Terwijl wij opstijgen, zie ik hoe een Boeing met Amerikaanse soldaten een tussenlanding maakt op Schiphol. Op weg naar het Midden-Oosten, klaar voor de oorlog.
Ik ga juist de andere kant op, naar Amerika.
De man naast mij trekt zijn jasje uit. Ik bekijk hem eens goed, we zullen tenslotte urenlang naast elkaar zitten. Krullend haar, bruine ogen, slank, midden veertig. Jongensachtig. En: hij komt me bekend voor.
Knappe man, denk ik.
Hij kijkt me aan. Knappe vrouw, zie ik hem denken.
'Hallo', zegt hij, 'ook op weg naar New York?'
'Washington', zeg ik.
'Dat is ook toevallig, daar werk ik. Ik zal me even voorstellen: ik heet Charles'.
Ik heb allang afgeleerd te zeggen wie ík ben.
'Ik heet Louise', zeg ik daarom.
Charles is journalist, vertelt hij.
Dat dat inderdaad zo is, blijkt al snel: hij vraagt me het hemd van het lijf. Wie ik ben, wat ik doe, waarom ik naar Washington ga.
Wie ik ben, vertel ik nooit. De mensen geloven me toch niet.
Wat ik doe? Ik ben politiciloog en ik ben op weg naar Washington om te solliciteren naar een hoge post op het Witte Huis. Adviseur van de President. Zijn rechterhand op het gebied van buitenlandse zaken heeft onverwacht ontslag genomen. De geruchten gaan dat zij het niet eens was met de oorlogzuchtige koers van Bush. Nu is er snel een opvolger nodig. Heel snel, want de oorlog tegen Irak kan elk moment uitbreken. Juist daarom heb ik besloten om te solliciteren. Ik moet de mensheid redden.
Net zoals in 1961. Toen was ik de lijfarts van Chroetsjov. Hij luisterde altijd goed naar medici, dat had hij wel geleerd na zijn eerste hartaanval. Ik adviseerde hem ten sterkste om de Russische atoomonderzeeërs die op weg waren naar Cuba, rechtsomkeert te laten maken. Een derde wereldoorlog zou te emotionerend zijn, funest voor zijn hart. Hij luisterde. En zo behoedde hij - ik - de wereld voor een nucleaire oorlog.
Kennedy was de held. Ik wist wel beter.
Maar dat geeft niet. Ik werk in de anonimiteit.
Het gaat mij niet om de eer, het gaat om het resultaat.
De mens is zwak en vooral bang. Soms heeft hij hulp nodig van boven. Die krijgt hij - het is niet zíjn fout dat de schepping onvolmaakt is en de schepper feilbaar.
'Denk je dat je wordt aangenomen?', vraagt Charles.
Dat staat al vast, maar dat weet híj niet.
'Ik hoop het', zeg ik.
'Zorg dat je een paar Bijbelteksten paraat hebt', lacht hij, 'daar is Bush heel gevoelig voor, hij is een gelovig man'.
Ik hoop het, denk ik.
Charles vertelt over de vele landen waar hij gestationeerd is geweest. Hij noemt diverse brandhaarden, hij is graag daar waar de actie is.
Nu weet ik weer waar ik hem van ken, ik ben hem al meerdere keren tegengekomen.
Zo stond ik ooit als voorlichter naast President Sadat tijdens diens historische vredesbezoek aan Israël. Charles stond midden in de enorme kluwen journalisten, zijn bruine haar door de war, zich een weg naar voren duwend om een vraag te kunnen stellen.
Ik was de minnares van Nelson Mandela vlak nadat hij werd vrijgelaten uit de gevangenis. Gelukkig luisterde hij naar mij en niet naar Winnie: hij riep zijn zwarte broeders op om geen wraakacties te ondernemen tegen hun blanke medeburgers.
Ik zat erbij toen Charles hem interviewde voor de Nederlandse televisie. Op de tweede rij, zoals ik altijd op de tweede rij zit, vlak achter de machtigen der aarde. In steeds andere gedaanten.
Daarom herkent Charles mij niet. Ik hem wel. Hij is vaak op tv, hij heeft een bekend gezicht.
Ik niet. Daarom herkent niemand mij.
En hoewel velen dagelijks over me spreken, ként ook niemand mij.
Ik hen wel. Ik heb ze tenslotte gemaakt.
Daarom voel ik me ook verantwoordelijk voor wat ze doen.
En voor wat ze misdoen.
Vandaar dat ik op weg ben naar de President van de Verenigde Staten. Ik moet hem op andere gedachten brengen.
De tijd dringt.
Gelukkig doet de Concorde er maar drie uur over. Nog gauw een drankje, dan zijn we er.
Charles geeft me zijn kaartje en zegt:
'Ik heb een afspraak in New York, daarna vlieg ik ook door naar Washington. Ik hoop je nog eens tegen te komen. Misschien kunnen we eens ergens wat gaan drinken?'
'Ik bel je wel als ik die baan heb, dan hebben we wat te vieren'.
Hij lacht. Ik lach.
Dan verdwijnt hij uit zicht.
Ik loop de enorme aankomsthal in.
Aan de muur hangt een reusachtige Amerikaanse vlag, met daaronder een tekst.
Ondanks mijn haast en de loodzware opdracht die op mijn schouders rust, kan ik een glimlach niet onderdrukken als ik die lees:
'God Bless America'.
Loes Gouweloos
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten