zaterdag 26 juli 2008

Oom Jan

Mijn eerste impuls is om de hoorn op de haak te gooien. Weer zo'n smerige hijger aan de telefoon. Maar ik doe het niet. Want ik voel dat dit geen 'gewone' hijger is. Dit lijkt eerder iemand in doodsnood.

Aan de andere kant van de lijn hoor ik een zwaar kreunende man, een man die naar lucht hapt, die vergeefs probeert in te ademen. Zijn angst en paniek slaan op mij over, ook al weet ik niet wie hij is.
'Hallo, met wie spreek ik?' Ik vraag het, ik roep het, ik weet niet hoeveel keer.
Ik hoor dat de man wil antwoorden, maar het lukt hem niet. Hij stikt bijna.
Dat gaat zo een paar minuten door. Dan wordt het even stil, hoor ik dat hij eindelijk wat lucht krijgt, en klinkt het heel zachtjes:
'Met Oom Jan…'

Oom Jan. Nu begrijp ik het. Oom Jan heeft al jaren de Ziekte van Parkinson, heeft steeds meer moeite met spreken, en is de laatste tijd erg verzwakt.
Hij is geen schim meer van de man die hij eens was. Een heer, de pater familias - dominant, erudiet, wilskrachtig, geridderd, onberispelijk uiterlijk, perfecte manieren. Iemand om tegenop te kijken.
Maar ook iemand die door zijn ijzeren discipline, autoritaire houding en perfectionisme een arrogantie uitstraalde waarmee hij heel wat vijanden maakte. Zowel op zijn werk - als directeur gaf hij leiding aan een groot aantal mensen - als privé. Zijn enige zoon had jaren geleden met hem gebroken en nooit meer iets laten horen. Te vaak gekleineerd, te weinig ruimte gekregen om de dingen op zijn manier te doen.
Ook nu zijn vader zo ziek is, weigert hij alle contact, de wonden zijn te diep.
En Oom Jan is te trots om op het eind van zijn leven nog schoon schip te maken.

'Dag Oom Jan. Wat kan ik voor u doen?'
'Is je moeder bij jou?, fluistert hij.
Mijn moeder, zijn zus, de enige naaste familie die hij nog heeft. Ik begrijp direct dat de situatie ernstig is. Waarom zou hij anders naar mij bellen om zijn zus zo snel mogelijk te spreken te krijgen? Maar ze is niet bij mij.

'Wil je haar vragen om mij gauw terug te bellen?', vraagt hij met een uiterste krachtsinspanning. Ik kan hem nauwelijks verstaan. Hij lispelt, hij fluistert, hij kan haast niet meer. Dan krijgt hij een vreselijke hoestbui, en begint het kreunen en hijgen opnieuw. Ik houd mijn hart vast.
Maar hij redt het weer net.
Hij zegt: 'Het gaat hier bijzonder slecht'.

Zijn laatste zin. Ik herhaal zijn verzoek en beloof mijn moeder te bellen.

'Dag Oom Jan', zeg ik. Terwijl ik het zeg, weet ik dat dit mijn afscheidswoorden tegen hem zijn. Ik leg de telefoon neer, en denk: Daar gaat mijn laatste oom. Ooit had ik er tien. In de loop der jaren zijn ze allemaal overleden. Oom Jan heeft het het langst volgehouden. Maar nu is hij 85, ziek en moegestreden. In zijn stem heb ik zijn doodsangst gehoord.

In de weken daarna verzwakt hij steeds verder. Uiteindelijk wordt hij in het ziekenhuis opgenomen. Daar voert hij een afschuwelijke doodsstrijd. Na drie lange dagen en nachten blaast hij zijn laatste adem uit.

Dan moeten de formaliteiten geregeld worden. Al gauw komt er een enveloppe boven water waarop Oom Jan heeft geschreven: 'Te openen na mijn overlijden.'
De inhoud is typerend voor de control freak die hij altijd is geweest. Hij heeft niets aan het toeval overgelaten, hij heeft alles vastgelegd: zijn testament, zijn begrafenis, de muziek tijdens de plechtigheid, het pak waarin hij begraven wil worden, de steensoort van zijn grafsteen, het opschrift op de grafsteen. Oom Jan is dood, maar hij speelt nog steeds de baas.

Tijdens de afscheidsdienst spreekt een Remonstrantse dominee. Hij heeft de laatste jaren veel contact gehad met Oom Jan. Hij heeft hem alleen maar ziek gekend.
Misschien is daarom het beeld dat hij schetst anders dan het beeld dat leeft bij de andere aanwezigen, die Oom Jan ook vroeger kenden, toen hij nog een voorname vip was en een Ridder in de Orde van Oranje Nassau.

Nu leren we een andere Oom Jan kennen, misschien eindelijk wel de echte Oom Jan: een zieke oude man die, ondanks zijn spreekproblemen, deelnam in een praatgroep over leren leven met de dood, die dol was op zijn achterkleinkind, die met zijn laatste krachten kunstexposities bezocht, die verdriet had om het verbroken contact met zijn zoon, die zich - ondanks zijn eigen ziekte - vol zorg en liefde ontfermd had over zijn dementerende vrouw.
Tot zijn laatste snik.

Eindelijk een Oom Jan waarvoor ik niet alleen respect voel, maar ook genegenheid. Omdat nog net op tijd het masker is afgevallen.

Even later sta ik naast mijn moeder bij het vers gedolven graf. De paar ogenblikken stilte duren lang. De zon brandt meedogenloos, het verdriet is groot.
Ik denk terug aan dat telefoontje, nu een maand geleden. Die doodsangst, die strijd om elke volgende ademtocht.
Dan zakt de kist in het graf.
Ik houd mijn moeder vast en voel haar verstijven als haar broer in de diepte verdwijnt. Dan herstelt ze zich, drukt zachtjes mijn hand weg, en zegt: 'Rust.'


Loes Gouweloos

Geen opmerkingen: