Al vroeg in de ochtend binden we onze schaatsen onder. Onze hele klas is per bus vervoerd naar de Alblasserwaard, daar gaan we een molentocht rijden. 20 kilometer, over prachtig ijs, door een adembenemend sneeuwwit landschap.
Speciaal voor deze gelegenheid hebben mijn ouders me de dag ervoor mijn eerste paar spiksplinternieuwe kunstschaatsen cadeau gedaan. Dat hadden ze beter niet kunnen doen...
Want nieuwe schaatsen moet je inrijden en kunstschaatsen zijn weliswaar uitstekend geschikt voor oogverblindende pirouettes maar niet voor urenlang hard rechtdoor rijden tegen een straffe noordenwind in.
Na de eerste tien kilometer slaat de vermoeidheid toe. Ik kan niet meer verder, ik moet even uitrusten. Mijn vriendinnen-op-noren zien hun kans schoon: in de klas ben ik hen meestal te slim af, nu zijn zij míj te snél af. Wraakzuchtig sprinten ze weg, kijken nog even hatelijk achterom, en zijn snel uit zicht verdwenen.
Als ik wat op adem ben gekomen, zet ik me in beweging voor de laatste tien kilometer. Het zullen de zwaarste kilometers van mijn leven worden. De barsten in het ijs, de harde windvlagen, mijn door vermoeidheid steeds heviger knikkende knieën: ze zijn er allemaal de oorzaak van dat ik om de paar minuten keihard op het ijs val. Steeds bonter en steeds blauwer vervolg ik mijn weg. Het wordt almaar stiller om me heen. Na een tijdje rijd ik helemaal alleen tussen de molens van de Alblasserwaard, met een ijskoude wind in mijn gezicht, bevroren oren, gekneusde knieën en vooral een heel erg eenzaam en verlaten gevoel. Ik wil niet huilen, want dan zouden mijn tranen op mijn gezicht bevriezen, maar het kost me veel moeite.
Ik word steeds banger dat ik de eindstreep niet zal halen. Ik krijg visioenen dat niemand me zal missen, dat de rest van de klas weer lekker naar huis terugrijdt terwijl ik uitgeput in het donker op het koude molentochtijs lig...
Dan zie ik voor me opeens een andere eenzame schaatser, een jongeman. Hij komt nog langzamer vooruit dan ik, hij struikelt meer dan dat hij schaatst.
Eindelijk gezelschap, eindelijk een lotgenoot! Met mijn laatste krachten rijd ik naar hem toe.
'Hallo!', roep ik.
Hij draait zich om en kijkt me aan. Ik schrik. Want deze onhandige schaatser is niemand minder dan... Peter!
Peter... met afstand de leukste jongen van de hele klas, daar zijn wij, veertienjarige meisjes, het unaniem over eens. Mijn vriendinnen doen alles om zijn aandacht te trekken, om even met hem te kunnen praten - één blik van Peter is hen meer waard dan een 10 voor een wiskundeproefwerk.
Er wordt heel wat afgekletst en -gelonkt als hij in de buurt is.
Ik doe daar nooit aan mee. Ten eerste ben ik er niet handig in en ten tweede vind ik het genant. Maar ik ben het wel met mijn vriendinnen eens: Peter is heel leuk. Juist omdat hij het zelf niet zo lijkt te merken. Mooie blonde krullen, zachte blauwe ogen, altijd een licht spottend glimlachje om de mond, en voorzien van een rustige, bijna volwassen soort zelfverzekerdheid die je op die leeftijd zelden aantreft. Maar hij loopt er niet mee te koop en hij is zeker geen macho. Daarom vind ook ik hem geweldig.
Maar ik laat nooit iets merken, ik aanbid hem in stilte.
En nu sta ik ineens oog in oog met deze onbereikbare held, helemaal alleen in dit wonderwitte winterlandschap. Wat zouden mijn vriendinnen er wel niet voor over hebben om met mij te kunnen ruilen!
Zij zouden vast ook precies weten wat ze moesten zeggen.
Ik niet. Ik schrik me dood en ik zwijg.
'Hallo', zegt Peter terug, 'kom jij ook niet zo snel vooruit als de rest?'
Schaapachtig schud ik van nee.
'Ik ook niet, ik ben niet zo'n schaatser', zegt mijn droomprins. 'Zullen we samen verder rijden tot de finish? Dan hebben we tenminste allebei gezelschap.'
Schaapachtig knik ik van ja.
Zij aan zij krabbelen we verder. Om beurten vallen we op het harde ijs, we doen weinig voor elkaar onder. Als we langs een koek-en-zopie tent komen, biedt Peter me een beker warme chocolademelk aan. Heerlijk! Vooral omdat ik, zolang ik daaruit drink, niets hoef te zeggen. Aandachtig bestudeer ik het vel op de hete chocola, langzaam nip ik eraan, om maar zo lang mogelijk sprakeloos te kunnen genieten.
Dan is het tijd voor de laatste twee kilometer. Toch enigszins verkwikt door de pauze en de hete drank, rijden we die vrij vlot. Al gauw zien we in de verte de finish. Het krioelt er van de klasgenoten. Ze hebben allemaal hun schoenen alweer aan en dragen trots een medaille om hun nek - het is duidelijk dat ze allang geleden zijn gearriveerd. Alleen Peter en ik moeten nog finishen. Dus we krijgen alle aandacht.
De jongens uit de klas staan luid te joelen als ze zien hoe Peter onhandig struikelend de eindstreep nadert.
Maar de meisjes worden steeds stiller. Ik zie mijn vriendinnen staan die me uren geleden hatelijk lachend aan mijn lot hebben overgelaten. Hun monden hangen open van verbazing. Wat is dat? Loes? Loes?! Met 'hun' Peter?!
Voor het eerst die dag krijg ik het warm. Een enorm gevoel van triomf doorstroomt mijn steenkoude lichaam. Als een volleerde Atje Keulen-Deelstra sprint ik met zwierige slagen naar de finish. De ogen van mijn vriendinnen spreken boekdelen: ze zijn verbaasd, maar vooral
ver-schrik-ke-lijk jaloers!
En dan zorgt Perfecte Peter voor de perfecte finishing touch: op het moment dat we samen over de eindstreep glijden, pakt hij mijn hand. Hij kijkt me begrijpend en veelbetekenend aan. Ik kijk hem stralend aan. Eindelijk is mijn verlegenheid over.
We steken onze handen in de lucht. We rijden in een vloeiende beweging door naar de meneer van het organisatiecomité die al met de twee nog resterende medailles naar ons staat te zwaaien.
Niemand juicht.
Behalve ik, heel hard en heel diep van binnen.
Ik kom als laatste over de streep, maar toch heb ik gewonnen!
Loes Gouweloos
zaterdag 26 juli 2008
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten