Boom
Wijdbeens verspert ze me de weg. Met haar handen in haar zij kijkt ze me verontwaardigd aan. Haar blauw-wit geblokte schort staat strak gespannen over haar buik, die zij als een niet te passeren verdedigingslinie uitdagend vooruit steekt.
Ze houdt haar hand op, spreekt een paar woorden, en zwijgt weer.
Beduusd grijp ik naar mijn portemonnee. Ik word licht in mijn hoofd en begin van top tot teen te trillen. Het is alsof nu pas tot me doordringt wat er allemaal is gebeurd.
Nog geen kwartier geleden ben ik nietsvermoedend in de auto gestapt. Ontspannen babbelend met mijn carpool-collega, ben ik op weg gegaan van kantoor naar huis.
Het is hartje zomer, snikheet, zo’n dag dat de mussen dood van het dak vallen. Het heeft al weken niet geregend. Maar gelukkig zien we nu de eerste spatjes vallen van een verfrissend buitje.
‘Hè hè, dat wordt tijd’, zeggen we opgelucht tegen elkaar.
Om de files op de A4 te vermijden, nemen we een sluiproute. Over smalle landweggetjes, langs weilanden en boerderijen. Over klinkerwegen omzoomd door prachtige oude bomen.
Het is die combinatie van klinkers, een droog wegdek, een beginnend regenbuitje en pluizen die uit de bomen vallen, die ons noodlottig wordt.
Opeens begint de vrachtwagen voor ons vervaarlijk heen en weer te slingeren. Naar links uitwijken kan niet, want er komt een tegenligger aan.
Ik zet me schrap. Ik trap zo hard mogelijk op de rem. Ik heb geen enkele macht meer over het stuur. Het wegdek voelt glad aan. Als op een winterse dag waarop het flink heeft geijzeld. We schuiven van links naar rechts. We mogen alleen maar hopen dat we niet rechtstreeks op de tegenligger afgaan. Dat gebeurt gelukkig niet. Opeens: een totaal onverwachte beweging naar rechts. Voordat we beseffen wat er gebeurt, komen we met een enorme klap tot stilstand tegen een grote boom.
Even is het stil. Verdwaasd kijken we voor ons uit. De motor is afgeslagen en onder de motorkap vandaan kringelt een onheilspellende rookwolk.
Ik kijk opzij naar mijn collega.
‘Zo, dat was een flinke klap’, zegt hij droogjes. Met een van pijn vertrokken gezicht wrijft hij over zijn knie. Maar behalve die gekneusde knie, mankeert hem niets. Hij had zijn gordels om en ik ook. Dat is ons geluk geweest.
Met enige moeite weet ik mijn portier open te krijgen. Ik voel een stekende pijn in mijn schouder en borstkas op de plekken waar de autogordel zat. Maar vreemd genoeg voel ik geen schrik. Rustig bekijk ik de schade aan mijn auto. Die is een halve meter korter geworden en heeft opeens een ‘kattenrug’: het dak staat in een punt naar boven.
‘Total loss’, hoor ik mijn collega zeggen, ‘die krijg je niet meer aan de praat’.
Er zit niets anders op dan een sleepbedrijf te bellen.
Aan de overkant staat een boerderij. Ik strompel erheen en bel aan. De boerin doet open. Ik wijs op mijn auto en vraag of ik haar telefoon even mag gebruiken om mijn garage te bellen.
Ze beziet het wrak, bekijkt mij en mijn hinkende collega, en wijst dan zwijgend op een zwart telefoontoestel dat in de gang hangt.
Ik bel mijn garage, en bedank de boerin – die nog steeds geen woord heeft gesproken.
Als ik weer naar buiten wil lopen, verspert ze me de weg en zegt: ‘Dat is dan een kwartje voor het bellen.’
Loes Gouweloos
zaterdag 26 juli 2008
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten