'Tot onze ontsteltenis ontvingen wij enkele dagen geleden het bericht dat onze medewerker, de heer De Boer, betrokken is geweest bij een ernstig verkeersongeluk. Daarbij is zijn vrouw om het leven gekomen. De heer De Boer zelf is in kritieke toestand overgebracht naar het Dijkzigt Ziekenhuis in Rotterdam, waar hij is opgenomen op de Intensive Care. Op het moment ligt hij nog in coma. De artsen kunnen geen uitspraken doen over zijn vooruitzichten.
Wij houden u op de hoogte'.
Deze brief ontving ik jaren geleden van de zaak waar ik mijn piano een jaar daarvoor had gekocht. Met de koop had ik een zogenaamd 'stemabonnement' afgesloten. Om de zes maanden zou er een pianostemmer bij me langskomen.
Korte tijd later belde die me op om een eerste afspraak te maken: "Met De B B B B
Boer, uw p p p pianostemmer."
Toen hij de volgende dag kwam, bleek hij 'face to face' nog erger te stotteren dan door de telefoon. Een normaal gesprek was bijna niet mogelijk.
Maar hij was erg aardig en mijn piano stemde hij feilloos. Een echte, ouderwetse ambachtsman. Hij had niets op met die moderne electronische stemapparaten die veel pianostemmers tegenwoordig gebruiken. Hij deed alles nog op gehoor. Hij haalde een stemvork tevoorschijn, tikte er even mee op de rand van mijn piano, hield hem aan zijn oor, en sloeg de A-toets aan. Met een stevige draaisleutel draaide hij de bout van de snaar net zo lang aan tot de A haarzuiver klonk. Daarna sloeg hij één voor één alle andere 87 toetsen aan, vergeleek ze met de inmiddels zuivere A, allemaal op gehoor, en na een uurtje was hij klaar.
Als een soort eindcontrole ging hij er eens even goed voor zitten, en speelde als een volwaardig concertpianist een vrolijk, virtuoos stuk, waarbij alle toetsen, van de allerlaagste tot de allerhoogste, aan de beurt kwamen. De vonken sloegen er vanaf.
Hij kon misschien niet zo vlot praten, maar piano spelen kon hij des te beter. De levendige, vrolijke melodie en manier van spelen maakten duidelijk dat hier een vitale, opgewekte man achter mijn piano zat.
De tweede keer dat hij kwam ging het precies hetzelfde. En opnieuw luisterde ik vol bewondering naar zijn spetterende slotoptreden.
Kort daarna ontving ik de brief van zijn werkgever, enige tijd later gevolgd door het bericht dat de heer De Boer na enkele weken uit zijn coma was ontwaakt en dat direct levensgevaar geweken was. Maar hij moest nog wel enige maanden op de Intensive Care blijven, en zou, áls hij al kon genezen, na zijn ontslag uit het ziekenhuis een langdurige revalidatieperiode tegemoet gaan.
Toen mijn piano weer gestemd moest worden, kwam er een collega. Die vertelde wat er was gebeurd: frontale botsing op een donkere weg, bij nat weer met slecht zicht.
Echtgenote ter plaatse overleden, en mijn pianostemmer was uit het wrak gezaagd.
Zijn borstkas was volledig in elkaar gedrukt, wat maar kon breken wás ook gebroken, hij had ernstige hartproblemen, kon niet meer praten, lag al maanden aan de beademing - kortom: het zou al mooi zijn als hij het zou overleven, maar een eventuele werkhervatting leek vrijwel onmogelijk.
Een half jaar later kwam de collega weer. Hij vertelde dat het langzaamaan beter ging met de heer De Boer, maar dat hij zodra hij weer even aan het werk probeerde te gaan - niet bij mensen thuis, maar rustig aan en veilig in de opslagruimte met nieuw gearriveerde piano's - direct een terugslag kreeg en naar huis moest.
Wel was hij zelf vastberaden om uiteindelijk weer aan het werk te gaan, maar, ook gezien zijn leeftijd, vroeg de collega, en ik mét hem, zich ernstig af of dat ooit nog zou lukken.
Tot afgelopen woensdag. 's Avonds om een uur of acht gaat de telefoon:
"Met De Boer, uw pianostemmer. Ik wilde weer eens een afspraak met u maken. Schikt het morgenmiddag?"
Ik ben overdonderd, zeg alleen maar dat het schikt, en hang op.
Even later realiseer ik me opeens: "Hij stottert niet meer."
Én hij is blijkbaar toch zover opgeknapt dat hij weer werkt. Ik kan het haast niet geloven.
De volgende ochtend ben ik gewoon een beetje nerveus. Hoe zal het met hem gaan? Wat moet ik zeggen? Wat moet ik vragen? Wat mág ik vragen? Hoe zal hij eruit zien?
Precies op het afgesproken tijdstip belt hij aan. Terwijl hij met de lift omhoog komt, sta ik hem met bonzend hart op te wachten in de deuropening.
De deur van de galerij zwaait open. Met een krachtige pas en een uitgestoken hand loopt hij op me af. "Dag Mevrouw, daar ben ik weer."
"Dat is lang geleden. Hoe gaat het met u?"
"Nou, ik werk weer halve dagen, en dat gaat goed hoor. Natuurlijk is het weer even wennen, ook omdat ik behalve mijn werk nu ook de huishouding moet doen. En ik moet inkopen doen en koken. En mijn sociale contacten bijhouden natuurlijk, want dat is erg belangrijk."
Een krachtige stem, geen gestotter meer, openhartig en vol goede moed. Ongelooflijk.
Terwijl hij zijn koffie opdrinkt, vertelt hij nog dat hij weliswaar voor 25% is afgekeurd, maar dat hij over ongeveer een jaar gewoon weer voor 100% wil werken, hij heeft geen zin om steeds geconfronteerd te worden met uitkeringsinstanties die hem, nadat hij 38 jaar premie heeft betaald, behandelen alsof hij 'een crimineel' is.
En bovendien: "Ik heb leuk werk, dus ik wil het ook graag. Dat red ik best."
Terwijl hij als vanouds mijn piano met vaardige hand zit te stemmen, denk ik: Geweldig, wat een mentaliteit. Wat een ongelooflijke vechter.
Maar toch, ondanks het respect dat ik voel, is er ook iets in me dat zegt: "Dit klopt niet, dit kán gewoon niet. Zo vrolijk, zo doen alsof er niets meer aan de hand is, terwijl je nog geen anderhalf jaar geleden je vrouw hebt dood zien gaan terwijl jij zwaar gewond en machteloos naast haar zat, terwijl je wekenlang in coma hebt gelegen, maandenlang niet hebt kunnen praten, een half jaar in een revalidatiecentrum hebt gezeten. Misschien maak je jezelf wel wijs dat alles weer OK is, maar ík geloof het niet."
Maar ik kan niks bewijzen, hij praat beter dan vroeger, hij zit kaarsrecht op mijn pianokruk, en hij werkt hard en goed. Zo goed dat hij na drie kwartier klaar is met het stemmen van mijn piano.
Tijd dus voor zijn traditionele slotoptreden. Ik spits mijn oren, want ik wil geen noot missen van zijn gebruikelijke vrolijke, vitale pianospel.
En dan komt de geest uit de fles. Hij buigt zijn hoofd, sluit zijn ogen, en begint te spelen. Alleen is het dit keer geen vrolijk deuntje, maar een langzaam stuk, in mineur.
Traag glijden zijn vingers over de toetsen, vooral over de lage toetsen. Het stuk duurt veel langer dan ik van hem gewend was. Hij verliest zich er in, improviseert op de melodie, slaat de mineurakkoorden steeds nadrukkelijker aan.
Meneer De Boer speelt de blues.
Hij is wel veranderd en hij is niet veranderd.
Nog steeds zegt hij met zijn muziek veel meer dan met woorden, net als vroeger.
Maar wát hij zegt, is iets anders dan vroeger.
Uiteindelijk stopt hij met spelen, en valt weer terug in de rol die hij in korte tijd zo perfect heeft leren spelen.
"Zo, nou nog even de klep terugleggen, en als u hier dan wilt tekenen, dan is het weer helemaal voor elkaar. U kan weer een half jaar spelen op een goed gestemde piano. Bedankt voor de koffie, en tot ziens!"
Hij stopt zijn stemsleutel in zijn koffertje, doet zijn jack aan, en loopt met veerkrachtige tred mijn huis uit.
Als ik even later uit het raam kijk, zie ik hoe hij, net in zijn auto gestapt, stil achter zijn stuur blijft zitten, de schouders voorover gebogen, de blik op oneindig.
Pas na een paar minuten start hij de motor en rijdt langzaam en heel voorzichtig de straat uit. Het is half vier. "Hij haalt het gelukkig nog net vóór de spits", denk ik.
Het is een klein uur rijden naar zijn huis. Zijn lege huis.
Loes Gouweloos
zaterdag 26 juli 2008
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten