zaterdag 26 juli 2008

Allemachtig

Hij is geen doorsnee-buschauffeur. Een lange, donkere baard verbergt de das van zijn Connexxion-uniform. En zijn kruin gaat schuil onder een wit, gehaakt, rond kapje – zoals sommige Moslimmannen dragen.
Een groot gezin stormt luidruchtig de bus in: vier lange, lawaaierige pubers met een kleine, tengere, vermoeid ogende moeder. Zij is de enige die stil is.
En doof, zie ik als zij voor me plaatsneemt. In beide oren draagt ze een gehoorapparaat. Misschien is haar dat te warm, want zodra ze zit, maakt ze de apparaatjes los.
Haar kinderen ploffen neer op de achterbank, zo ver mogelijk bij hun moeder vandaan.
’Allemachtig, wat stinkt het hier!’, roept een van hen luid. Hij heeft gelijk: het hittegolfzweet van de vele passagiers vóór ons, is nog doordringend in de bus aanwezig.
De chauffeur kijkt wat verbolgen achterom.
De pubers voelen dat ze beet hebben: ‘Allemachtig, Allah machtig, Allemachtig, Allah machtig!’, scanderen ze op jennerige toon.
De chauffeur verbijt zich en start de motor. De hele weg van Alphen naar Leiden blijft hij strak voor zich uitkijken. Evenals de moeder van de nog steeds jennende tieners. Zij lijkt niet te horen wat haar nageslacht een half uur lang vanaf de achterbank ten beste geeft.
Dan zijn we eindelijk in Leiden. Iedereen stapt uit.
Zodra zijn bus leeg is, springt de chauffeur naar buiten. Met grote passen, een hoog geheven wijsvinger en priemende ogen, beent hij driftig op de jongelui af. Nog voordat hij bij hen is, begint hij op geagiteerde toon tegen hen te schreeuwen: ‘Dat mogen jullie nooit meer doen, roepen ‘Allah is machtig’. Nóóit meer!’
Schijnheilig lispelt een van hen: ‘Dat riepen we niet, we zongen Allah machtig.’
’Dat komt op hetzelfde neer. Ik wil het nooit meer horen en jullie komen nooit meer mijn bus in!
’Dreigend doet hij nog een paar stappen naar voren, de vinger nog steeds geheven. Het is vier tegen één, maar de man is zo kwaad dat de pubers van schrik achteruit deinzen. Het lijkt een kwestie van tijd voordat er klappen gaan vallen.

Dan hoor ik plotseling een stem achter me. Het is de moeder van het viertal. Ze is binnen een minuut onherkenbaar veranderd. Wie aan haar kinderen komt, komt aan haar.
‘Wat zeg jij daar?’, bijt ze de chauffeur toe in strijdlustig Leids.
‘Uw kinderen komen mijn bus niet meer in!’, schreeuwt de man.
’O nee? En waarom niet?’, schreeuwt zij nóg harder, de handen uitdagend in de zij.
’Ze hebben de hele weg mijn God beledigd. Dat accepteer ik niet. Ze komen er niet meer in!’
‘O nee? Het zijn kinderen meneer, ze hebben u gewoon zitten jennen. Zo zijn Nederlandse pubers. Ik ken ook wel zeggen dat ik liever een Hollandse chauffeur had gehad, maar dat zeg ik niet want ík pas me aan. En dat mot u ook doen!’
’En toch komen ze nooit meer in mijn bus!’
’O nee? O nee?! Als wij op de terugweg bij de halte staan, en u komt er aan, dan mot u eens opletten. Dan kommen ze d’r wél in. En anders dien ik een klacht in. Begrepen?!’
Ze grijpt haar jongste bij de arm, gebaart naar de anderen dat ze haar moeten volgen, en beent met fier opgeheven hoofd weg. ‘Komop jongens, wij gaan lekker een daggie naar Duinrel. Laat die baardmans maar de zenuwe krijgen.’

De chauffeur staart haar verbijsterd na. Dan kijkt hij om zich heen en ziet de menigte witte mensen die het schouwspel ademloos hebben gadegeslagen. En die een triomfantelijk glimlachje niet kunnen verbergen.
‘Lekker puh, wij hebben gewonnen’, staat te lezen in wel honderd ogen.
De man frommelt wat aan zijn baard, slaat zijn blik neer, en sloft zwijgend naar zijn bus terug.
Er is nog een lange weg te gaan.


Loes Gouweloos

Geen opmerkingen: