Iedereen in mijn klas had natuurlijk allang een brommer. De jongens een Puch, de meisjes een Mobylette. Alleen ik had nog steeds alleen maar een fiets.
Noch voor mijn zestiende, noch voor mijn zeventiende verjaardag kreeg ik het door mij zo fel begeerde motorrijwiel.
'Te duur', zeiden mijn ouders. Maar ik wist beter: ze vertrouwden me niet.
Ooit was ik van een schommel af gevallen. Gevolg: een gebroken arm. Sindsdien had ik de naam wild en roekeloos te zijn. En daarom moest ik blijven fietsen. Elke dag heen en weer naar school, meer dan 30 kilometer.
Pas toen ik al ruim 17 was, brak de weerstand van mijn ouders. Als ik zou slagen voor mijn eindexamen, zou ik van hen een (nieuwe!) brommer krijgen.
Dus in de zomer na mijn examen ging mijn droom eindelijk in vervulling. Ik kreeg een prachtige, glimmende brommer. Niet zo'n saaie grijze Mobylette zoals mijn vriendinnen hadden, maar een stijlvolle Batavette. Donkerblauw, met een prachtige zilveren metalen schijf die ronddraaide als je gas gaf. Ik weet niet waartoe hij diende, maar hij zat vlakbij de trappers en hij schitterde in het zonlicht. Maar jammer genoeg was ik net van school, dus ik kon er niet de ogen van mijn vrienden en vriendinnen mee uitsteken.
Gelukkig was mijn beste vriendin bereid de vernedering aan te gaan: direct nadat mijn brommer was afgeleverd, zouden we samen een lange tocht gaan maken. Zij op haar dertien-in-een-dozijn Mobylette, ik op mijn luxe blauw-met-zilveren Batavette.
Terwijl we ons startklaar maken, dribbelt mijn moeder nerveus om me heen:
'Kijk alsjeblieft uit dat je niet valt!'
'Ga niet te ver uit de buurt!'
'O o, wat zal ik blij zijn als je weer heelhuids thuis bent!'
Blij van mijn moeders gezeur bevrijd te zijn, scheur ik demonstratief zo hard mogelijk de straat uit.
Eindelijk begint het Grote Genieten. Het is stralend weer. Ik maak zo veel snelheid dat mijn haren strak naar achteren worden geblazen. Leontien van Moorsel is er niets bij. Ik scheer schuin hangend door de bochten.
Ik ben vrij - eindelijk vrij! Zelfs op zeventienjarige leeftijd besef ik de symboliek van deze vlucht vanuit mijn ouderlijk huis.
Bovendien ben ik vastberaden om voor eens en altijd het ongelijk van mijn ouders te bewijzen en mijn roekeloze imago voor goed van me af te werpen. Vanaf vandaag zullen ze me serieus nemen en respect voor me hebben!
Voordat we het weten, zijn we in de buurt van Gouda beland. Toch een pittig eindje, vanuit Rotterdam. We besluiten om Gouda onveilig te gaan maken. Bij een driesprong midden in de polders staan een paar wegwijzers.
Zonder te stoppen, speuren we naar de aanwijzing 'Gouda'. Ik test mijn behendigheid: het bord lezen, bijna stilstaan, maar toch mijn voeten niet op de grond zetten. Dit wordt het hoogtepunt van mijn debuutrit: een glorieuze sur-place.
'Kijk uit!', roept mijn vriendin.
Te laat.
Mijn blauwe Batavette glijdt onder me weg. Als in een slow-motion opname, zijg ik neer. In een greppel. Bovenop mijn brommer. Met mijn been bovenop die nog steeds ronddraaiende zilverkleurige metalen schijf.
Aanvankelijk hoor ik alleen een vreemd, slurpend geluid. Ik voel niets. Nog niet…
Maar als ik weer sta, begin ik wel wat te voelen. En vooral wat te zien. Een enorme ontvelde plek op mijn rechterdij, zeker 10 bij 15 centimeter groot. Het vel zit vastgeplakt op de draaischijf van mijn brommer.
Het eerste dat door me heen gaat is: Verdorie, nou heeft mijn moeder toch gelijk gekregen!
Pas daarna gaat de eerste pijnscheut door me heen. Een scherpe, schrijnende pijn, alsof er met scheermesjes in mijn dij wordt gesneden. Langzaam verschijnen ook de eerste bloeddruppels.
Ik bijt mijn tanden op elkaar. We rijden naar Gouda. Vandaar gaan we naar Haastrecht. Steeds weer verzin ik een nieuw doel, ik durf niet naar huis.
Tijdens het rijden inspecteer ik regelmatig mijn Batavette-been. De wond wordt steeds roder, gaat steeds meer pijn doen. Het lijkt ook net alsof hij steeds groter wordt.
'Hij heeft de vorm van Oostenrijk', zegt mijn bijdehante vriendin. 'Kijk, daar ligt Wenen, bij die grote bloeddruppel.'
Even later zegt ze dat ze genoeg heeft van onze eindeloze tocht. Ze heeft honger en ze wil naar huis.
Het is al bijna donker als ik mijn brommer in de kelder stal en vervolgens probeer om snel mijn kamer te bereiken, en - vooral - mijn moeder te ontlopen.
Maar zij staat breeduit in de deuropening, met de armen in de zij. En ook al probeer ik niet kreupel te lopen, ze ruikt al op tien meter afstand dat er iets niet pluis is. Voordat ik het weet, heeft ze mijn been te pakken.
Bij de aanblik van 'Oostenrijk', geeft ze een schreeuw van ontzetting. 'Zíe je nou wel?!'
Ik heb geen keus, ik kan niets terugzeggen, ze heeft gelijk gekregen.
Voor het eerst die dag krijg ik tranen in mijn ogen: de pijn van mijn ongelijk is veel schrijnender dan de pijn in mijn been.
Loes Gouweloos
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten