zaterdag 26 juli 2008

Griepje

Boven aan de loopplank worden alle 100 passagiers één voor één begroet door de gastheer en de kapitein. Die laatste maakt al van veraf het meeste indruk: een forse man in vol ornaat, met een stoere zeemansbaard en een doorgroefd gelaat. Hij staat klaar om me te verwelkomen. Een plechtig begin van mijn eerste cruise.
Op het moment dat ik het schip betreed, geeft hij me een ferme handdruk. Ik kijk hem aan.
En dan opeens gaat er een diepe rilling door mij heen. Ik voel iets vreemds, ik kan het niet duiden, ik heb dit nog nooit eerder gehad. Het heeft te maken met een onafwendbaar onheil, het angstzweet breekt me uit.
De kapitein lacht me toe: ‘Welkom aan boord, en een fijne reis’.
Maar ik weet nu al dat het geen fijne reis zal worden.

‘Wat een leuke, stoere man he?, zegt mijn vakantievriendin, ‘een echte zeebonk’.
Ik schud langzaam mijn hoofd. ‘Er is iets niet goed met die man. Die maakt het niet lang meer.’ Ik schrik zelf van wat ik zeg, alsof ik het onheil afroep door te benoemen wat ik voel.
’Waar héb je het over?’, hoor ik naast me.
‘Ik weet het niet. Ik zie niets aan hem, maar ik voél het: die man leeft niet lang meer'.
Schouderophalend doet mijn vriendin er het zwijgen toe. Ze nipt ze aan haar welkomst-champagne en geniet.

De volgende dag treffen we de kapitein in de buurt van zijn stuurhut. Hij vertelt dat hij gepensioneerd is als zeekapitein. Maar hij kan niet zonder het varen. Daarom is hij dolblij met zijn baan op dit cruiseschip. Stralend vertelt hij: ‘Het is mooi werk. Ik kan nog steeds varen en bovendien heb ik veel contact met de passagiers. Ik heb een prachtbaan. Ik wil dit nog jaren blijven doen, zo lang als ik gezond blijf.’
Ik huiver opnieuw. Want ik weet al hoe het met hem verder zal gaan. Maar wat moet ik ermee? Ik kan niets bewijzen of verklaren, niemand gelooft me.

Weer een dag later deelt de gastheer aan alle passagiers mee dat de kapitein een beetje ziek is. Hij blijft een dag in zijn hut. Het is niks bijzonders, de stuurman kan gewoon met hem overleggen, en hij verwacht snel zelf weer aan het roer te staan.
‘Goh’, zegt mijn vriendin, ‘en jij zei direct al dat er iets met hem aan de hand was. Hij zal wel een griepje onder de leden hebben gehad. Goed van je dat je dat zag.’

De dag erna zien we hem weer niet. Maar we hebben een fijne dag, ‘s avonds eten we heerlijk, er is een pianist, er wordt gelachen, gedronken en gedanst. Als ik tegen middernacht naar bed ga, voel ik me lekker rozig. Ik zal vast heel goed slapen.

Maar op het moment dat ik het licht uitdoe, hoor ik piepende autobanden op de kade.
Zwaai-lichten kleuren mijn hut onheilspellend blauw. Slaande deuren, rennende bemannings-leden, geschreew op de gang. Ik kijk uit mijn raam en zie politieagenten op de loopplank.
Slaperige passagiers komen hun hutten uit. ’Gaat u maar slapen, alles is veilig, er is niets aan de hand’.

Maar ik weet beter. Ik bid dat ik ongelijk heb, inwendig schreeuw ik het uit. Ik wíl dit niet, ik hóef geen helderziende te zijn, het is vreselijk om gelijk te krijgen.
Ik kijk opnieuw uit mijn raam, en opnieuw. Na een uur zie ik dat er iets van boord wordt gedragen. Dan doven de zwaailichten en verdwijnen de politieauto’s in de nacht.
Het wordt weer stil op het schip.

Ik doe die hele nacht geen oog dicht. Ik weet wat er is gebeurd en ik weet dat ik de enige ben.
De volgende ochtend wordt er aan het ontbijt druk gespeculeerd over het rumoer van de afgelopen nacht. Zou er een dief aan boord zijn geweest? Hebben we aangemeerd op een verboden plek?
Dan verschijnt de gastheer van het schip. Hij ziet lijkbleek.
Hij pakt een microfoon en vertelt snikkend dat de kapitein vannacht volkomen onverwacht is overleden:
‘Hij was nooit ziek, en dit leek alleen maar een griepje, het is verschrikkelijk! Niemand heeft dit zien aankomen…’



Loes Gouweloos

Geen opmerkingen: