"Ik moet een nieuwe toekomst voor mezelf opbouwen", zei mijn opa, een maand nadat zijn vrouw was overleden. Bijna 60 jaar lang hadden ze lief en leed gedeeld. Opa is 87.
"Het is net als met twee bomen die hun leven lang tegen elkaar aan hebben gestaan", waarschuwt de huisarts na de begrafenis van mijn oma, " als er één omvalt, zie je vaak dat de ander vlak daarna óók valt."
Maar dan kent hij mijn opa niet! Die is sterk, fier, trots. Die heeft heel andere plannen. Die valt niet. Die gaat aan zijn toekomst bouwen. En wel vanaf vandaag. Want hij wil zo gauw mogelijk weg uit het verpleeghuis. Daar is hij naartoe gebracht toen hij een week na de dood van oma, 's nachts alleen thuis, een lichte hersenbloeding had gehad. Voor hij het wist, zat hij in het verpleeghuis. Maar hij is alweer volledig hersteld van de gevolgen, hij mankeert niets meer, hij wil weg. Niet alleen omdat hij weer gezond is, maar vooral omdat hij hier niet past.
Om hem heen hangen lispelende, kwijlende bejaarden onderuitgezakt in hun rolstoel of in een fauteuil. Hun slonzige kleren hangen als hobbezakken om hun vermagerde lijf. Ze zijn al maanden niet naar de kapper geweest. Met een wazige blik staren ze in het niets.
Midden in die recreatiezaal zit mijn opa. Kaarsrecht aan tafel, op een houten stoel. Hij is ouder dan de meesten hier, maar hij ziet er jonger uit. Hij wil niets met ze te maken hebben, hij kijkt niet naar ze, hij kijkt naar buiten. En hij wijst.
"Daar, aan de overkant", zegt hij, "daar staan mooie appartementen te koop. Misschien is dat wel iets voor mij."
Hij trekt zijn zijden das recht. Een gewoontegebaar, want die das zít al recht. Onberispelijk. Even onberispelijk als zijn grijze, driedelige maatkostuum, de gouden horlogeketting die uit zijn vestzak hangt, zijn strak achterover gekamde dikke witte haardos, zijn gemanicuurde handen.
Je ziet hem zijn leeftijd niet aan. En dat hij al jaren vergaat van de rugpijn zal niemand weten. Dat hij intens verdriet heeft om de dood van zijn vrouw zal niemand aan hem merken. Dat hij doodsbang is voor een nieuwe attack zal niemand hem horen zeggen.
Een echte heer hecht niet alleen aan goede manieren en een onberispelijk uiterlijk, een echte heer heeft ook innerlijke beschaving, die lijdt in stilte, die zorgt ervoor dat hij niemand tot last is.
Zo heeft mijn opa altijd geleefd.
En zo is hij ook doodgegaan. Aan die tweede hersenbloeding waarvoor hij zo bang was en die veel zwaarder was dan de eerste. Maar wel 's nachts, in zijn slaap, in bed. Niemand heeft het gemerkt.
Zo hoort dat. Een heer is niemand tot last. Tot het einde toe.
Loes Gouweloos
zaterdag 26 juli 2008
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten