haar hetzelfde vertelt?

’Hoe gaat het met u?’, vraagt de arts in vrijwel vlekkeloos Nederlands. Hij bekijkt mijn gegevens op zijn computerscherm. Nog voordat ik kan antwoorden, vervolgt hij: ‘Hoe is het nu met uw drankprobleem?’
’Drankprobleem?!’
’Ja, ik zie hier dat uw lever beschadigd is en dat u iets zou gaan doen aan uw drankprobleem.’
’Maar dokter, ik heb helemaal geen drankprobleem. Ik kom hier omdat ik mijn enkel heb verzwikt’.

Hij gelooft me maar half. Hij draait het scherm naar me toe zodat ik kan meelezen wat er in ‘mijn’ elektronische dossier staat.
Ik begin bovenaan te lezen, bij ‘Naam patiënt’.

’Dokter, dat is mijn dossier niet, dit is van iemand anders.’
De arts schrikt, draait snel het scherm terug, en vraagt me om mijn enkel aan hem te laten zien. Behendig doet hij er een zwachtel om.
Maar ik kan er nauwelijks aandacht voor opbrengen. Al mijn aandacht gaat uit naar de naam die ik zojuist op het beeldscherm heb gezien. Wraakzuchtige gevoelens maken zich van mij meester.

Als ik een minuut later de spreekkamer verlaat, mag Mevrouw Van Meerdervoort naar binnen. In het voorbijgaan ruik ik weer die zware parfum. Hoewel, ís het eigenlijk wel parfum?
’Tot ziens’, zeg ik tegen de neus in de lucht. ‘Ik zie u binnenkort zeker wel weer op de borrel?’


Loes Gouweloos

woensdag 10 september 2008

Het goede voorbeeld

Een klap, een schreeuw. Bloed spat uiteen op de vloer. En mijn geloof valt in één klap aan diggelen. Voorgoed.

Het was zo mooi begonnen: "Wíj geloven er wel niet in, maar er zijn een heleboel mensen die er wél in geloven. En daarom moet je ernaar toe."
Mijn ouders hadden hun best gedaan me hun eigen overtuiging niet op te dringen. "Wat je wilt geloven moet je later zelf maar weten", zeiden ze altijd, "dat moet je beslissen als je groot bent."

Brandend van nieuwsgierigheid ga ik na de zomervakantie van 1961 naar mijn eerste bijbelkennisles. Nu zullen alle stukjes op hun plaats vallen, nu zal ik het hele verhaal horen.
De lerares is een Hervormde dominee, een strenge vrouw met een grijs knotje en een brilletje waarover ze ons onheilspellend aankijkt terwijl ze de vaak gruwelijke maar o zo spannende verhalen vertelt uit het Oude en het Nieuwe Testament.
Ik hang aan haar lippen, maar ik blijf ook kritisch. Als ze vertelt dat Kaïn en Abel de enige nakomelingen zijn van Adam en Eva, ben ik zo vrij om mijn vinger op te steken en te vragen hoe de mensheid dan heeft kunnen ontstaan. Uit twee jongens, dat kan toch niet?
Ik kan een gevoel van triomf niet onderdrukken als ik voor het eerst wat onzekerheid bespeur bij de dominee. Ze ontwijkt mijn blik, talmt, zoekt naar woorden, en komt dan met de vondst dat er 'heel misschien, heel ver weg, in China of zo', ook nog wel een paar mensen hebben gewoond, maar dat dat niet in de Bijbel staat.
Beetje zwak antwoord vind ik dat, maar ik vergeef het haar want haar verhalen zijn zo mooi dat ik ze gewoonweg wíl geloven.

Om er zeker van te zijn dat we goed opletten tijdens haar niet verplichte vak, overhoort Juffrouw De Jong ons elke week. Dan stelt ze vragen over het verhaal dat ze de week daarvoor heeft verteld.

En tijdens zo'n overhoring gebeurt het. Juffrouw De Jong wendt zich tot Nicky, een helblonde sproetenkop met een eigenwijs kuifje, én de ondeugendste jongen uit de klas.
"En nu jij: wie sprak de woorden: 'God, vergeef het hen, want ze weten niet wat ze doen'"?
Nicky weet het antwoord best, maar hij besluit er een grappige draai aan te geven, zoals hij dat met zoveel dingen doet - de reden waarom de hele klas hem zo leuk vindt.
Op een tergend langzame, jennerige toon, geeft hij het antwoord, zijn stem klinkt alsof hij met verbijstering geslagen is: "Jézus!…"

Ik wil lachen, maar daar kom ik niet aan toe. Want nu reageert ze wél razendsnel.
In een fractie van een seconde toont Juffrouw De Jong, Hervormd predikant en overtuigd Christen, haar ware gezicht.
Jezus vroeg dan wel zijn moordenaars om vergeving, maar zij gaat een elfjarig jongetje echt geen gewaagd grapje vergeven.
Ze grijpt een lange plastic liniaal. Haar mond heeft zich samengetrokken tot een witte streep, uit haar ogen spreekt pure haat. Ze strekt haar arm opzij.
En ze slaat. Zo hard als ze kan.

Een zwiepend geluid, een klap, een schreeuw. En daar ligt Nicky. Bloedend in het gangpad, met een diepe snee over zijn hele gezicht. Eerst is hij stil van schrik, zoals wij allemaal. Dan begint hij heel hard te huilen.
"Sta op!", schreeuwt Juffrouw De Jong met overslaande stem. "En d'r uit! Naar het Hoofd! Ga hem maar eens vertellen wat je hier net hebt gezegd!".
Nicky strompelt naar de deur, lijkbleek, met gebogen hoofd, zijn linkerwang bedekt met een mengsel van bloed en tranen. Zacht snikkend verdwijnt hij in de lange gang.

De klas is doodstil. Niemand durft iets te zeggen.
Ik ook niet. Maar ik dénk: Zo, dat is dus het Christelijk geloof. Preken over vergeving en over de andere wang toekeren, maar dat zijn alleen maar mooie woorden. Als een dominee zoiets doet, wil ik nooit iets met het Christendom te maken hebben.Ik ben naar Bijbelkennis gestuurd om kennis te maken met het geloof en om later een goed gefundeerde keus te kunnen maken. Maar dankzij Juffrouw De Jong weet ik het nu al zeker.
Mijn net ontluikende geloof is in de knop gebroken.
Nicky heeft aan die klap ongetwijfeld voor de rest van zijn leven een litteken overgehouden.
Ik ook.


Loes Gouweloos

vrijdag 5 september 2008

Weet niet / Geen mening

Hoe het komt, dat weet ik niet. Maar ik heb er wel een mening over: ik ben tegen.
Tegen al die mensen met een mening waarom ik niet heb gevraagd. Tegen alle opiniepeilingen bij het minste geringste incidentje.

Ik heb er genoeg van. Van al die radioprogramma’s waarbij de luisteraar wordt gevraagd te bellen om zijn mening in slecht Nederlands de ether in te blèren.
Van de opiniepanels van Een Vandaag, Twee Morgen en Drie Overmorgen.
Van de ingezonden brieven die dagelijks krantenpagina’s vol in beslag nemen en van de columns waarvan elke zichzelf respecterende krant er elke dag minstens vijf publiceert.

Op tv moet elke wielrenner een mening hebben over de mensenrechten in China, elke minister over de voetbaluitslagen, elke soapster over de verkiezingen in Servië-Montenegro.
Niemand durft zeggen te dat ie daar geen zin in heeft. Beteuterd draven ze op bij Pauw & Witteman, Knevel & Van den Brink, De Wereld Draait Door, Jensen en Netwerk. Met het zweet op het voorhoofd proberen ze serieus over te komen terwijl ze praten over iets waar ze nog nooit over hebben nagedacht.

Waarom moet iedereen over alles een mening hebben?
Waarom nemen we al die columnisten, commentatoren en zogenaamde deskundigen serieus? Waarom moet Jan met de Pet zo nodig in een straatinterview of ingezonden brief vertellen wat zijn mening is over de stijging van de zeespiegel?
Waarom zijn er mensen die daarnaar luisteren, die dat lezen, die dat serieus nemen?

Zo veel meningen, zo veel commentaar, zo veel kritiek, zo veel oordelen, veroordelen en vooroordelen, zo veel soundbytes en flinterdunne huisgemaakte levensfilosofietjes.
En zo weinig feiten, zo weinig bespiegelingen, zo weinig enerzijds-anderzijds.
Dat kost te veel tijd, te veel moeite, dat scoort niet.

Maar ik, die zichzelf columnist noemt, ik stop ermee. Niet meer kort door de bocht om mijn redacteuren een plezier te doen.
Minder beweren, meer observeren.
Beschouwen, denken, dromen. Ik blijf schrijven om te ontroeren, te boeien en te amuseren. Maar aan meningen doe ik niet meer.
Waarom niet? Weet niet / geen mening.


Loes Gouweloos

maandag 1 september 2008

Koffie of thee

Wil je koffie of wil je thee?" De woorden worden altijd in één adem genoemd.
En toch is er een wereld van verschil tussen koffie en thee. En tussen koffiemensen en theemensen.
Tot welke soort je behoort is meestal een kwestie van opvoeding. De drank waarmee je vroeger thuis bent opgegroeid, daar raak je nooit meer vanaf.
En je hebt automatisch een hekel aan het alternatief. Niemand vindt koffie en thee even lekker, iedereen heeft een zeer sterke voorkeur. En weinig begrip voor de andere partij - het is beangstigend hoe fanatiek beide kanten 'hun' drank verdedigen en hoe weinig ze zich kunnen inleven in de tegenstander. Mensen die overigens de beste vrienden kunnen zijn, begrijpen niets van elkaar als het over hun verschillende voorkeur gaat qua koffie en thee.

Ik ben er heilig van overtuigd dat koffie en thee karaktervormend zijn. Je wordt ermee grootgebracht, net als met of zonder de Bijbel, met of zonder slaag, en je draagt de gevolgen voor de rest van je leven met je mee. Je voorkeur valt nooit meer te veranderen. Pogingen daartoe van partners die voelen hoe hun verhouding lijdt onder de controverse, zijn bij voorbaat kansloos. Ze zullen ermee moeten leven: de één is koffiemens, de ander is theemens.

Zelf behoor ik tot de eerste soort. Ik kan 's morgens onmogelijk op gang komen zonder koffie. De rest van de dag kan ik makkelijk zonder, maar het eerste wat ik drink nadat ik wakker ben geworden, is een kop koffie. Dat geeft energie, dan kan ik er die dag weer tegenaan.
Thee heeft dat effect niet, integendeel. Vandaar waarschijnlijk dat je koffie met een paar kloeke slokken achter elkaar naar binnen giet, dan komt de 'shot' lekker hard aan.
Wie dat met thee doet, maakt zich schuldig aan heiligschennis. Aan een kopje thee dien je te nippen. En er horen koekjes bij, en een Wedgewood-servies, en dames met twin-setjes en parelkettingen.
Het is echt niet toevallig dat het woord 'theemuts' wel bestaat en het woord 'koffiemuts' niet.

Koffie is Rotterdam, thee is Den Haag.
Koffie kun je makkelijk drinken terwijl je met iets anders bezig bent, je werk bijvoorbeeld.
Bij thee dien je je te houden aan het ritueel van de fluitketel, het 'trekken', het behoedzaam inschenken uit een theepot, het wolkje melk, en niet te vergeten de onvermijdelijke mierzoete lekkernijen.

Het komt allemaal door de herkomst. Koffie is een aftreksel van stevige, keiharde bonen uit heftige, Zuid-Amerikaanse macholanden.
Thee wordt getrokken uit tere, kwetsbare blaadjes uit mystieke oosterse landen, en die blaadjes dienen met de uiterste zorg te worden behandeld.
En dat vind je terug in de drinkers: de recht-voor-zijn-raap koffiedrinkers, die in een oogwenk een 'bak pleur' uit een gebarsten mok achterover slaan, versus de fijnbesnaarde theedrinkers (meestal trouwens drinkSTers).
Die stoppen overal mee, als ze al iets aan het doen waren (koffiedrinkers wérken ook veel harder), om zich vol overgave en met de pink omhoog te wijden aan het Heilige Theeritueel.

Het is een wonder dat er geen verenigingen of politieke partijen zijn waarin de koffie- en theedrinkers de belangen van hun groepering verdedigen, want we hebben het hier echt niet over een simpel genotmiddel: het gaat om een levensstijl, een overtuiging, en bij thee welhaast om een geloof.
Misschien is het ook daarom dat ík het bij koffie houd. Het smaakt steviger, maar het ís ook steviger. Eerlijker, echter, geen flauwekul, geen gedoe met 186 kunstmatige smaakjes in een sigarendoos.
Daar heb ik geen trek in en geen tijd voor. Gewoon inschenken en opdrinken. Zonder koekje, zonder maniertjes, zonder bijsmaak.


Loes Gouweloos

vrijdag 15 augustus 2008

Dimitri

Ik heb weinig verstand van ballet en mooi vind ik het ook niet. Maar als er een voorstelling wordt aangekondigd met balletmuziek van mijn favoriete componist Prokoviev, onder leiding van mijn favoriete dirigent Gergiev, en gedanst door echte stoere Russen uit Sint Petersburg - dan zwicht ik. Dat wil ik wel eens zien.
Ik ben vooral benieuwd naar de beroemde, heftige dans van de soldaten uit 'Romeo en Julia'. De rest van de voorstelling neem ik voor lief.

Terwijl de zaal volstroomt, zie ik dat ik in mijn spijkerbroek en T-shirt helemaal niet pas tussen het balletpubliek: fijnbesnaarde, superslanke dames met lange jurken en gouden toneelkijkertjes schrijden de zaal binnen. Vergezeld door grijzende heren in zwart kostuum.
Ik ben blij als het licht uitgaat.Tot mijn grote vreugde begint het programma met enige scènes uit 'Romeo en Julia'. De soldatendans is de beroemdste uit dat ballet, dus die zal ongetwijfeld worden uitgevoerd. Ik verkneukel me.
Eerst zien we een zweverige scène met een ballerina in een tutu en een broodmagere jongeman in een witte maillot. Ik verman me: niet gapen nu, straks komen de soldaten. Maar na nog een Zwanenmeerachtige scène, floepen de lichten alweer aan: pauze!
En na de pauze staat er een mij totaal onbekend ballet op het programma: 'De verloren zoon'. Dus die soldatendans kan ik vergeten. Ben ik daarvoor speciaal naar Rotterdam gekomen? Heb ik daarvoor 23 Euro neergeteld?
Ik onderdruk de neiging om woedend en vroegtijdig naar huis te gaan. Ik wil waar voor mijn geld, als het dan niet kwalitatief is, dan toch in elk geval kwantitatief: ik zal de hele voorstelling uitzitten, al is ie nog zo saai.

Boos en verveeld neem ik na de pauze weer plaats.
En dan gebeurt het. De rode gordijnen gaan weer open, en op het toneel verschijnt de verloren zoon: een heel andere danser dan die ik voor de pauze heb gezien. Geen witte maillot, maar blote lange benen met gespierde kuiten en prachtig gewelfde dijen. Daarboven een hemels torso: dit is Michelangelo's David, in levende lijve.
En elke beweging van deze danser is een explosie van energie. Het vuur spat eraf. Hij rent over het toneel, hij balt zijn vuisten, hij springt meters hoog en meters ver.
Ik ga op het puntje van mijn stoel zitten, ik voel mijn hartslag stijgen. Het is maar goed dat het donker is, want ik krijg een knalrood hoofd.
Wat een man, wat een lichaam. En boven dat Perfecte Lichaam een prachtig scherp gezicht, diepliggende ogen, wapperende blonde manen. Nurejev verbleekt bij deze goddelijke danser.
Ik weet zijn naam niet eens, maar besluit hem Dimitri te noemen.
In het heetst van de strijd gooit hij al zijn kleren uit. Het enige dat hij nog draagt is een piepklein vleeskleurig slipje. Zijn gebruinde en gespierde lijf kronkelt zich in de meest atletische bochten, hij kruipt, hij rent, hij springt. Hijgend en zwetend voert hij de spanning steeds verder op. De muziek zwelt aan, Dimitri's spieren zwellen op, hij explodeert bijna.
Ik ook. Als dit de verloren zoon is, weet ik wel een nieuw tehuis voor hem. Hij zal niets te kort komen. Inpakken hoeft niet, ik neem hem zo wel mee!

Maar helaas… mijn held keert terug naar zijn familie en wordt weer liefdevol opgenomen in hun midden. Hand in hand nemen mijn Dimitri en zijn mededansers het daverende applaus in ontvangst. Om mij heen zie ik dat zelfs de meest deftige dames met glinsterende ogen en een blosje op de wangen staan te klappen. Maar ik klap het hardst.
Hand in hand met zijn collega's, nog nahijgend van de inspanning, verlaat Dimitri het toneel.
Ook ik hijg nog na. Maar helaas - ik verlaat de zaal met in mijn hand niet meer dan een klam, verfrommeld programmaboekje.


Loes Gouweloos

zaterdag 9 augustus 2008

Brief van Bob

De naam op de enveloppe zegt me niets. Wie is Bob West? Een broer van Albert? Maar waarom zou die mij een brief sturen?
Al gauw wordt het me echter duidelijk. BoB is een afkorting. Van 'Bevolkingsonderzoek Borstkanker'.
Ik schrik niet eens zozeer van dat woord. Wel van het feit dat ik word opgeroepen voor dit onderzoek. Ik heb altijd gedacht dat alleen oude vrouwen daar naartoe moeten. En het erge is dat dat klopt. Dat staat namelijk in de begeleidende brochure. Het onderzoek richt zich op vrouwen tussen de 50 en 75 jaar, oudere vrouwen dus.
Toen ik 50 werd, beweerde ik stoer dat het me niets deed, dat ik me net zo voelde als voor die tijd. Maar nu breekt er iets in me. Door de brief van Bob. Daar staat het, zwart op wit, ik ben een oudere vrouw.
En dat borstonderzoek is ook niet een onschuldig experimentje dat is genoemd naar de voormalige Minister van Volksgezondheid, het is een serieuze zaak en het bestaat niet voor niets. Na de leeftijdsschok, voel ik nu ook de angst toeslaan. Stel je voor dat ze wat vinden?
'Bij 99% van de onderzochte vrouwen wordt geen afwijking gevonden', meldt Bob geruststellend. Ja ja, maar je zal net zien dat ik bij die één procent behoor, tobt de hypochonder in mij. Iedereen denkt toch dat het altijd een ander overkomt?

Mijn 70-jarige buurvrouw belt aan en vraagt me op vrolijk treiterende toon of ik 'nu zeker ook wel' een oproep heb ontvangen voor het borstonderzoek. En of ze mag meerijden.
'Natuurlijk, gezellig toch?', grap ik geforceerd.
'Ach joh', doorziet zij me met het begrip van de ervaren Bobber, 'het houdt niks in hoor, het is zo gebeurd.'

Via een wiebelige loopplank betreden we de zogenaamde 'mammobiel', een langgerekt soort caravan die een aantal weken in het stadscentrum staat om alle oude vrouwen van Alphen aan den Rijn op verdachte knobbeltjes te onderzoeken.
Bob heeft zijn best gedaan om zijn slachtoffers op hun gemak te stellen. De wachtruimte wordt opgesierd door enkele fleurige plastic planten en op de achtergrond klinkt Marco Bors(t)ato. Maar er hangen ook twee posters waarop foto's prijken van een inderdaad oudere vrouw, van wie de blote hangborsten in allerlei standen zitten vastgeklemd en platgedrukt in een reusachtig martelwerktuig met metalen platen. Een soort Kama Sutra voor de Oudere Vrouw. De foto's maken stapsgewijs duidelijk wat er tijdens het onderzoek wordt gedaan, en dat oogt behoorlijk pijnlijk.
Maar ik heb méér moeite met de ontelbare rimpels en de grijze permanentkrulletjes van het vrouwtje op de poster. Hoor ik dáárbij, bij dat soort zielige bejaarde types?
Tegenover mij zitten enkele lotgenotes. Die zijn gelukkig nog niet bejaard, maar wel zichtbaar gespannen. Om de paar minuten mag er een de fotografeerruimte binnen en komt er een ander naar buiten. Die krijgt dan kort daarop te horen dat de foto's gelukt zijn en dat ze binnen veertien dagen de uitslag in de bus krijgt.
Recidivistes krijgen zelfs een stempel in hun speciale 'paspoort', een blauw document dat me doet denken aan het Joris-Driepinter melkpaspoort uit mijn jeugd - lang, heel lang geleden…

In het minuscule kleedhokje klinkt Marco nog luider. Hoe meer de spanning stijgt, hoe harder hij blijkbaar nodig is.
Als ik me na de fotosessie net weer heb aangekleed, word ik teruggeroepen: een van de opnames is mislukt, ik moet opnieuw naar binnen.
Zie je nou wel?, flitst het door me heen, ze hebben wat gevonden.
Maar de fotografe bezweert dat het alleen een opnametechnische fout betreft.
Maar half opgelucht verlaat ik de mammobiel. De collectebus van het Wilhelminafonds, die opzichtig bij de uitgang staat, negeer ik met afgewend hoofd.

Over twee jaar kan ik opnieuw een uitnodigingsbrief verwachten van Bob. Maar eerst is het wachten op de brief die ik binnen twee wéken van hem krijg, met een bijlage die symbool staat voor mijn nieuwe levensfase: het blauwe borstenpaspoort.


Loes Gouweloos

donderdag 7 augustus 2008

Logisch

Vrouwen kunnen niet rijden’, beweren veel mannen nog steeds. Met zo veel stelligheid dat je zou verwachten dat ze zich baseren op grondig wetenschappelijk onderzoek.
Maar helaas. Als je doorvraagt, blijkt dat ze zich baseren op een steekproef van welgeteld één persoon: hun eigen vrouw.
Vervolgens gaan ze – zeer onwetenschappelijk – generaliseren: hun vrouw kan niet rijden, dus kunnen alle vrouwen niet rijden.
Hun vrouw kan niet behangen, dus kan geen enkele vrouw behangen.
Hun vrouw kan niet logisch denken, dus kunnen vrouwen niet logisch denken.

Dat kunnen die mannen wél. Dat vrouwen niet kunnen rijden, leiden zij namelijk af uit het feit dat zij al van verre zien of er een vrouw of een man achter het stuur zit.
Tsja… Ook ik zie dat. Als er van verre een roestbak met knetterende uitlaat veel te hard komt aanscheuren, weet ik zeker dat daarin een man zit die denkt dat hij Michael Schumacher is.
Toch concludeer ik daaruit niet dat álle mannen roekeloos rijden.
Maar als er bij mij in de buurt binnen een week twee ernstige auto-ongelukken gebeuren, beide tengevolge van roekeloosheid van de mannelijke bestuurder, dan ga ik ernstig twijfelen.
En als ik lees dat volgens de verzekeraars mannen zes keer zoveel ongelukken veroorzaken als vrouwen, weet ik het zeker.
Mannen kunnen niet rijden, maar ze dénken van wel.
Zelfoverschatting dus. Dat is het enige verschil met vrouwen.
Die kennen zichzelf, en stemmen hun rijgedrag daarop af.
Daarom rijd ik al 25 jaar schadevrij. Logisch. Toch?


Loes Gouweloos

vrijdag 1 augustus 2008

Horloge

Horloge

Het is zuiver goud, dat weet ik zeker. Vol trots doe ik het om mijn pols. Ik kijk er elke minuut op, en zelfs ’s nachts houd ik het om.
Mijn eerste horloge. Gekregen voor mijn achtste verjaardag. Mijn ouders hebben me het met een plechtig gebaar overhandigd: ‘Je wordt nu zo groot, je krijgt je eigen horloge’.
Zelfs bij tien graden onder nul (dat kwam nog regelmatig voor in 1958) stroop ik mijn mouwen op, zodat het blinkende horloge en het bruine bandje van ‘zuiver leder’ voor iedereen goed zichtbaar zijn.

22 jaar later weer zo’n plechtig moment. Omdat ik dertig wordt, willen mijn ouders me een extra duur cadeau geven, dat lang meegaat. ‘Tijdloos’, zou je zeggen, maar in dit geval niet, want opnieuw krijg ik een horloge. En het mag wat kosten.
Met mijn vader loop ik een hele zaterdagmiddag door het centrum van Rotterdam. We beginnen bij een van de meest chique juweliers: Siebel.
De verkoopster doet het met eerbied om mijn pols: een stijlvol, zilveren Prismahorloge met een zwarte wijzerplaat en Romeinse cijfers. Prachtig. Ik ben verkocht. Een plattere horlogekast heb ik nog nooit gezien.
Die platheid blijkt het kenmerk te zijn voor klasse.
En voor een exorbitant hoge prijs: 400 gulden!

Teleurgesteld doe ik het pronkstuk weer af. Mijn vader ziet mijn teleurstelling en aarzelt. Ook hij vindt het horloge schitterend, maar 400 gulden…
‘Eerst nog even verder kijken’, zegt hij. Dat gaat dus niet door, denk ik.

We gaan winkel in, winkel uit. Juweliers, de Bijenkorf, V&D. Overal doe ik horloges om van een acceptabele prijs. Sommige zijn heel aardig, maar ik blijf terugdenken aan mijn eerste: mijn platte, zwarte Prisma design quartz.

Het gaat steeds harder vriezen en de wind wakkert aan. Na drie uur lopen, zegt mijn vader opeens vastberaden:’ We gaan terug naar Siebel. Die Prisma is gewoon de mooiste, en tenslotte word je dertig. En een horloge is niet zomaar iets, dat draag je de rest van je leven.’

Ik wilde niet liever.
Maar een paar jaar geleden stopte hij ermee.

De plaatselijke juwelier meldt ontdaan dat er geen onderdelen meer verkrijgbaar zijn. ‘Het was een prachtig model, mevrouw, een klassieker. Ik zou het bewaren als ik u was. Maar we krijgen het niet meer aan de praat.’
Daarna volgt een verhaal over de devaluatie van het horloge in het algemeen. Iedereen heeft meerdere horloges, het is een hebbedingetje geworden, een wegwerpartikel - de batterijen zijn duurder dan de horloges.
Vanaf dat moment koop ik bij elk bloesje een bijpassend horloge en als de batterij leeg is, koop ik een nieuw. Dik, plat, zilverkleurig, goudkleurig, met of zonder datumaanduiding, plastic bandje, leren bandje, metalen bandje. Ik heb er zeker tien, maar geen enkel horloge betekent nog iets voor me.

Als mijn nichtje zes wordt, probeer ik het nog één keer: ‘Je kunt nu klokkijken, dus je krijgt van je tante een echt horloge’.
‘Ik heb al een horloge!', zegt Femke, bijna beledigd.
Voor de beleefdheid doet ze het cadeau even om, maar als ik haar een paar weken later weer zie, is het mooie, dure horloge vervangen door een exemplaar met een Mickey Mousewijzer-plaat.
Inderdaad: horloges betekenen niets meer.

Of toch?
Drie maanden geleden is mijn moeder gestorven.
Voor de crematie is er de bekende ‘gelegenheid tot afscheid nemen’.
Femke, inmiddels een stoere aspirant-puber van elf, loopt de rouwkamer in.
Daar ligt haar oma: lijkbleek, koud, levenloos.
Femke kijkt even, verstijft van schrik, draait zich dan om en valt huilend in haar moeders armen. Ze krijgt koffie, ze krijgt kusjes, iedereen spreekt troostende woordjes, maar niets helpt.

Haar lieve, gekke oma, die zo veel van haar hield, met wie ze spelletjes deed, die haar steeds weer cadeautjes gaf waar ze al te groot voor was, die haar meer knuffelde dan wie dan ook.
Dat is nu voor altijd voorbij, opeens dringt het door. Femke is ontroostbaar.

Maar dan grijpt ze naar haar pols. Ze stopt met snikken, droogt haar tranen, en zegt met een nog wat onvaste maar toch sterke stem: ‘Ik heb gisteren een horloge gekocht. Daar staat in gegraveerd: ‘Van oma’, kijk maar.
Ik zal het altijd dragen. En steeds als ik op mijn horloge kijk, dan denk ik aan oma.’


Loes Gouweloos

zondag 27 juli 2008

Martiaans

“Goedenavond dames en heren. Voor onze avondetappe komen wij vandaag tot u vanuit dit prachtige château in de Elzas. U weet wel, die streek die fameus is wegens haar heerlijke bordeauxwijn. En die ooit zo hartstochtelijk is bezongen door de Vlaming Jacques Brel, een beroemde zoon van deze streek. En natuurlijk ook de streek die het episch centrum vormt waar de wielrencultuur en de Franse machocultuur samenkomen.”

“Bij mij aan tafel zit een levendige lende: Rik Vandenbroeke. Een echte Waal, met die typische Waalse stiff upper lip humor. Samen met hem gaan wij de Touretappe van vandaag na-evalueren.”
“Ik vraag even aan de jongens van de techniek of nú de beelden kunnen starten. Nú!(…)
Ik zie niks. Hoe kan ik nou een kwaliteitsuitzending maken zoals u die van mij gewend bent, als ik geen beelden zie!
Wat zeg je Rik, zie jij ze wel? Dat bedoel ik nou, dames en heren: die typisch Vlaamse stiff upper lip.”

“O, daar zijn eindelijk de beelden. Lekker vlot, bedankt hoor jongens. Beelden zonder geluid. Maar, zoals de Britten zeggen: bless your countings. In elk geval zíen we wat.”

“Dit is het begin van de etappe. Nog weinig aan de hand. Maar daar ontsnapt ónze Dennis Menchov, echt een jongen van oranjeblanjebleu. Hij geeft een patat, en weg is ie. Net zoals vroeger Michael Boogerd. Oftewel Boogey, zoals zijn Duitse collega’s hem noemen. Maar ja, zo’n vroege ontsnapping is tot doemen mislukt. Een pas faux van Menchov. Maar hij rijdt zoals hij rijdt. Een uur later is hij weer ingehaald door het stoempende peloton. Dat was dus het verdict van Nancy.”

“Dit zijn de beelden van de finale van vandaag, hier vlakbij in Toulouse. Een finale die een finale waardig is. Iedereen had een overwinning verwacht van Oscar Freire. Maar wie blijft hem daar net voor? Is het Boogey? Anquetil? Of toch weer old good Joop Zoetemelk?
Nee, het is de stoere Kozakstaan Vinokoerov, oftewel: Vino, zoals wij kenners hem noemen. Hiermee levert hij zijn visitekaartje in: een duidelijke kandidaat voor de eindoverwinning in deze Tour de Force. Want Vino koerst zoals hij koerst.
Rik, ben jij het met me eens?”
“Nee? Haha, typisch die revaliterende Vlaamse nuchterheid. Rik spreekt zoals hij spreekt.

Dames en heren, Rik had als jongen maar één grote wil: wielrenner worden. Maar dat ging niet door: in de Ronde van Italië is hij dermate gevallen dat hij nooit meer kon voetballen.
We herinneren ons nog hoe het gebeurde: vlak voor de meet, in Koblenz.”

“De naam die nu onmiddellijk op mijn lippen komt is die van mijn grote vriend Lance Armstrong. Lance, ach jongen. Die heb ik 1084 keer geïnterviewd, terwijl hij verder geen enkele journalist vertrouwt. Dat heeft te maken dat journalisten altijd beginnen over het d-woord.
Daar houdt mijn vriend Lance niet van. Maar ík ben altijd objectief gebleven.”

“Nu zijn er weer geruchten doorgelekt dat Rasmussen vorig jaar ook doping zou hebben gebruikt. Zo wordt deze prachtige sport kapot geruïneerd. Geen wonder dat de meeste renners de pest hebben – ja, dat woord durf ik rustig te gebruiken – aan al mijn zogenaamde collega’s. Die begrijpen niet wat het is om met topsport bezig te zijn. Maar de coureurs zijn dit soort verslaggeving kotsbeu.”

“Nu neem ik even een wending in het gesprek. Rik, u heeft er faam mee gemaakt dat u zo prachtig kon vertellen over die zware Pyreneeënrit in 1978, toen u met het snot voor de ogen in een Alpenravijn viel. Wilt u de kijkers thuis dat verhaal nog eens vertellen?”
“Rik? Rik! Rik, waar bent u gebleven?”

“Dames en heren, ik hoor net van mijn regisseur dat Rik zo geïmpressioneerd is door mijn ruimhartige vocubalaire dat hij bang is schraal af te steken. Typisch zo’n bescheiden Belg. Die
zijn zoals ze zijn.”

“Desondanks weet ik zeker dat wij zijn geslaagd in ons objectief: u een boeiende uitzending opgeschotelen vanuit deze piroteske auberge in het hartje van la dolce France. Ik geef nu over. Aan de prachtige Dalida. Ik hef met u de fles op deze Ronde van Frankrijk.
En ik zeg mét de Fransen: hasta la vista!”


Loes Gouweloos (met dank aan Mart Smeets)

Culibeet

Het is een ernstige kwaal die al generaties lang heerst in de vrouwelijke lijn van mijn familie.
Hoe lang precies, weet ik niet. Ik herinner het me vanaf mijn oma van moederskant.
Die kon absoluut niet koken. En net als later bij haar dochter en kleindochter, kwam dat vooral omdat ze het niet wilde. Ze vond het zonde van haar tijd. Er waren zo veel leukere dingen.
Als het 's zomers mooi weer was, liet mijn oma de boel de boel, trommelde haar vier kinderen op, en ging de hele dag met ze naar het bos aan de rand van de stad. Lekker rondrennen, spelletjes doen, lachen.
Als ze 's avonds thuiskwamen, sneed oma een heleboel boterhammen, kwakte wat roomboter en kaas op tafel, en daar moesten haar bloedjes van kinderen het mee doen. En die vonden dat prima. Ze wisten niet beter, en bovendien hadden ze een leuke dag gehad, lekker buiten in het bos.

Het is dus geen wonder dat toen mijn moeder trouwde, ze weinig kooktips meekreeg. Dientengevolge mislukten de eerste maaltijden die ze haar kersverse echtgenoot voorzette, allemaal dramatisch.
Mijn oude vader kan er nu nóg smakelijk over vertellen: over aardappelen zo hard als steenklompen, over zwartgeblakerde, verschrompelde stukken vlees die taaier waren dan schoenzolen, over groenten met suiker in plaats van zout.
Gelukkig ging zijn liefde niet door de maag, het prille huwelijk was ruimschoots bestand tegen deze culinaire flaters, die tijdens de eerste maanden zelfs voor extra pret schijnen te hebben gezorgd. Het samen nuttigen van zoutloze maaltijden en granietharde oliebollen verstevigde de band tussen de jonge echtgenoten.

Dus nóch haar moeder, nóch haar echtgenoot vormden voor mijn moeder een stimulans om een beetje behoorlijk te leren koken. Dat heeft ze dan ook nooit gedaan.
Het ergste - of eigenlijk: het leukste - is dat ze zich er niet voor schaamde, wat zeker bij haar generatie toch wel voor de hand zou hebben gelegen. Altijd liep ze af te geven op 'dat stomme koken': "Ik sta uren in de keuken, en jullie eten alles in een kwartier op. Zonde van mijn tijd!" We gaven haar gelijk, ook al hadden we wel eens iets gelust wat echt lekker was klaargemaakt. Maar dat zat er niet in.

Integendeel. Een nog steeds legendarische anekdote in onze familie betreft de keer dat mijn moeder gestoofde peertjes had klaargemaakt - al iets heel bijzonders voor haar doen. Nu wil het geval dat in haar rommelige keuken de doos met maizena en de doos met stijfsel (voor mijn petticoats) naast elkaar stonden.
Net toen wij onze eerste hap wilden nemen, drong bij mijn moeder een vreselijk besef door.
Ze sprong overeind, met een geschrokken maar ook vastberaden blik in haar ogen. Ze zei niets, daar was geen tijd voor, elke seconde telde. Haar gezin moest worden gered van een gewisse dood.
In een flits griste ze onze borden onder onze neuzen vandaan en bracht ze op een drafje naar de keuken terug. Daar kieperde ze de peertjes linea recta in de afvalbak, ons in verbijstering en met rammelende magen achterlatend.
We hebben nooit zeker geweten of er nu maizena of stijfsel in onze peertjes heeft gezeten, maar het gebeuren is illustratief voor mijn moeders onzekerheid als kokkin.

Daarna heeft ze nooit meer geëxperimenteerd: iedere dag gekookte aardappelen, met een veilig lapje vlees of met een ei, en elke dag van de week een vaste groente - meestal uit blik. Als toetje vla uit een fles, dan een appel, en klaar waren we.

Bij vriendinnetjes zag ik moeders die hele middagen bezig waren het eten te bereiden. Bedrijvig dribbelden ze door de keuken, met een geblomd schort voor, geconcentreerd waren ze in de weer met allerlei keukengerei dat ik bij mij thuis nog nóóit had gezien, er stegen voor mij volstrekt onbekende geuren op, ze hadden het over 'macaroni' en 'nasi', ze keken in kookboeken en lazen Margriet-recepten - voor mij was het allemaal totaal vreemd.

Als ik na zo'n bezoek thuiskwam, trof ik steevast míjn schortloze moeder aan op de bank, verdiept in een boek uit de bibliotheek. Ze begon direct enthousiast te vertellen waar dat over ging en hoe mooi het was en dat ze zo benieuwd was hoe het zou aflopen. En dat ze daarom ook echt nog niet aan het eten 'kon' beginnen.
Ik was daar heimelijk best trots op, en zei dus maar niet dat ik honger had.

Tegen de tijd dat mijn vader thuiskwam, kwam Ma morrend overeind, trok een blik open, en droeg mij op om de tafel te dekken omdat ze 'geen twee dingen tegelijk' kon.
Na het eten ging ze direct weer verder met lezen, terwijl mijn vader koffie zette.

'Koken? Ik lees liever een boek', was haar lijfspreuk.
Ik heb weinig van mijn moeder overgenomen, maar dat motto wel, met volle overtuiging.

Toen ík het huis uitging, herhaalde de geschiedenis zich. Ik moest nu eenmaal eten, dus enige kooklessen waren onvermijdelijk, dat zagen zowel mijn moeder als ik wel in.
Kreunend en steunend zetten we ons eendrachtig achter het fornuis. Ik leerde aardappelen koken en vlees braden. Ik schreef de instructies op, want wat me niet interesseert vergeet ik onmiddellijk weer.
Na twee 'lessen' verzuchtte mijn moeder: 'Ik heb er genoeg van. Weet je wat je doet? Koop maar een kookboek, ik betaal het wel.'

Dat deed ik, maar ik heb er weinig in gekeken, tot op de dag van vandaag. Ik weet wel leukere boeken.
En tegenwoordig zijn er gelukkig heel goede kant-en-klaar maaltijden, wat dat betreft heb ik het veel makkelijker dan mijn moeder en haar generatie.
Als ik gasten krijg, schotel ik ze mijn enige specialiteit voor: Macaroni di Lucia. Een pittige, voedzame éénpansmaaltijd waarin ik blindelings alles verwerk wat met tomaten te maken heeft. Als dezelfde gasten voor de tweede keer komen, stel ik voor om op mijn kosten buiten de deur te gaan eten. Zo heb ik het altijd gered, zo moeilijk is het allemaal niet.
Het enige probleem is dat ik me altijd toch stiekem een beetje heb geschaamd voor mijn zeer matige kookprestaties. Ik koketteerde ermee, zo van: ik ben een werkende vrouw én een intellectueel, dus ik zal me daar tijd gaan besteden aan dat domme gekook.
Maar diep in mijn hart zat het me toch niet helemaal lekker. Een vrouw hoort nu eenmaal te kunnen koken.

Tot kort geleden. In NRC Handelsblad - de kwaliteitskrant - lees ik een lang artikel over mensen die niet kunnen koken. Het blijken er steeds meer te worden, vooral vrouwen. En: het blijkt niet onze eigen schuld te zijn! Pak van m'n hart!
Het is de schuld van de ouders, die zijn op te delen in twee categorieën: dominante kookmoeders die niemand in hun keuken toelieten (dus bepaald niet de mijne), en ouders die zélf niet kunnen koken. Dat laatste kan zelfs een genetische oorzaak hebben: in sommige families is men van generatie op generatie onhandig waar het koken betreft, dus kan deze kunst ook niet worden doorgegeven.
In dat geval, zo meldt de NRC, is er sprake van een 'kookopvoedingsdeficit'. En degenen die daaraan lijden zijn geen klungels die zich moeten schamen, nee, dat zijn 'culibeten', en ze zijn zielig.
Er is een naam voor mijn gebrek, ik ben ziek! Dat weet ik dus.
En ik weet nóg iets: ik wil niet 'culibeter' worden. Ik schik me in mijn lot. De hele wereld mag het weten, ik heb het definitief aanvaard: ik ben culibeet!


Loes Gouweloos

Ze schaakt

Haar geboorte kan ik me nog herinneren alsof het vorige week was. Het lijkt alsof ze bijna direct daarna kon lopen. Én praten. Voor mijn gevoel toonde ze me haar kunsten op de fiets pas gisteren. En nu, vandaag, heb ik voor het eerst met haar geschaakt.

Mijn nichtje is drie, en ze zet me bijna mat! Weliswaar met wat medewerking van mijn kant, maar toch…

Feilloos zet ze alle schaakstukken op de juiste plaats neer. Zonder aarzelen schuift ze rechtuit met de toren, diagonaal met de lopers, en maakt ze ingewikkelde paardensprongen. Ze denkt
zelfs regelmatig twee zetten vooruit, en zet zo al kleine aanvalletjes op die uitmonden in het slaan van mijn stukken.

Aan het begin van het partijtje heb ik nog gemengde gevoelens. Natuurlijk is tante trots dat ze een nichtje heeft met zo'n hoog IQ, maar aan de andere kant vraag ik me af of ze niet al te veel een wijsneusje aan het worden is.
Maar mijn zorgen zijn ongegrond. Femke schaakt wel, maar ze schaakt als een gezonde, speelse peuter:
Als ze een stuk slaat, slaat ze het ook écht. Met een zwierig gebaar zwiept ze de vijandelijke toren of dame van het schaakbord af. Het stuk landt met een boogje een meter verder op tafel.
Dit gaat gepaard met een triomfantelijke uitroep: "Tók!".
Vervolgens legt ze het spel stil: "Ik ben de scheidsrechter."
Doel van deze onderbreking is het geslagen stuk veilig terug te zetten in de doos waar de schaakstukken in worden opgeborgen, want "dan staat hij lekker bij de anderen".
Pas als ze het deksel weer heeft dichtgeschoven, mag de partij worden hervat.

Op een gegeven moment heeft ze zichzelf zo vast gezet, dat ik gewoonweg gedwongen ben een loper van haar te slaan. "Sorry Femke", zeg ik, "maar ik ga je loper slaan."
Niet begrijpend kijkt ze me aan: "Dat geeft niks hoor Loes, ik heb er toch nóg één!"

Na een minuut of tien begint ze haar geduld te verliezen. Opeens pakt ze een van haar paarden en maakt een lange serie sprongen achter elkaar. Die eindigt ruim naast het schaakbord, vlakbij een schaal met koekjes. Ze laat haar paard voorover buigen, met zijn neus op de lekkernijen, en deelt mee: "Even wachten hoor, het paard heeft honger."
Nadat het denkbeeldige koekje is opgegeten, springt het paard weer vrolijk terug naar het veld waar het vandaan was gekomen.

Met een uiterste krachtinspanning weet ik een remise uit het vuur te slepen.
Femke wil niet nóg een potje, want ze heeft inmiddels haar zinnen gezet op haar gloednieuwe kwartetspel: "Ik wíl niet meer schakelen, ik wil kroketten!"



Loes Gouweloos

Ze fietst

Het lijkt nog zo kort geleden dat mijn broer me opbelde met groot nieuws over mijn toen net éénjarige nichtje: "Ze loopt!"
Nu is Femke 3 1/2. Op bezoek bij mijn ouders, is ze vol van maar één ding: haar fietsje. Dat staat geparkeerd bij de voordeur. Spiksplinternieuw, met twee zijwieltjes tegen het vallen, met alle kleuren van de regenboog en met een echte 'Loekie'-bel.
Pogingen om mijn nichtje spelletjes te laten spelen in de huiskamer hebben maar kortstondig succes. Telkens vraagt ze weer: 'Zullen wij weer even gaan fietsen, Loes?'
De ene keer dat ik 'nee' zeg, brengt ze haar mond aan mijn oor en fluistert op een samenzweerderige toon: 'Zal ik dan stiekem alléén gaan fietsen?'

Ik zwicht voor dit geniale complot, en samen sluipen we voor de zoveelste keer naar de gang van de serviceflat.
Kaarsrechtop en glimmend van trots rijdt Femke op haar zuurstokgekleurde fietsje over de smetteloze, nieuwe vloerbedekking. Bij elke voordeur rinkelt ze met haar Loekie-bel - om te voorkomen dat bejaarden die argeloos hun woning uitstappen door haar zouden worden aangereden. Aan het eind van de gang maakt ze een keurige bocht en racet dan weer terug naar waar ze vandaan kwam.

Als het zondagmiddagbezoek ten einde is, stapt ze voor de laatste keer op, vergeet in haar opwinding om haar oma, opa en tante gedag te zeggen, en vertrekt luid bellend richting lift. Ze druk op het knopje 'Neer', de liftdeuren gaan open, ze steekt als een volleerde verkeersdeelnemer haar armpje uit, en zwenkt behendig rechtsaf de lift in.

Een halve minuut later zien we haar vanaf de balustrade weer beneden in de hal verschijnen. Stralend kijkt ze naar ons omhoog. 'Dág!', roept ze, en ze belt nog even extra hard als afscheid.
Dan zet ze een spurt in, de automatische deuren schuiven open, en daar gáát Femke. Naar buiten, de straat op, de hoek om, en ze is verdwenen.

Ze fietst hard. Het gaat hard.


Loes Gouweloos

Gezondheid!

‘Het allerbelangrijkste is dat je gezond bent’, hoor je vaak zeggen.
‘Veel geluk, en natuurlijk vooral: een goede gezondheid!’ staat op menige nieuwjaarskaart.
Blijkbaar vinden we gezondheid erg belangrijk. We zien haar zelfs als een voorwaarde voor geluk. Is dat terecht?

* * * * *

Natuurlijk mis je veel als je een ziekte of een handicap hebt. Wie geen benen heeft, kan niet dansen. Wie blind is, kan geen film kijken. Wie doof is, kan niet genieten van muziek. En voor wie altijd pijn heeft, is het moeilijk zich volledig over te geven aan alle geluk schenkende zaken in het leven.
Maar betekent dat dat ongezonde mensen hoe dan ook niet gelukkig kunnen zijn?

Het staat buiten kijf dat veel zieken en gehandicapten inderdaad een ongelukkig leven leiden. Ze hebben pijn, ze verkeren in een sociaal isolement, hun inkomen - en daarmee hun mogelijkheden tot afleiding - zijn laag, ze spreken bijna uitsluitend lotgenoten en medici en komen zo nooit los van hun ziekte. Dus zijn ze daar van vroeg tot laat mee bezig. Misschien maken de omstandigheden deze ‘beroepspatiënten’ wel ongelukkiger dan hun ziekte.
Maar omstandigheden zijn veranderbaar. Door de overheid, door hun naaste omgeving, en niet in de laatste plaats door henzelf. Menigeen legt zich dan ook niet neer bij de situatie.
Een abonnement op het Concertgebouw zit er vaak niet meer in, maar een rolstoelritje naar een gratis voorstelling van de plaatselijke operettevereniging kan altijd.
Als je niet kunt krijgen wat je wilt, zorg er dan voor dat je wilt wat je kunt krijgen.


Het imagoprobleem ligt wellicht niet alleen bij de zieken, maar ook bij de gezonden. Die kijken meewarig naar hun manke of bedlegerige medemens, en denken: wat moet dát erg zijn!
Angst? Projectie? Of heeft het te maken met de hedendaagse fitheidsobsessie?
Ooit schreef Renate Rubinstein, die leed aan MS:
’Ik zit voor het raam, het weer is mooi, mijn boek schiet op, mijn humeur is goed.
Jij komt binnen en ziet een vrouw in pyjama met een deken over haar knieën. Het is al één uur, ze heeft nog niet ontbeten, in geen dagen is ze buiten haar huis geweest. Onhandig staat ze op, ze strompelt op stijve benen. ‘Zielig’, denk je, ‘ze is zielig.’
Maar jouw waarheid is de mijne niet. Ik ben geconcentreerd op een alinea die in jouw hoofd niet omgaat. Ik raak hier aan(…) de macht van de individuele geest om een wereld te creëren, niet volledig onafhankelijk van wat men ‘de objectieve wereld’ noemt, maar in stijgende mate onafhankelijk van de houding van andere geesten tegenover deze wereld.’ 1)

Die zit. Maar Renate Rubinstein was dan ook een zeer autonome geest, met een meer dan gemiddeld hoge intelligentie en een rijke fantasie. Zij liet zich niet aanpraten dat ze zielig was, en bovendien kon ze doorgaan met haar passie: schrijven. Dat helpt.

Ander voorbeeld: Stephen Hawking, de beroemde fysicus, kan alleen zijn wenkbrauwen bewegen. Toch heeft hij belangrijke ontdekkingen gedaan en vele bestsellers geschreven – waarvan het moeilijk voorstelbaar is dat die hem geen geluksgevoel hebben gegeven.
En de oude, verlamde dirigent Otto Klemperer liet zich op het podium hijsen om daar met priemende ogen en minieme bewegingen van zijn stokje zijn wil op te leggen aan het orkest.
Prachtig, maar uitzonderlijk. Minder geniale geesten moeten het met minder gaven doen, en zullen dus sneller ongelukkig worden omdat ze ziek zijn.
Maar er zijn genoeg uitzonderingen om nu vast te kunnen stellen dat het voor ongezonde mensen weliswaar moeilijker, maar niet onmogelijk is om gelukkig te zijn.


Kunnen we nog een stapje verder gaan? Zou het niet zo kunnen zijn dat een chronische ziekte of handicap je zo confronteert met je naakte zelf, dat je er uiteindelijk een rijker mens door kunt worden? Hangt niet veel af van hoe je als zieke naar je ziekte kijkt?
Je wordt op jezelf teruggeworpen. Maar zo kun je jezelf, je sterke en zwakke punten, beter leren kennen.
Je wordt getroffen door grote tegenslag. Maar dat biedt je de kans om beter te leren omgaan met álle soorten tegenslagen.
Je bent je omgeving tot last. Maar je leert je ware vrienden kennen.
Je moet ervaren dat gezondheid niet vanzelfsprekend is. Maar daardoor kun je meer genieten van wat je nog wél hebt. Van elke dag weer de dag plukken zo lang dat nog kan.
Je kunt vaak niet meer werken, niet meer sporten. Maar daardoor leer je relativeren, en ontdek je waar het écht om gaat: liefde, vriendschap, de natuur, het ontplooien van vaak onvermoede talenten, een mooi gedicht, een prachtige symfonie.

Kortom: het gaat niet om wat een ziekte met jou doet, het gaat om wat jij met die ziekte doet.
Als dat laatste lukt, kun je dankzij een slechte gezondheid inderdaad een rijker mens worden. Áls je maar in staat bent de ziekte te zien als een blessing in disguise.
Zo bekeken kan een slechte gezondheid, hoe paradoxaal dat ook lijkt, zelfs een bron van geluk zijn.

Veel chronisch zieken en gehandicapten worden, als de rouwverwerking omtrent het verlies van hun gezondheid voorbij is, wijzere mensen. Natuurlijk hebben ze hun slechte dagen en sombere buien, maar vaker zijn ze in staat hun ziekte te zien als een uitdaging. En ze winden zich niet meer op over trivialiteiten, kunnen zich beter inleven in anderen die ook een verlies moeten verwerken, en zijn evenwichtiger dan voorheen.
Ze hebben, kortom, van hun nadeel hun voordeel gemaakt.
Lijden loutert – althans bij degenen die het in zich hebben om zich te láten louteren. Zoals Rubinstein zei: ‘Misschien kun je alleen leren wat je al in je hebt.’ 1)
Daarin schuilt hem het wrange: je moet geluk hebben om gelukkig te kunnen zijn…

Toch luidt de eindconclusie: het is mind over matter.
Ook in een óngezond lichaam kan een sterke, gezonde geest wonen.
En dankzij die gezonde geest kan ook de ongezonde mens gelukkig zijn. Gelukkig maar.


Loes Gouweloos




1) ‘Nee heb je’, Renate Rubinstein, Meulenhof, 1985

Zwemdiploma

2 december 1962 is een historische dag: de oude Koningin Wilhelmina overlijdt.
Maar de dag daarop is voor míj minstens even historisch: na drie jaar les en evenlang zwoegen, mag ik mijn zwemexamen doen. Ik ben net 12 en bijna al mijn leeftijdgenoten hebben allang hun diploma. Niet alleen A maar vaak ook al B!

Dat ik het nog steeds níet heb komt door mijn zware bronchitis, waardoor ik de afgelopen jaren vaker ziek in bed dan gezond in het zwembad heb gelegen. Zo maak je niet snel vorderingen. Dit tot mijn eigen ergernis, maar vooral die van de badmeester.
Geregeld scheldt hij me uit, duwt me van de kant weg als ik daar even wil uithijgen, en jaagt hij me op om langer te zwemmen dan ik eigenlijk kan volhouden.
Bovendien heeft hij niet alleen een lelijk innerlijk maar ook een foeilelijk uiterlijk. Een dikke, kale kop, een over zijn trainingsbroek lubberende bierbuik met een aantal zwembanden die alleen maar van hem zijn, en een uitbundig behaarde borst.
En als ik aan het randje van het zwembad hang om zijn luid gebulderde instructies aan te horen, zie ik zijn voeten. Vlak voor me. Ze worden gesierd door dikke eeltknobbels, tien kalknagels, en twee vuile, blauwe king-size badslippers.

Rillend van de zenuwen en van de decemberkou, neem ik plaats op de rand van het zwembad, in afwachting van het startschot. Ik kijk angstig om me heen of de badmeester in de buurt is, maar gelukkig zie ik hem nergens. Ik haal diep adem van opluchting én als voorbereiding op de duik waarmee ik mijn diplomazwemavontuur straks zal beginnen.

Dan schalt er opeens een stem door de zwembadluidspreker:
"Dames en heren, jongens en meisjes: zoals u weet is gisteren onze geliefde Koningin-Moeder Wilhelmina overleden. Wij willen haar eren met een ogenblik stilte.
We verzoeken u allen te gaan staan, en twee minuten stilte in acht te nemen."

Ook dat nog! Samen met nog een stuk of 20 kinderen, sta ik op de koude stenen rand van het zwembad te rillen en te bibberen in mijn dunne badpakje. We moeten twee minuten doodstil blijven staan vlak voor een van de spannendste momenten in ons
jonge leven. De twee minuten lijken twee uur, dan mogen we eindelijk het water in.

Dit wordt mijn revanche! Op twaalf jaar bronchitis, op drie jaar zwemles, op al die vriendjes en vriendinnetjes die me hebben uitgelachen omdat zíj allang hun diploma hadden en ik nog niet.
Ik zwem de longen uit mijn lijf, ik watertrappel alsof mijn leven ervan af hangt, mijn bronchiën beginnen steeds angstaanjagender te piepen en het ziet me zwart voor de ogen, maar ik ga door. Al moet ik hier ter plekke sterven, ik moet en zal dat felbegeerde diploma halen!
En ik háál het! Duizelig, Spaans benauwd en met sterretjes voor de ogen, maar ik háál het.

Druipend van trots stap ik het zwembad uit en stel me ik op in de rij voor de diploma-uitreiking, het moment suprème waarvan ik al jaren droom.

Om het feest compleet te maken, worden de diploma's uitgereikt door Sinterklaas - het is tenslotte bijna 5 december.
Natuurlijk geloof ik allang niet meer in de Goedheiligman, maar zijn aanwezigheid imponeert me toch en geeft extra glans aan wat voor mij een van de triomfantelijkste momenten van mijn leven moet worden.

Als ik aan de beurt ben, kijkt Sinterklaas me vanonder zijn mijter streng aan:
"Zo, jij bent dus Loes. Ik lees in mijn grote boek dat jij er wel érg lang over hebt gedaan om je diploma te halen. Drie jaar!"
Beschaamd kijk ik omlaag. Daardoor zie ik de voeten van Sinterklaas. En twee heel grote blauwe badslippers.

Loes Gouweloos

Zeker weten

Rond middernacht wandel ik de hal van mijn flat binnen. Het is doodstil en uitgestorven in het gebouw. Ik loop naar de lift.
En daar staat hij, ook hij moet naar boven. Een enorm grote, enorm zwarte neger met enorm gespierde armen en een enorme stierennek. Een man die mij, als hij dat zou willen, binnen enkele seconden machteloos kan laten spartelen en in deze verlaten hal alles met me kan doen wat hij wil.
Ik schrik en aarzel: moet ik consequent zijn en dapper doorlopen, het gevaar trotseren, en met hem de lift ingaan? Of moet ik voorzichtig zijn en gauw teruglopen, zonder gevaar voor moeilijke vragen, nu hij mij nog niet heeft gezien?

In discussies ben ik zeer politiek correct, ik discrimineer niet, zeker weten.
Maar nu, op dit late tijdstip met die grote zwarte man op een paar meter afstand, blijft daar niets van over. Wel woorden, geen daden.
Ik stap schielijk achteruit, terug de hal in, en maak mezelf wijs dat ik nodig nog even in mijn brievenbus moet kijken. Terwijl ik mijn post verzamel, kan de man dan met de lift naar zijn flat gaan, en daarna volg ik - in de dan weer lege lift.
Als ik de brievenbus openmaak, besef ik dat ik de krant van vandaag nog niet heb gelezen. Daar ligt hij, NRC Handelsblad, de kwaliteitskrant. Mooi, kan ik die nog even doorbladeren voordat ik straks naar bed ga. Ik bekijk de koppen om tijd te winnen, en besluit dan dat ik wel lang genoeg heb gewacht. De kust is nu ongetwijfeld veilig.

Maar ik heb me vergist. Als ik opnieuw naar de lift loop, staat de man er nog steeds. En nu ziet hij me wél. Hij ontbloot een rij hagelwitte tanden die in de donkere hal extra schitterend afsteken tegen zijn pikzwarte huid.
De lift is inmiddels gearriveerd en hij trekt de deur wijd open. Met zijn andere arm maakt hij een uitnodigend gebaar: na u…
Dit keer is er geen weg terug. Trillend van angst stap ik voor hem langs de lift in. In het voorbijlopen ontvang ik een stralende glimlach. Maar wat zit daarachter? Wat is hij van plan als we straks met zijn tweeën in de lift zitten?
Ik stel me op in het uiterste hoekje van de cabine en ontwijk zijn blik.
Teruglachen kan verkeerd opgevat worden, ik moet zo afstandelijk mogelijk doen.
De deur valt dicht. Daar gaan we, wat zal er gebeuren?
Ik kijk zo neutraal mogelijk voor me uit, op heuphoogte.
Daardoor zie ik dat mijn allochtone flatgenoot een krant onder zijn arm heeft.
'NRC Handelsblad', lees ik.
Ik voel de spanning van me afglijden en slaak een zucht van verlichting: als hij ook de NRC leest, is het goed.

Als ik een paar minuten later inderdaad ongeschonden achter mijn gesloten deur in mijn veilige flatje zit, is mijn paniek weg. Maar daarvoor in de plaats voel ik nu een diepe schaamte.
Was ik maar ineens die lift ingestapt, dan zou ik nu niet zo kwaad zijn op mezelf, denk ik.
Maar het was wel leerzaam, is mijn volgende gedachte. Of neem ik mezelf nu opnieuw in de maling? Want wat doe ik als ik weer in zo'n situatie kom? Opeens weet ik het allemaal niet meer zo zeker…


Loes Gouweloos

Vrij

Het einde van alweer een schooljaar. Ik heb een goed rapport en ik ben over. Maar veel belangrijker is: ik heb vakantie! Zes weken lang hoef ik niet naar school. Niet vroeg op, geen verplichtingen, doen wat ik wil. Een onuitsprekelijk gevoel van vrijheid.
Ik ren de school uit. Al op het schoolplein begin ik te huppelen en te juichen. Mijn vlechten dansen op mijn rug. Ik dans van binnen. Dat houd ik vol tot ik thuis ben. De hele weg ben ik uitzinnig van blijdschap. De laatste dag van het schooljaar is voor mij Bevrijdingsdag. De komende tijd kan ik doen wat ik wil. Ik ben vrij!

Zo gaat het mijn hele schoolleven door.
Dat grenzeloze vrijheidsgevoel verdwijnt als ik op mijn zeventiende ga werken.
Nog steeds heb ik elk jaar zomervakantie, maar die duurt nu maar twee of drie weken. Te kort om helemaal los te raken. Te kort voor een gevoel van bevrijding.
Fijn, aardig, maar geen reden om te huppelen.
34 jaar lang is dat zo doorgegaan. Tot 2002.

Na jaren van lijden en afzien, is eindelijk de kogel door de kerk. Ik ben al 16 jaar ziek en ik word steeds zieker, ik houd het niet meer vol, ik mag stoppen met werken. Ik mag weg met een royale regeling. Genoeg voor een leven zonder financiële zorgen. En vooral:
Nooit meer met pijn in mijn hele lijf naar het werk.
Nooit meer doorwerken terwijl het zwart voor mijn ogen ziet van de vermoeidheid.
Nooit meer wakker liggen van de hartkloppingen omdat ik alwéér over mijn grenzen ben gegaan.
Wat een winst! Ik ga wat minder verdienen, maar daarvoor krijg ik, eindelijk, mijn vrijheid terug!
Als ik na het beslissende gesprek de deur van het kantoorgebouw uitloop, besef ik dat mijn gezondheidsproblemen niet eens het belangrijkst zijn.
Nee, waar het écht om gaat is: ik ben weer vrij! Geen baas meer, geen opdrachtgevers, geen honderdduizend bedrijfsregels, geen prikklok en beveiligingspoortjes, geen voorgeschreven aanvangstijden. Geen verplichtingen meer.

Ik denk er niet eens bij na, maar als ik buiten ben, merk ik dat ik weer loop te huppelen. Niet meer zo soepel als toen ik 10 was. Mijn 51-jarige, reumatische knieën hebben meer moeite dan toen, het gevoel is anders.
Maar van binnen juich ik weer net zo hard als toen, dát gevoel is weer precíes hetzelfde. Ik dans weer van binnen. En ik zing weer: 'Freedom! It's all about Freedom!' Dat doe ik nog steeds als ik thuis kom. Ik huil van opluchting en van blijdschap, ik ben eindelijk weer bevrijd.

Regels, beperkingen en bazen zijn niets voor mij. Nooit geweest. Nu word ík weer baas, over mijn eigen leven. Het heeft heel lang geduurd, té lang, maar ik kan eindelijk weer gaan doen wat ik wil.
Ik ben voorgoed vrij!


Loes Gouweloos

Van oude mensen en de dingen die terugkomen

Oudejaarsavond 1956.
In mijn pyjama zit ik voor de kolenkachel. Ik mag wat later opblijven en ik eet oliebollen, samen met mijn ouders.
‘Ik kan best opblijven tot 12 uur’, probeer ik.
‘Och kind, dat is veel te laat voor jou, daar ben je nog te klein voor. Straks stoppen we je in bed, en dan maken we je om 12 uur wakker om naar het vuurwerk te kijken.’
Verder tegenstribbelen heeft geen zin. Ik moet naar bed en lig urenlang klaarwakker, vol verwachting uitkijkend naar het vuurwerk.
Terwijl de vuurpijlen door de lucht vliegen, maakt mijn vader een paar uur later een fles champagne open.
Maar ik krijg er geen druppel van.
Voor mij hebben mijn ouders speciale ‘kinderchampagne’ gemaakt – een zoetig goedje met bubbeltjes.
‘Voor echte champagne ben je nog te klein’, zeggen ze.
Aan de ene kant ben ik helemaal opgewonden door het vuurwerk en het feestelijke gevoel zo laat op te zijn. Aan de andere kant voel ik me als een klein kind behandeld.
‘Volgend jaar ben ik zeven’, zeg ik, ‘en dan wil ik de hele avond op blijven. Ik kan heus wel tot 12 uur wakker blijven. Dat haal ik best.’

Oudejaarsavond 2006.
Ik ben bij mijn ouders op bezoek. ‘Kom maar een paar uurtjes’, hebben ze gezegd, ‘want de hele avond is voor ons te vermoeiend.’
‘Oké, en halen jullie maar niks in huis. Ik neem wel champagne mee.’
‘Och kind, dat drinken we allang niet meer. Daar kunnen we niet meer tegen, en we mogen ook geen alcohol met al die medicijnen die we slikken.’
Gelukkig vind ik bij Albert Heijn een alternatief: een fles die eruitziet als een champagnefles, maar hij is gevuld met appelsap met bubbeltjes.
‘Nul procent alcohol, speciaal voor kinderen’, staat er op het etiket.
Bij mijn ouders thuis, pak ik voor ons alledrie een oliebol en schenk de ‘Champomy’ in.
Ze nemen wat achterdochtig hun eerste slokje van het mierzoete spul. Maar het valt hen mee: ‘Mmm, best lekker.’
‘Zullen we een potje scrabble spelen, zoals vroeger?’, vraag ik.
‘Och kind, dat kunnen we toch niet meer’, zegt mijn moeder.
Mijn vader zegt niets. De hele avond al. Hij zit met gesloten ogen in zijn stoel. Ingevallen wangen, bleek, krom, dodelijk vermoeid. Poedersuiker naast zijn mond en op zijn das.
‘Laat hem maar’, zegt mijn moeder.
Hij doet zijn ogen half open: ‘Ik denk dat ik maar een paar uur naar bed ga’, zegt hij met krachteloze stem, ‘dan kan ik nog wat slapen voordat het vuurwerk begint.’
Bij het vertrek omhels ik mijn moeder. Als ik mijn vader zijn nieuwjaarsknuffel wil geven, zegt hij met neergeslagen blik en een beschaamd glimlachje: ‘Ik sta niet op hoor’.

De volgende dag belt mijn moeder me op, om me voor de derde keer een Gelukkig Nieuwjaar te wensen. Voor de derde keer wens ik ook haar het allerbeste.
‘Och, het allerbeste…’, zegt ze. ‘Het zal nu echt niet lang meer duren. Maar in mei zijn we zestig jaar getrouwd. Dat willen we nog wel proberen te halen.’


Loes Gouweloos

Vakantieverslag

'Ze heeft een enorm ruime belangstelling voor een kind van vijf', vertelt mijn trotse broer.
'Die musea in Florence, de gebouwen in Venetië, ze was echt geïnteresseerd'.

Een week later is mijn nichtje alleen bij me op bezoek, en besluit ik het haar zelf eens te vragen. En omdat ze inmiddels een klein beetje kan schrijven, vraag ik of ze haar Italiaanse vakantieverhaal voor me wil opschrijven. Zonder een moment te aarzelen, grijpt ze een vuurrood kleurpotlood en schrijft met reusachtige hanepoten:

'Ik hep elke dag gezwome. Groetjes van Femke.'

Ze staart nog even voor zich uit, maar weet verder kennelijk niets te bedenken. Ze legt het potlood neer.
'Dat was het eigenlijk', verduidelijkt ze nog ten overvloede. Niets over schitte-rende gebouwen, geen woord over beroemde Italiaanse musea.

Ik doe nóg een poging. Ze heeft met een weggooicameraatje haar eerste rol foto's volgeschoten, en die wil ik graag zien.
Ze komt gezellig naast me zitten en haalt een stapeltje groezelige foto's met ezelsoren en heel veel kindervingertjesafdrukken tevoorschijn.
Een voor een worden ze met een plechtig boogje op mijn schoot gelegd.
Ik zie een foto van de etalage van een snoepwinkel, een van een speelgoedwinkel, een van een roze fotolijstje, van haar paarse hoelahoep en van haar gifgroene zwemband. Nergens is aan te zien dat ze in het verre Italië is geweest.

Of ja, tóch. Er landt een foto op mijn schoot van een vergezicht De onderkant vertoont slechts een stuk muur, ongetwijfeld tengevolge van de nog zeer ondermaatse fotograaf. Toch is duidelijk te zien dat de opname is gemaakt vanaf een uitkijk-toren. Dus tóch oog voor het Toscaanse natuurschoon?

'Heb je die genomen vanwege de mooie bergen?', vraag ik.
'Nee joh', antwoordt ze bijna beledigd, 'dit is het bewijs dat ik heel hoog ben geklommen. Alleen met pappa, want mamma is beneden gebleven. Dus ík ben omhoog geklommen, en mamma kon het niet. Kijk maar.'
Ze plant een priemend wijsvingertje middenop de foto. Ik buig me voorover, en inderdaad, nu zie ik het: daar, in de diepte, wel 50 meter lager dan haar stoere dochtertje, staat mijn schoonzus.

Uiteraard prijs ik de klimkwaliteiten van mijn trotse nichtje bijzonder uitgebreid. En dat terwijl haar moeder níet zo hoog kon komen! 'Nou ja, mamma kón niet klimmen, want ze had pijn in haar hiel', klinkt het vergoelijkend.
Ook interessant om te horen, maar we waren bezig de vakantie te bespreken.
Na enig aandringen volgt er nog een verslag van een onweersbui aan het Gardameer, maar dan heeft ze er genoeg van, haar Italiaanse verhalen zijn op. Ze heeft elke dag 'gezwome' en daarmee basta.

'Volgend jaar gaan we naar Egypte', vertelt mijn broer als hij haar komt ophalen, 'Femke is reuze gefascineerd door pyramides.'



Loes Gouweloos

Steile bosduvel

'Maakt ú er maar iets van, want ik weet het niet meer!', verzucht mijn moeder ten einde raad tegen de kapper. En niet tegen zomaar een kapper, nee: tegen John Posthmus, de allerduurste kapper van Rotterdam. Ons bezoek aan zijn luxe kapsalon is het laatste redmiddel, de laatste hoop van mijn wanhopige moeder.

Al vanaf mijn peuterjaren voert zij een strijd op leven en dood. Tegen mijn haar. Zelf heeft ze krullend haar, dat prachtig in model valt.
Hoe anders is dat bij haar eerstgeborene… Ze had gedroomd van een schattig dochtertje met goudblonde krullen. In plaats daarvan kreeg ze mij…
Niet schattig maar kattig. En kippig, dus al vanaf heel jong met bril. En met dik, steil haar - niets mee te beginnen.
'Een steile bosduvel', zegt ze altijd. Of: melkboerenhondenhaar'.

Ze maakt staartjes in mijn haar. Doet er levensgrote, gekleurde strikken in. Maar zodra ik wegrijd op mijn autoped, vallen de strikken eraf.
Ze probeert het jarenlang met vlechten. Elke ochtend moet ik doodstil zitten terwijl mijn moeder lange vlechten in mijn haar maakt. Mijn 'pony-met-kruintjes' wordt met fixatief stijf naar achteren geplakt.

Elke avond wordt mijn haar weer uitgeborsteld. Dankzij de vlechten, de elastiekjes en het fixatief, zit het vol klitten. Hele plukken verdwijnen in de borstel. Au!
En: O, wat haat ik die truttige vlechten! Ik wil niet lijken op Heidi, ik wil los haar, dat wappert in de wind, zonder strikken, speldjes en diademen. Ook al zie ik er dan uit als 'Polletje Piekhaar' - aldus mijn vader, die hartstochtelijk met mijn moeder meelijdt.
Maar mijn haar in model knippen is een onmogelijke opgave voor de gemiddelde buurt-kapper.

Vandaar onze gang naar John Posthmus.
John kijkt fronsend naar mijn haren. Hij haalt er zijn vingers doorheen en laat mijn zware haardos dan weer misprijzend omlaag vallen.
Mismoedig schudt hij zijn hoofd: 'Veel te dik, en ik heb nog nooit zo'n steile haarbos gezien'. Mijn moeder veert op: Heeft zij het niet altijd al gezegd? Haar jarenlange lijden krijgt eindelijk een gewillig oor.
'Ik zal zien wat ik kan doen', zegt de high-society kapper, 'maar ik garandeer niets. Ik weet van bijna alle soorten haar wel iets te maken, maar er zijn grenzen…'
Dan neemt John de schaar ter hand.

Een uur later staan we weer buiten. Mijn hoofd is een stuk lichter. Mijn moeders portemonnee ook.
Thuis bestuderen we mijn nieuwe coupe. Dankzij een halve spuitbus Schwarzkopf-lak is elke krul op zijn plaats gebleven. Ik stink adembenemend. Maar mijn moeder is tevreden:
'Zie je nou wel: het kost wat, maar nu durf ik me eindelijk met je te vertonen'.
's Nachts moet ik een haarnetje om. Maar mijn 'bosduvel' laat zich niet zo gauw klein krijgen!

Als ik de volgende ochtend de huiskamer binnenkom, slaat mijn moeder haar handen voor haar mond van ontzetting:
'Al je krullen zijn verdwenen! En je pony is scheef afgeknipt. Heb ik dáár nou 50 gulden voor betaald? Trek je jas aan, ik breng je terug!'


Loes Gouweloos

Spotvogel

'Ik word gek van dat beest!’
Mijn moeder heeft het precies een dag volgehouden.
Maar nu is het genoeg. Ze klimt op een stoel en grijpt de houten koekoek vast.
‘Ik zal hem even uitschakelen, dan hebben we tenminste rust. Als we hier weggaan, zet ik hem wel weer aan.’
Ze verricht wat onduidelijke handelingen, maar inderdaad: vanaf dat moment hebben we geen last meer van de koekoeksklok, die elk kwartier oorverdovend tekeer ging.

We genieten van de rust in dit prachtige vakantiehuisje in Oostenrijk. Die rust wordt alleen verstoord door de verhuurster, die regelmatig argwanend poolshoogte komt nemen.
Haar argwaan is wel begrijpelijk: toen Frau Müller op de tweede dag van ons verblijf een zelfgebakken welkomst-appeltaart kwam brengen, had ze een hysterie-aanval nog net kunnen bedwingen. Dat kwam doordat mijn vader een tafelkleed op het dak had gelegd van zijn splinternieuwe Fiat 128, om de lak te beschermen tegen de brandende Tiroolse zon.
‘Mein Gott! Dat is mijn Perzische tafelkleed!’, had Frau Müller uitgeroepen. Ik kon nog net de appeltaart opvangen die ze van schrik uit haar handen liet vallen.
Mijn vader beloofde beterschap, maar haar argwaan was gewekt. En die bleef, tot de laatste dag.

Die laatste dag zou ze langskomen om de huur te innen en om te controleren of het huisje nog net zo was als voordat de familie Gouweloos er zijn intrek in had genomen.
Mijn ouders, mijn broer en ik hadden het hele huis schoongemaakt, alles netjes opgeruimd, en de Pers gladgestreken op tafel gelegd. We hadden niets te vrezen.

Behalve van de koekoeksklok. Want wat we ook probeerden, het lukte niet meer om hem in zijn oude staat te herstellen. Sinds mijn moeders ingreep, ging elk kwartier het deurtje veelbelovend open en deed de houten koekoek aarzelend een stapje naar voren. Vervolgens schraapte hij zijn keel, produceerde een licht kreunend geluid, en bleef dan als aan de grond genageld staan, met wijd opengesperde ogen.

We waren er aan gewend geraakt: er stond een stoel onder de klok en elk kwartier klom een van ons daarop en duwde het beestje geroutineerd terug naar binnen. Deurtje dicht, klaar.

Maar nu komt Frau Müller dus voor haar eindinspectie. Wat zal er gebeuren als de koekoek tijdens haar bezoek weer kreunend uit zijn hokje komt en vervolgens als door de bliksem getroffen stil blijft staan?
Zullen we een nieuwe klok moeten betalen? Zal Frau Müller flauw vallen? Zal ze de politie waarschuwen?

Het ene scenario is nog angstaanjagender dan het andere. We móeten voorkomen dat zij ontdekt dat haar klok kapot is.
Ze zal om kwart voor tien komen. En wij willen vóór tien uur vertrekken.
Het begint goed: ze is een minuut te laat, dus de koekoek is net weer veilig in zijn hok teruggeduwd. Nu moeten we er alleen nog voor zorgen dat ze voor tien uur weer weg is. Het verschuldigde bedrag ligt al precies gepast klaar. Frau Müller telt net nog even na: het klopt. Dan begint ze aan haar inspectieronde.

De tijd tikt weg.
Tien voor tien: Oh, wat hebben we de badkamer mooi schoongemaakt, wat zijn Hollanders toch ‘saubere’ mensen.
Vijf voor tien: De keuken ziet er ook piekfijn uit. En al het bestek is er nog, er ontbreekt niets.
Oké, wegwezen!
Maar nee hoor, Frau Müller begint eindelijk te ontdooien. Tevreden knijpt ze in haar gevulde portemonnee en poeslief informeert ze of we een fijne vakantie hebben gehad.
En of we nog eens terug willen komen.
Alle vier knikken we ijverig: ja, het was geweldig, ja, we komen vast nog eens terug.
Ik kijk op mijn horloge: het is één minuut voor tien. Naar de koekoeksklok durf ik niet eens te kijken.

Met een ferme handdruk neemt Frau Müller afscheid. Ze trekt de deur achter zich dicht en loopt het tuinpad af.
Opgelucht vallen we alle vier neer op de bank: even bijkomen voordat we vertrekken.

Dan gaat het deurtje van de koekoeksklok open. De koekoek stapt vastberaden naar buiten, schraapt zijn keel, en dan klinkt het tien keer achter elkaar - glashelder en triomfantelijk: ‘Koekoek’!


Loes Gouweloos

Sigarentrauma

Als kind had ik zware bronchitis. Altijd kwam ik lucht te kort, ik werd 's nachts vaak wakker van het gepiep in mijn luchtwegen. Elke maand was ik minstens een week ziek: hoge koorts, verplichte bedrust, ademnood. Maar ook als ik niet ziek was, had ik het voortdurend benauwd.
Het ergste was dat als mijn Oom Chiel op bezoek kwam. Die rookte heel dikke Churchill-sigarenl. Zodra hij zijn jas en hoed had opgehangen, haalde hij zijn sigarenkoker tevoorschijn.

'Jij ook een?', vraagt hij aan mijn vader. Die neemt dat aanbod gretig aan. Zelf rookt hij gewone huis-tuin-en-keukensigaren, dus deze zondagse feestsigaren van zijn oudste broer zijn een echte traktatie voor hem.
Dan volgt het Heilige Ritueel, en dat zal die middag nog talloze keren herhaald worden:
Eerst voorzichtig het bandje losmaken. Dan de sigaar dwars onder de neus houden, en met gesloten ogen verlekkerd de geur van het tabaksblad opsnuiven. Dan een onderling knikje van verstandhouding: wat ruikt ie weer heerlijk, wat zal ie ons weer smaken! Dan halen Oom Chiel en mijn vader allebei hun sigarentangetje tevoorschijn. Omzichtig wordt het puntje van de sigaar afgeknipt en in de asbak gelegd. Tenslotte worden de twee sigaren uiterst gecon-centreerd en precies tegelijk aangestoken. Met een lucifer - aanstekers zijn heiligschennis.

En dan begint het Grote Mannengenot. Terwijl hun vrouwen koffie drinken en koekjes eten, houden de heren zich bezig met hogere zaken. Ze spreken over politiek, over de valutakoersen, over schaken en over klassieke muziek. Interessant, maar hun echte genot halen ze uit hun sigaren. Af en toe wordt er voorzichtig wat as afgeklopt, dat dan verdwijnt in een voor die tijd hypermoderne draaiasbak, die ze de beide broers broederlijk tussen zich in hebben neergezet.

Ik zit erbij en kijk ernaar. Naar hoe het in onze huiskamer steeds blauwer gaat staan van de rook. Naar mijn moeder en tante die zich de brandende ogen uitwrijven maar die niets zeggen. Ze zouden niet durven!

Ik durf ook niet. Mijn toch al zwakke bronchiën krijgen het nog meer te kwaad. Ik word kortademig, ik moet steeds meer moeite doen om een hoestbui te onderdrukken, mijn ogen doen pijn, en ik word almaar kwader omdat mijn bronchitis en ik zo wreed worden genegeerd.
Maar ik zeg niets: de sigaren van Oom Chiel kosten een kapitaal en ik weet dat ook ik hoor te genieten van de exquise geur van deze peperdure sigaren. Daarom doe ik mijn uiterste best om niet te laten zien hoeveel pijn mijn ogen doen. Ik hoest zo gedempt mogelijk. Nog even volhouden, dat gaat mijn oom naar huis en zal mijn moeder onmiddellijk alle ramen openzetten.

Maar dan, op een zondag in maart, houd ik het echt niet meer uit: mijn benauwdheid en woede winnen het van mijn beleefdheid: ik sta op, ren de kamer uit, sla demonstratief keihard de deur achter me dicht en vlucht naar mijn kamer. Ik val neer op mijn bed, probeer letterlijk en figuurlijk op adem te komen, en laat mijn tranen
de vrije loop.

Dan komt mijn moeder binnen. Ze negeert mijn tranen en bijt me toe:
'Doe niet zo onbeleefd! We hebben visite, dan hoor jij niet weg te lopen!'
Ze pakt me bij mijn arm en brengt me weer terug naar beneden:
'Loesje moest even wat aan haar huiswerk doen. Maar nu komt ze er weer gezellig bij zitten. Hè, Loesje?'
Ze wendt zich tot mij en vervolgt: 'Oom Chiel blijft eten, gezellig he? Dan kunnen we vanavond nog een paar potjes scrabble spelen. En jij mag meedoen!'

Loes Gouweloos