‘Het allerbelangrijkste is dat je gezond bent’, hoor je vaak zeggen.
‘Veel geluk, en natuurlijk vooral: een goede gezondheid!’ staat op menige nieuwjaarskaart.
Blijkbaar vinden we gezondheid erg belangrijk. We zien haar zelfs als een voorwaarde voor geluk. Is dat terecht?
* * * * *
Natuurlijk mis je veel als je een ziekte of een handicap hebt. Wie geen benen heeft, kan niet dansen. Wie blind is, kan geen film kijken. Wie doof is, kan niet genieten van muziek. En voor wie altijd pijn heeft, is het moeilijk zich volledig over te geven aan alle geluk schenkende zaken in het leven.
Maar betekent dat dat ongezonde mensen hoe dan ook niet gelukkig kunnen zijn?
Het staat buiten kijf dat veel zieken en gehandicapten inderdaad een ongelukkig leven leiden. Ze hebben pijn, ze verkeren in een sociaal isolement, hun inkomen - en daarmee hun mogelijkheden tot afleiding - zijn laag, ze spreken bijna uitsluitend lotgenoten en medici en komen zo nooit los van hun ziekte. Dus zijn ze daar van vroeg tot laat mee bezig. Misschien maken de omstandigheden deze ‘beroepspatiënten’ wel ongelukkiger dan hun ziekte.
Maar omstandigheden zijn veranderbaar. Door de overheid, door hun naaste omgeving, en niet in de laatste plaats door henzelf. Menigeen legt zich dan ook niet neer bij de situatie.
Een abonnement op het Concertgebouw zit er vaak niet meer in, maar een rolstoelritje naar een gratis voorstelling van de plaatselijke operettevereniging kan altijd.
Als je niet kunt krijgen wat je wilt, zorg er dan voor dat je wilt wat je kunt krijgen.
Het imagoprobleem ligt wellicht niet alleen bij de zieken, maar ook bij de gezonden. Die kijken meewarig naar hun manke of bedlegerige medemens, en denken: wat moet dát erg zijn!
Angst? Projectie? Of heeft het te maken met de hedendaagse fitheidsobsessie?
Ooit schreef Renate Rubinstein, die leed aan MS:
’Ik zit voor het raam, het weer is mooi, mijn boek schiet op, mijn humeur is goed.
Jij komt binnen en ziet een vrouw in pyjama met een deken over haar knieën. Het is al één uur, ze heeft nog niet ontbeten, in geen dagen is ze buiten haar huis geweest. Onhandig staat ze op, ze strompelt op stijve benen. ‘Zielig’, denk je, ‘ze is zielig.’
Maar jouw waarheid is de mijne niet. Ik ben geconcentreerd op een alinea die in jouw hoofd niet omgaat. Ik raak hier aan(…) de macht van de individuele geest om een wereld te creëren, niet volledig onafhankelijk van wat men ‘de objectieve wereld’ noemt, maar in stijgende mate onafhankelijk van de houding van andere geesten tegenover deze wereld.’ 1)
Die zit. Maar Renate Rubinstein was dan ook een zeer autonome geest, met een meer dan gemiddeld hoge intelligentie en een rijke fantasie. Zij liet zich niet aanpraten dat ze zielig was, en bovendien kon ze doorgaan met haar passie: schrijven. Dat helpt.
Ander voorbeeld: Stephen Hawking, de beroemde fysicus, kan alleen zijn wenkbrauwen bewegen. Toch heeft hij belangrijke ontdekkingen gedaan en vele bestsellers geschreven – waarvan het moeilijk voorstelbaar is dat die hem geen geluksgevoel hebben gegeven.
En de oude, verlamde dirigent Otto Klemperer liet zich op het podium hijsen om daar met priemende ogen en minieme bewegingen van zijn stokje zijn wil op te leggen aan het orkest.
Prachtig, maar uitzonderlijk. Minder geniale geesten moeten het met minder gaven doen, en zullen dus sneller ongelukkig worden omdat ze ziek zijn.
Maar er zijn genoeg uitzonderingen om nu vast te kunnen stellen dat het voor ongezonde mensen weliswaar moeilijker, maar niet onmogelijk is om gelukkig te zijn.
Kunnen we nog een stapje verder gaan? Zou het niet zo kunnen zijn dat een chronische ziekte of handicap je zo confronteert met je naakte zelf, dat je er uiteindelijk een rijker mens door kunt worden? Hangt niet veel af van hoe je als zieke naar je ziekte kijkt?
Je wordt op jezelf teruggeworpen. Maar zo kun je jezelf, je sterke en zwakke punten, beter leren kennen.
Je wordt getroffen door grote tegenslag. Maar dat biedt je de kans om beter te leren omgaan met álle soorten tegenslagen.
Je bent je omgeving tot last. Maar je leert je ware vrienden kennen.
Je moet ervaren dat gezondheid niet vanzelfsprekend is. Maar daardoor kun je meer genieten van wat je nog wél hebt. Van elke dag weer de dag plukken zo lang dat nog kan.
Je kunt vaak niet meer werken, niet meer sporten. Maar daardoor leer je relativeren, en ontdek je waar het écht om gaat: liefde, vriendschap, de natuur, het ontplooien van vaak onvermoede talenten, een mooi gedicht, een prachtige symfonie.
Kortom: het gaat niet om wat een ziekte met jou doet, het gaat om wat jij met die ziekte doet.
Als dat laatste lukt, kun je dankzij een slechte gezondheid inderdaad een rijker mens worden. Áls je maar in staat bent de ziekte te zien als een blessing in disguise.
Zo bekeken kan een slechte gezondheid, hoe paradoxaal dat ook lijkt, zelfs een bron van geluk zijn.
Veel chronisch zieken en gehandicapten worden, als de rouwverwerking omtrent het verlies van hun gezondheid voorbij is, wijzere mensen. Natuurlijk hebben ze hun slechte dagen en sombere buien, maar vaker zijn ze in staat hun ziekte te zien als een uitdaging. En ze winden zich niet meer op over trivialiteiten, kunnen zich beter inleven in anderen die ook een verlies moeten verwerken, en zijn evenwichtiger dan voorheen.
Ze hebben, kortom, van hun nadeel hun voordeel gemaakt.
Lijden loutert – althans bij degenen die het in zich hebben om zich te láten louteren. Zoals Rubinstein zei: ‘Misschien kun je alleen leren wat je al in je hebt.’ 1)
Daarin schuilt hem het wrange: je moet geluk hebben om gelukkig te kunnen zijn…
Toch luidt de eindconclusie: het is mind over matter.
Ook in een óngezond lichaam kan een sterke, gezonde geest wonen.
En dankzij die gezonde geest kan ook de ongezonde mens gelukkig zijn. Gelukkig maar.
Loes Gouweloos
1) ‘Nee heb je’, Renate Rubinstein, Meulenhof, 1985
zondag 27 juli 2008
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten