zondag 27 juli 2008

Relief

‘Niets is meer zoals vroeger’, hoor ik achter me zeggen. ‘Toen waren hier vaak symposia van een hele dag, georganiseerd door de Filosofische Faculteit. Zo heb ik hier prachtige lezingen gehoord over Martin Buber.
En dan die concerten! Ik herinner me een schitterende Schumann-recital, en er waren veel meer dergelijke zaken. Maar dat is nu allemaal verdwenen, die tijden komen nooit weerom.’

Het is niet eens wát de man achter me zegt, het is vooral zijn archaïsche taalgebruik en zijn zeer deftige accent. Zijn woorden zijn niet voor mij bestemd, maar voor de vrouw naast hem. Maar ik kan het niet laten, ik móet meeluisteren.

‘Ik herinner me ook nog het Holland Festival, dat zich destijds grotendeels op straat afspeelde. Prachtig! Maar dat is nu niet meer zo, al dergelijke zaken zijn getroffen door de bezuinigingen. En bovendien laten de studenten het afweten. Wat een culturele verarming!’ Hij slaakt een diepe zucht.

De vrouw probeert af en toe ook wat te zeggen, maar veel kans krijgt ze niet. En ze praat ook aanmerkelijk zachter dan de man. Het enige dat ik versta is: ‘Er zijn veel dingen van vroeger die jij mist hè?’
‘Inderdaad Mies, en daarom ben ik ook zo bijzonder verheugd dat je op mijn uitnodiging bent ingegaan. Dat geeft reliëf aan mijn dagelijks leven.’

Na deze poëtische volzin kan ik mijn nieuwsgierigheid niet langer bedwingen. Ik moet hem zien. Ik draai me om en kijk een paar seconden naar het stel achter me.
Zij is een onopvallende vrouw van een jaar of 55. Maar hij ziet er net zo bijzonder uit als hij klinkt: lange, golvende wit-grijze haren, diepliggende lichtblauwe ogen, een mager, ingevallen gezicht met scherpe lijnen, en een vuurrode wollen sjaal, die hij zorgvuldig – carefully nonchalant - over zijn schouders heeft gedrapeerd. Hij lijkt op een verlopen baron. Misschien ís hij wel baron. Hij ziet er in elk geval net te nadrukkelijk uit als bohémien om er echt een te zijn.

Tijdens het programma in de aula van de universiteit houdt de man keurig zijn mond dicht – zoals het een heer van stand betaamt.
Maar vlak voor het hoogtepunt van de middag zegt hij zacht iets tegen zijn buurvrouw. Ik hoor de klapstoelen omhoog gaan. Muisstil verlaten ze de zaal. Voor het zingen de kerk uit. Vreemd.

Als het programma afgelopen is, loop ik als een van de eersten de zaal uit. In de grote hal tegenover de aula zie ik hem weer. Hij zit op een houten stoel, en hij heeft alvast een glas sherry en een zalmtoastje gepakt, hoewel de receptie nog niet is begonnen. Hij doet alsof hij het programmaboekje bestudeert.
De stoel naast hem is leeg. Mies is weg.

Hebben ze ruzie gekregen? Had ze genoeg van zijn sombere monologen? En: waarom is hij zelf ook niet weggegaan?
Ik zie dat hij stiekem boven zijn programmaboekje uit zit te gluren naar de mensen die de zaal verlaten. Op zoek naar een nieuw slachtoffer? Een nieuwe Mies?

Als zijn blik de mijne bijna ontmoet, trek ik mijn kraag omhoog en loop snel naar buiten.
Mij niet gezien. Hoe zou ik, die nog nooit naar een Schumann-recital ben geweest, ooit reliëf kunnen geven aan zijn dagelijks leven?


Loes Gouweloos

Geen opmerkingen: