Stikjaloers was ik! Op mijn vriendinnetje Noortje. Trots zag ik haar rondrijden op haar gloed-nieuwe, glimmende fiets. Een prachtig ding: blinkend zwart, met een Mickey Mouse-bel en zelfs met een echte bagagedrager met echte snelbinders.
Voor gek stond ik! Als ik met Noortje naar het eind van onze straat reed. Zij op haar schitterend mooie fiets, ik op die stomme autoped van me.
Een zeurpiet was ik! Volgens mijn ouders. Want al jaren zeurde ik bij hen om een eigen fiets. Maar die was te duur en bovendien was ik nog te jong, zeiden ze. Dat kwam later wel.
Te jong? Ik was al zes!
Maar mijn ouders hadden weinig geld, dus een fiets kon er niet af.
Zeker niet na de geboorte van mijn kleine broertje.
'Noortje is enig kind, daarom kunnen haar ouders van die dure dingen voor haar kopen,' legde mijn vader uit. 'Maar wij moeten eten en kleren kopen voor jou en voor Rientje, dus daarom krijg jij niet van die dure dingen als Noortje'.
Morrend schik in me in mijn lot. Voorlopig kan ik alleen maar dromen van een eigen fiets.
Maar dan, vlak voor mijn zevende verjaardag, komt opeens de kans om mijn droom te verwezenlijken.
Ik ben lekker aan het buiten spelen, met Noortje. Het is mooi weer, veel te mooi om binnen te zitten.
Dan roept mijn moeder me vanaf het balkon. Ze moet even weg en ik krijg de opdracht om op mijn kleine broertje te passen.
'Denk erom, je moet steeds bij hem blijven en goed opletten', drukt mijn moeder me op het hart. 'Jij bent de oudste, jij bent verantwoordelijk.'
En weg is ze.
'Verantwoordelijk'? Wat is dat?
Ik begrijp het niet. En ik vind het maar niks dat ik met dat mooie weer binnen moet blijven. Mijn broertje slaapt, er valt helemaal niets op te passen.
Verveeld ga ik voor het open raam staan. Buiten rijdt Noortje. Het enig kind. Op haar jaloeziewekkende gitzwarte fietsje.
'Kom je ook?' roept ze.
'Dat kan niet', roep ik terug, 'ik moet op Rientje passen!'
Noortje knijpt in de remmen en vraagt: 'Mag ik boven komen? Ik vind babietjes zo leuk! Ik wil naar jouw broertje komen kijken.'
En dan, terwijl ik 'ja' roep, krijg ik een idee.
Vijf minuten later pedalleer ik glimmend van trots door de straat. Op een prachtig, gitzwart fietsje.
Noortje is in geen velden of wegen te bekennen, van haar zal ik voorlopig geen last hebben. Want ook zíj geniet.
Het was zo gebeurd: even een deken om een slapende baby wikkelen is geen kunst voor twee meisjes van zes. En hem eendrachtig naar de overkant van de straat dragen ook niet. 'Gelijk oversteken', heet dat geloof ik.
Daar, op drie hoog, slaapt Rientje gewoon verder. Op het grote bed van Noortje. Die zit stralend naast hem, ze kan haar ogen niet afhouden van mijn broertje. Ze droomt dat het voortaan haar eígen broertje is en ze heeft de middag van haar leven.
Ik ook. Onvermoeibaar rijd ik rondjes om ons flatgebouw. Ik stuur met één hand. Ik ga op de bagagedrager zitten. En elke voorbijganger trakteer ik vol overgave op een vrolijke riedel van mijn Mickey Mouse-bel.
Kijk, daar in de verte komt wéér iemand aan, een mevrouw. Enthousiast begin ik te bellen, trots ga ik op de trappers staan, ik maak nog even extra veel vaart.
De mevrouw is mijn moeder.
'Wat doe jíj hier? Waar is Rientje?!'
Ik heb haar nog nooit zo hard horen schreeuwen.
'Die heb ik aan Noortje gegeven', antwoord ik.
Vijf minuten later zit ik in mijn kamertje. Ik mag er de hele dag niet meer uit komen en ik moet zonder eten naar bed.
Buiten voert mijn moeder een verhit gesprek met de moeder van Noortje.
Ik begrijp er niets van.
Noortje ook niet.
We hadden toch eerlijk geruild?!
Loes Gouweloos
zondag 27 juli 2008
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten