zaterdag 26 juli 2008

Confucius

Tegelijk met mijn moeder, arriveert ze op de ziekenhuiskamer. Beiden zijn ze geopereerd aan een gebroken heup.
Mijn moeder kletst direct honderduit, ligt druk te gebaren, toont trots het enorme verband om haar heup.
Haar Chinese kamergenote ligt doodstil, zwijgt, en kijkt strak voor zich uit. Heeft ze pijn? Is ze opgelucht? Wacht ze op haar bezoek?
Geen idee, er is niets aan haar te zien.

De volgende dag zit ze rechtop, in een nachtjapon van zwarte zijde met felgekleurde borduursels. Om haar pols een plastic naambandje maar ook een gouden armband.
Zorgvuldig geëpileerde wenkbrauwen, gemanicuurde handen. Een echte dame.
‘Kunnen jullie het een beetje met elkaar vinden?’, vraag ik aan mijn moeder.
‘Nee, want ze verstaat geen Nederlands en ook geen Engels. En ze zegt helemaal niets. Ook niet tegen de verpleegsters. Ze laat alles maar over zich heen komen. Maar ik krijg er wel de zenuwen van: soms zit ze me een uur lang recht in mijn gezicht te kijken. Met zo’n enge blik.’
Die enge blik blijkt een ondoorgrondelijke blik te zijn. In de ogen van mevrouw Li is niets te zien: geen belangstelling, geen vreugde, geen verdriet. Niets.
‘Tja, dat is de oosterse cultuur hè?’, zeg ik, ‘niets laten merken, het toppunt van zelfbeheersing. Ergens toch ook wel knap. Heel anders dan sommige andere allochtonen met hun luidruchtige familieleden die elk bezoekuur massaal komen opdraven.’
Ik citeer zelfs trots de Chinese filosoof Confucius: ‘ De stilte is een vriend die je nooit verraadt.’ Mevrouw Li is daar een zwijgend voorbeeld van.

Ze krijgt geen bezoek, vertelt mijn moeder. Er is nog niemand geweest. Ook niet haar man, die ze vermoedelijk toch wel heeft, want officieel heet ze mevrouw De Wit.
Waar is menéér De Wit? En waar komt mevrouw De Wit vandaan? Is ze een toeriste die tijdens een vakantie in Nederland haar heup heeft gebroken? Of woont ze hier al langer?
Ze fascineert me, juist door haar zwijgzaamheid, ondoorgrondelijkheid en opperste zelfcontrole.
Ik neem me voor om de volgende dag een toenaderingspoging te doen. Ik ken welgeteld twee Chinese woorden: ‘Ni hao?’ Oftewel: ‘Hoe gaat het met u?’ – zeer toepasselijk. Wie weet, komt ze los als ik haar die vraag stel.

Maar als ik de volgende dag weer op bezoek kom, is mevrouw Li al uit zichzelf los gekomen.
Met een woeste blik in haar ogen, ligt ze te spartelen in haar bed. Slaakt rauwe kreten, met een lage, hese stem. Gooit met etenswaren en bestek, smijt haar kussen op de grond, rukt het tussengordijn open, kruipt kreunend naar het voeteneinde van haar bed en kijkt ons woedend aan.
Ik rijd mijn doodsbange moeder in een rolstoel de gang op, om haar even tot bedaren te laten komen. Als ik haar een uur later weer terugbreng, ligt mevrouw Li nog steeds te schreeuwen en schoppen, terwijl ze met luide stem van alles roept. In het Chinees. Niemand begrijpt haar, iedereen heeft last van haar.
Ten einde raad geven de verpleegsters haar een verdovende injectie.
Maar die helpt maar een paar uur, hoor ik de volgende dag van mijn uitgeputte moeder, die de hele nacht geen oog heeft dichtgedaan. Na lang aandringen krijgt ze een andere kamer.

Mevrouw Li blijft achter. Haar kleren heeft ze van haar lijf gerukt, haar bed ligt vol etensresten, haar infuus ligt druipend op de grond. Weg is de waardigheid van de eerste dagen. De pijn en de eenzaamheid zijn sterker gebleken.
Opnieuw denk ik aan Confucius: ‘Alle mensen zijn hetzelfde. Het zijn slechts hun gebruiken die verschillen.’
Zelfbeheersing is mooi, maar er zijn grenzen. Zelfs voor een echte dame uit het land van Confucius.

Loes Gouweloos

Geen opmerkingen: