zaterdag 26 juli 2008

Dansles

Langzaam draait mijn oude vader de deur van het nachtslot. Verschrikt kijkt hij door de kier.
‘O, ben jij het? Dat heb je zeker met je moeder afgesproken? Maar die ligt op bed. Ze heeft weer zo’n pijn in haar knie.’
Hij schuifelt voor me uit de huiskamer in.
Telkens als hem zie, lijkt hij wéér krommer. Vroeger was hij een hoofd groter dan ik, keek ik tegen hem op. Nu kijk ik hem recht in de ogen.
Langzaam laat hij zich in zijn stoel zakken. Zijn vaste stoel, bij het raam. Daarnaast staat een bijzettafeltje met medicijnen, sigaartjes, asbak en afstandsbediening. Zijn hele wereld binnen handbereik.
‘Ja, je moeder moet steeds vaker gaan liggen’, zegt hij op doffe toon, ‘ze wordt oud'.

Hij gaat verder: 'Ik zat vanmorgen nog te denken: wat een verschil met toen ik haar net kende. Als ik het al eens verteld heb, moet je het zeggen hoor, maar weet je hoe we elkaar ontmoet hebben?’
‘Nee’, lieg ik, ‘hoe dan?’
’We zaten op dezelfde dansschool. Ze was een verlegen, dromerig meisje. Ik vond haar gelijk al heel aardig. En ze kon dánsen… En ik ook, al zeg ik het zelf. Zoals wij samen over die dansvloer gingen. Alsof we zweefden… Hoe moeilijker de passen, hoe lekkerder het ging. Foxtrot, Engelse wals, Weense wals…’
Hij staart voor zich uit. Brengt dan met bibberende hand zijn koffiekopje naar zijn mond. Morst op zijn broek. Ziet het niet.
‘Ik zie het nóg voor me’, gaat hij verder. Zijn bleke, ingevallen wangen krijgen een kleurtje. ‘We dansten altijd samen. Op een gegeven moment heb ik gevraagd of ik haar naar huis mocht brengen. Zo deed je dat toen hè? Dat betekende dat je een meisje aardig vond.
Wat wilde ik ook alweer zeggen? O ja:
‘Dat kan niet’, zegt ze, ‘want ik loop samen met mijn zus naar huis.’
Ik denk: nou, dán niet. Want ik dacht natuurlijk dat het een smoes was hè? Maar de week daarna komt ze naar me toe, en ze zegt: ‘Als je me nog steeds naar huis wilt brengen, dan kan dat nu hoor. Mijn zus gaat met iemand anders mee.’ Nou, toen wist ik het hè?'
'Na een tijdje mocht ik ook mee naar boven komen. Dan bleef ik zo lang mogelijk. Dus dan moest ik de hele weg naar huis hardlopen, want ik moest vóór spertijd binnen zijn. Half Rotterdam door, wel vijf kilometer. Maar dat kon ik makkelijk.’

De slaapkamerdeur gaat open.
Met verwarde haren, nog half slapend, strompelt mijn moeder de huiskamer in. Bij elke stap zoekt ze een ander steunpunt: tafel, stoelen, theemeubel.
‘Waar hadden jullie het over?’, vraagt ze, terwijl ze licht kreunend op de bank neerploft.
’Over vroeger, over hoe jullie elkaar hebben ontmoet’.
‘O ja, dat was op dansles. Ik zag al gauw dat je vader een oogje op me had. Maar dat liet ik natuurlijk niet merken.’
Ze is nu helemaal wakker. Haar ogen beginnen te twinkelen.
’Maar toen vroeg hij op een gegeven moment of hij me naar huis mocht brengen’.
Ze draait zich om naar mijn vader: ‘Weet je nog?
O, hij slaapt. Hij valt de laatste tijd steeds vaker in slaap. Hij wordt oud.’


Loes Gouweloos

Geen opmerkingen: