zaterdag 26 juli 2008

Middenstandsmietsen

Volkomen argeloos had ik een korte vakantie geboekt naar de Weerribben: een paradijselijk plassengebied, dat ik graag eens met eigen ogen wilde aanschouwen.
Maar toen ik in mijn kennissenkring vertelde over het tripje waarop ik me zo verheugde, kwamen de verhalen. Verhalen over knutten: piepkleine mugjes, die vooral voorkomen in waterrijke gebieden, en die met honderden tegelijk aanvallen en je op de meest intieme plaatsen steken, resulterend in helse jeuk- en gênante krabbelpartijen in haren, neus, bil- en borstspleet.

Gewapend met muskietennet, elektrische vliegenmepper, drie verschillende, peperdure muggenbeetcrèmes, alsmede een door de NASA ontwikkeld apparaatje met een ultrasone, mugvijandige pieptoon, betreed ik vol goede overmoed mijn hotelkamer.

Het eerste dat ik zie, is dat het raam wagenwijd openstaat. Service van de kamermeisjes. Misschien is de autochtone bevolking van Overijssel wel resistent tegen knutten, maar ik niet. Woedend klap ik het raam dicht. Dan onderneem ik een uitgebreide speurtocht door mijn luxe hotelkamer - vliegenmepper in de hand. Ik vind niets, maar dat zegt niets. Knutten zijn namelijk zo klein dat ze vrijwel onzichtbaar zijn.

Dat hoor ik de volgende dag van een plaatselijke VVV-medewerkster, die me huiverend vertelt over wat men hier ‘mietsen’ noemt: ‘Ze zijn vreselijk, ik heb ze elke zomer in mijn tuin. Ze kruipen tussen je kleren, in je haren, in je neus. En jeúken dat het doet!’
Op haar advies koop ik een fles antimietsenmelk, voor maar liefst € 79,95: ‘Die gebruik ik zelf ook, het is het enige dat helpt, het komt helemaal uit Canada.’
Ook vertelt ze dat mietsen vooral voorkomen bij het water, met name als het windstil en zonnig is.

En dat is het de volgende dag allemaal - de dag dat ik een vaartocht heb geboekt door de Weerribben…

Misselijk van angst betreed ik de rondvaartboot,van top tot teen ingesmeerd met mijn Canadese antimietsenmelk. Ondanks de bijna tropische hitte, draag ik een lange broek, waarvan ik de pijpen in dikke kniekousen heb gepropt. Ik trek het capuchonkoordje van mijn in allerijl gekochte poncho goed strak aan, bedek mijn ogen met een eveneens gloednieuwe duikersbril, en stop mijn handen in mijn zakken.
Het grote genieten kan beginnen!

Bij elke rietkraag die we passeren, spied ik om me heen. Waar zijn de knutten?
Na vier uur varen, stap ik druipend van het zweet weer uit. Ik heb veel riet gezien, héél veel riet - maar niet één knut…
Wel ben ik bijna bezweken van de hitte en de angst.
Ook de medelijdende maar vooral spottende blikken van mijn zorgeloos luchtig geklede rondvaartgenoten, die mij aanstaarden als ware ik een psychotische orthodoxe moslima, ben ik nog lang niet vergeten.

Maar dan…: als ik zit bij te komen in een café, strijkt op de buitenkant van de ruit een piepklein insectje neer, met vervaarlijk trillende neusgaatjes en een ondefinieerbaar maar intens gemeen uitsteekseltje. Eindelijk!
Ik roep de ober erbij.

‘Is dát nou een knut? Ik bedoel: een miets?’, vraag ik met dichtgeknepen keel. Ik betrap mezelf erop dat mijn angst begint om te staan in een vreemd soort verlangen…
‘Welnee mevrouw, dat is een onweersvliegje’.

Na drie dagen heb ik nóg geen knut gezien, zelfs niet in het beruchte plaatsje Muggenbeet, waar ik speciaal naartoe ben gereden omdat ik nu eindelijk wel eens wilde zien waar al die angst-wekkende verhalen over gingen. Daar leer ik dat ‘beet’ een oud Overijssels woord is voor ‘beek’.

Langzaam maar zeker dringt de vreselijke waarheid tot mij door. Al mijn voorzorgsmaatregelen zijn voor niets geweest. Al mijn uitgaven ook. De Overijsselse middenstand vaart er wel bij.
Net zoals de Schotse middenstand bij Loch Ness.

Loes Gouweloos

Geen opmerkingen: