Over 125 duizend jaar zal de man zijn uitgestorven. Aldus een Britse wetenschapper. Die daar aan toevoegt dat er met het verscheiden van de man weinig verloren gaat. Hij wordt daarin bijgevallen door commentatoren op radio, tv en in de kranten. Allemaal mannen, ze hebben kennelijk geen hoge dunk van zichzelf.
De vrouwen hoor je niet. Logisch.
Wij denken.
Wij vragen ons af wie er in de toekomst de vuilniszakken moet buiten zetten.
En wie gaat het plafond witten?
En wie zorgt er voor de pret in bed?
En wie bouwt met vaste hand een schuurtje in de tuin?
En wie zet ons weer met beide benen op de grond als we te veel doordraven?
Vrouwen zullen de mannen missen.
Zoals veel van mijn overpeinzingen, vindt ook deze plaats in de auto.
Ik sta op de parkeerplaats van de Aldi. Tegenover me staat een afvalcontainer.
Mijn gepeins wordt verstoord door een man die uit de Aldi komt. Hij loopt al tegen de vijftig, maar toch draagt hij een hip baseballpetje. En een te glimmend sportjack. In zijn hand heeft hij een Aldi-huzarenslaatje in een plastic doosje.
Hij stopt bij de container en trekt het doosje open. Het bijgeleverde plastic vorkje gooit hij op de grond. Zonder enige aarzeling of gêne steekt hij zijn wijsvinger in het slaatje, draait er even stevig mee rond, en stopt dan een grote klodder mayonaise in zijn mond. Hij smakt tevreden en steekt opnieuw zijn vinger in het doosje. Hij ziet dat ik vanaf nog geen twee meter afstand naar hem kijk, maar dat maakt hem niet uit. Zijn hele behuzaarde vinger verdwijnt in zijn mond.
Tijdens het aflikken, voelt hij blijkbaar een nog sterkere drang dan zijn onstilbare honger: hij moet plassen.
Hij zet zijn slaatje op de container en opent zijn gulp. Kijkt nog even of ik hem nog steeds zie, en gaat dan extra wijdbeens staan plassen tegen de muur van de Aldi. Om zijn publiek te behagen, kreunt hij er luidruchtig bij.
Handen wassen kan hier niet, maar ik denk niet dat hij dat als een gemis ervaart. Hij gaat weer verder met zijn slaatje, likt tevreden zijn plasvingers af.
Als het bakje leeg is, gooit hij het geroutineerd over zijn schouder én over de container heen op straat. Hij trekt zijn petje omlaag, kijkt om zich heen met een stoere ‘wie-doet-me-wat?-blik, en loopt weg – nog steeds wijdbeens en boerend van voldoening.
Opeens kan ik niet meer wachten.
Nog 125 duizend jaar…
Loes Gouweloos
zaterdag 26 juli 2008
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten