zaterdag 26 juli 2008

Autobahnblues

Autobahnblues

Het was elk jaar hetzelfde: zodra de schoolvakantie aanbrak, gingen we twee weken naar een vakantiehuisje in Oostenrijk. Met de auto, of beter gezegd: in een roestig derdehands Kevertje. Pa en Ma voorin, mijn broertje en ik op de achterbank.
Ook de rit verliep volgens een vast ritueel. Wij werden gesommeerd om rustig te zijn, want mijn vader was bezig met een loodzware opgave: hij moest het gezin veilig over de Duitse Autobahn loodsen, en dat was geen geringe verantwoordelijkheid!
Tot aan de grens ging het goed. Maar dan sloeg de verveling toe. Mijn moeder was hieraan in de loop der jaren gewend geraakt. Nadat we Arnhem waren gepasseerd, haalde ze twee bananen uit haar uitpuilende vakantietas, en gooide die zonder om te kijken over haar schouder naar haar twee kinderen op de achterbank. Als uitgehongerde chimpansees wierpen wij ons op onze Chiquita’s.

Dan kwam de grens. En dat was in de jaren zestig nog echt een Grens: met streng ogende, gewapende douaniers, paspoortcontroles en slagbomen.
Mijn hartslag steeg. Ik keek strak voor me uit, voelde een spanning alsof ik net tien cocaïnebolletjes had geslikt in plaats van één banaan.
Maar dankzij mijn ijzeren zelfbeheersing lukte het elk jaar weer: we mochten erdoor. Nu begon de vakantie pas echt!

En de verveling ook. Gedurende de vele honderden kilometers Autobahn, maakten mijn broertje en ik er het beste van: wij telden Mercedessen en Opels, lazen mee op de kaart, en juichten in stilte als we eerder dan mijn vader de gezochte richtingborden zagen.
Vooral het Franfurter Kreuz was altijd weer een Grote Uitdaging voor het hele gezin.
Trots leunden we achterover als ook deze hindernis was genomen. Juichend signaleerden we de eerste bergen, in een Raststätte dronken we Johannisbeerensaft (want die kon je in Nederland niet krijgen), en we voelden de opwinding groeien: hoe zou ons huisje eruitzien?

Ook dat was elk jaar hetzelfde: het was van hout, het had luiken voor de ramen, rode geraniums ónder de ramen, en er hing een hertenkop boven de eettafel.

Na twee weken begon hetzelfde ritueel als op de heenreis. Maar het voelde heel anders. Want het vakantie-verheugen was er niet meer, we moesten terug naar onze driekamerflat in Holland.
De Autobahnfiles leken opeens dubbel zo lang. Er waren meer opbrekingen. Het was veel warmer op de achterbank – en de raampjes bleven dicht, want anders kreeg mijn vader een stijve nek.
We maakten ruzie, gooiden ballorig een voetbal tegen de voorruit, en mijn broertje werd wagenziek en kotste zowel mij als de achterbank helemaal onder.

In een geur van zweet en braaksel denderden we verder in de Kever. Dit keer geen Johannisbeerensaft: mijn vader rook de stal en reed in één ruk door naar Nederland.
Dit keer ook geen opwinding over onze eindbestemming. Die kenden we maar al te goed.
Alleen opluchting, grote opluchting, als we hem hadden bereikt. Eindelijk frisse lucht, eindelijk vrij.
Thuis gingen we onder de douche en nestelden ons zielsgelukkig op de driezitsbank.


Loes Gouweloos

Geen opmerkingen: