zaterdag 26 juli 2008

Knots

“Ik heb het zelf ook gedaan toen ik jong was. Het is goed voor je en het is ook nog eens reuze gezellig.”
Met deze woorden deelt mijn moeder me mee ze me heeft aangemeld bij een turnvereniging. Bij OTV. Dat betekent ‘Overschiese Turn-Vereniging’. Maar bij mij op school staat zij uitsluitend bekend als ‘Overschiese Trutten-Vereniging’.
Haar bedenkelijke roem is haar vooruit gesneld. Al jaren heb ik verhalen gehoord over die truttige gymvereniging met die afzichtelijke turnpakjes, waar alleen heel domme en lelijke meisjes lid van zijn. Meisjes met een eeuwige snottebel aan hun neus, met armoedige katoenen jurkjes – meisjes vooral, die altijd met hun blik omlaag over straat lopen en die tegen niemand iets durven zeggen.

Ik verzet me dan ook fel tegen het medisch advies. Liever word ik op hoge leeftijd getroffen door een driedubbele hernia, dan dat ik nu – op negenjarige leeftijd - diep zal zakken op de populariteitsladder op school. Maar mijn moeder is onverbiddelijk: het is voor mijn eigen bestwil, en bovendien is zij vroeger zelf ook lid geweest van een gymnastiekvereniging, en dat was altijd reuze gezellig.

Ik krijg een blauw OTV-pakje aangemeten, met een goudkleurig embleem ter hoogte van mijn nog absente linkerborst. Op dat embleem prijken de letters ‘OTV’, in net een andere blauwe kleur dan die van het pakje – dat overigens zo strak zit dat ik al na vijf minuten felrode striemen in mijn liezen en op mijn schouders heb.
De wekelijkse gymles vindt plaats in een muf ruikend zaaltje ver van waar ik woon.Samen met tientallen lotgenootjes word ik over brug en bok gejaagd, ondersteboven in de ringen gehangen, en gedwongen tot aan het plafond in een gemeen schrijnend touw te klimmen.
Maar het ergste is het wandrek. Ik ben erfelijk belast met een gigantische hoogtevrees. Toch moet ik in het schuinstaande wandrek klimmen en helemaal bovenin door een minuscuul klein gaatje kruipen – waardoor ik gedurende enkele seconden alleen aan mijn door het angstzweet spekglad geworden handen meters boven de grond hang. Daarna moet ik langs de andere kant van het rek weer afdalen. Mijn angst voor ‘het gat’ neemt zulke vormen aan dat ik er al nachten van tevoren van droom.

Nadat ik door een meedogenloze gymlerares het wandrek ben ingejaagd, blijf ik elke week weer als enige zitten bij het gat. Ik durf er niet doorheen te kruipen. Ik zie die gapende diepte beneden me en ik verstijf van angst. Terwijl de andere OTV’ertjes vlot aan de afdaling beginnen, zit ik als aangeschoten wild hoog boven in het rek, trillend en zwetend in mijn blauwe pakje. Ik klamp me wanhopig vast, en negeer bevend de bevelen van de steeds bozere gymjuf.
Zo breng ik elk laatste kwartier van de wekelijkse les moederziel alleen door op vijf meter hoogte, terwijl de andere meisjes tot slot van de middag lekker mogen korfballen – het enige onderdeel uit het OTV-pakket dat ik leuk vind.
Pas als het laatste fluitsignaal geklonken heeft, mag ik langs de voorkant afdalen, en druip ik af naar de kleedkamer, terwijl de juf me met een diep minachtende blik nakijkt.

Maar het allerergste moet nog komen: mijn eerste gymseizoen wordt afgesloten met een openluchtdemonstratie op het sportveld dat toevallig grenst aan de flat waarin ik woon. Daar zullen wij laten zien hoe meesterlijk wij de zogenaamde ‘ritmische gymnastiek’ beheersen. Maandenlang oefenen we op een knotsoefening, begeleid door rammelige pianomuziek die de juf heeft opgenomen op een levensgrote bandrecorder. Als ik om me heen kijk begrijp ik de bijnaam ‘Overschiese Trutten-Vereniging’ steeds beter...

Tijdens de Grote Uitvoering neemt mijn schaamte alleen nog maar toe. Alle OTV-groepen zijn voor deze speciale gelegenheid samengevoegd. Op het grote groene veld staan honderden meisjes van zes tot zestien jaar. Allemaal met een glimmende houten knots in de hand. Op de maat van de muziek moeten we die, precies tegelijk, volgens een ingestudeerd patroon heen en weer zwaaien, overnemen met de andere hand, onder onze geheven knieën overpakken, en vervolgens met een gewaagd boogje de lucht in gooien. Op het balkon van onze flat staan mijn
trotse ouders glunderend toe te kijken.

Dan krijg ik een idee. Vlak voor de apotheose van de oefening, waar het erop aankomt dat alle meisjes exact tegelijk met de rechterhand hun knots hoog de lucht in gooien en die vervolgens weer, ook tegelijk, met de linkerhand sierlijk opvangen, haal ik diep adem. Ik kijk naar het veld vol strakke blauwe gympakjes, ik kijk naar de strenge blik van de gymjuf, en ik kijk naar mijn glunderende ouders.

Op het moment suprême komt mijn wraak. Mijn wraak voor al die uren hoog in het wandrek, voor al die stomme bokkensprongen en voor dat beknellende blauwe pakje.
Ik strek mijn arm ver naar achteren, en gooi mijn knots zo hard mogelijk schuin opzij.
Onderweg raakt hij enkele medeknotsen, die daardoor ook hopeloos de weg kwijtraken.
Een paar seconden later landen zeker tien knotsen midden in de groep.
Meisjes in blauwe pakjes springen opzij, slaken gilletjes van ontzetting, en letten niet meer op waar hun knots landt.
Het prachtige groepspatroon raakt volledig verstoord.
Verdwaalde knotsen slaan kratertjes in het gras, verdwaasd aangestaard door knotsloze OTV´ertjes..
De door mij zo gehate gymjuf staat met wijd opengesperde ogen stokstijf voor de groep. Verderop, op het balkon, slaat mijn moeder geschrokken en beschaamd haar handen voor haar gezicht.

Ik probeer ook zo beschaamd mogelijk te kijken. Maar van binnen juich ik.



Loes Gouweloos

Geen opmerkingen: