Ik durf niet te kijken. Ik wil hem niet zien, ik wil hét niet zien. Maar ik kan er niet omheen.
Het is een zachte najaarsdag in 1961. Ik ben tien en ik ben op weg van school naar huis. Mijn vlechten huppelen in de wind. Thuis wacht mijn moeder met thee en een koekje.
Opeens rent een buurtgenootje me tegemoet.
‘Heb je ’t al gehoord?’, vraagt ze. In haar schrille stem hoor ik angst en schrik. ’Het broertje van Marianne is doodgereden. Vlak voor jouw deur!’
Marianne is mijn beste vriendin en ze heeft een jonger broeretje, Theootje.
‘Doodgereden?’ vraag ik toonloos. Ik snap het niet. Ik voel niets.
’Ja, hij is zonder uit te kijken overgestoken en toen kwam er een vrachtwagen aan en die is over hem heen gereden en nu is hij dood. Hij ligt voor jullie deur op de straat’.
Dood… Ik ken het woord maar ik weet niet wat het is. Ik heb nog nooit een dood mens gezien.
En dode kinderen – dat bestaat volgens mij niet eens, dood is iets voor oude mensen. Niet voor dat leuke broertje van Marianne, dat bleke maar altijd vrolijke mannetje op wie ik zo vaak heb gepast.
Ik blijf roerloos staan en voel mijn knieën knikken. Opeens durf ik niet meer naar huis.
Maar tegelijk wil ik niets liever dan bij mijn moeder zijn. Om bij haar uit te huilen, om me te laten troosten, om haar te vragen wat er is gebeurd, om haar te vragen wat dat is: dood…
Maar om bij haar te komen, moet ik mijn straat oversteken. En daar ligt Theo dus. Hoe zal hij eruit zien? Door midden gebroken? Wit? Met bloed?
En zijn er mensen bij? Of ligt hij daar helemaal alleen op de straat? Wat moet ik dan doen? Moet ik naar hem kijken of juist niet?
Ik ben doodsbang, ik begin te huilen, ik durf niet door te lopen. Maar ik wil zo graag naar mijn moeder, dat dat verlangen het uiteindelijk toch wint van mijn angst. Ik haal diep adem en hol zo hard mogelijk het laatste stukje naar huis. Ik neem me voor om niet te kijken, om regelrecht naar mijn moeder te rennen.
Voor de deur van ons portiek staat een grote grijze vrachtwagen. Naast de wagen staat de moeder van Marianne. Ze heeft haar handen voor haar mond geslagen en staat zacht maar onophoudelijk te huilen. Ze is heel bleek.
Ze kijkt omlaag, naar de grond. Ik kijk ook, ik kan het niet laten. Daar ligt Theootje. Dood.
Maar hoe dat eruit ziet, krijg ik niet te weten, want er ligt een groot wit laken over hem heen.
Er staan politieagenten, en buren, en een vrachtwagenchauffeur die totaal overstuur is, en in de verte klinkt de sirene van een ziekenwagen.
Maar ik zie alleen maar dat witte laken met dat vierjarige lichaampje eronder.
Ik ren niet naar binnen naar mijn moeder, ik sta stokstijf stil. Verdoofd.
Dit alles is nu 47 jaar geleden. Ik heb er nooit meer aan gedacht. Tot die zachte najaarsdag,
2 november 2004.
Toen lag de dode Theo weer onder een wit laken op straat en sindsdien denk ik steeds weer aan hem. Ik wil het niet, maar ik kan er niet omheen.
Loes Gouweloos
zaterdag 26 juli 2008
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten