zondag 27 juli 2008

Sigarentrauma

Als kind had ik zware bronchitis. Altijd kwam ik lucht te kort, ik werd 's nachts vaak wakker van het gepiep in mijn luchtwegen. Elke maand was ik minstens een week ziek: hoge koorts, verplichte bedrust, ademnood. Maar ook als ik niet ziek was, had ik het voortdurend benauwd.
Het ergste was dat als mijn Oom Chiel op bezoek kwam. Die rookte heel dikke Churchill-sigarenl. Zodra hij zijn jas en hoed had opgehangen, haalde hij zijn sigarenkoker tevoorschijn.

'Jij ook een?', vraagt hij aan mijn vader. Die neemt dat aanbod gretig aan. Zelf rookt hij gewone huis-tuin-en-keukensigaren, dus deze zondagse feestsigaren van zijn oudste broer zijn een echte traktatie voor hem.
Dan volgt het Heilige Ritueel, en dat zal die middag nog talloze keren herhaald worden:
Eerst voorzichtig het bandje losmaken. Dan de sigaar dwars onder de neus houden, en met gesloten ogen verlekkerd de geur van het tabaksblad opsnuiven. Dan een onderling knikje van verstandhouding: wat ruikt ie weer heerlijk, wat zal ie ons weer smaken! Dan halen Oom Chiel en mijn vader allebei hun sigarentangetje tevoorschijn. Omzichtig wordt het puntje van de sigaar afgeknipt en in de asbak gelegd. Tenslotte worden de twee sigaren uiterst gecon-centreerd en precies tegelijk aangestoken. Met een lucifer - aanstekers zijn heiligschennis.

En dan begint het Grote Mannengenot. Terwijl hun vrouwen koffie drinken en koekjes eten, houden de heren zich bezig met hogere zaken. Ze spreken over politiek, over de valutakoersen, over schaken en over klassieke muziek. Interessant, maar hun echte genot halen ze uit hun sigaren. Af en toe wordt er voorzichtig wat as afgeklopt, dat dan verdwijnt in een voor die tijd hypermoderne draaiasbak, die ze de beide broers broederlijk tussen zich in hebben neergezet.

Ik zit erbij en kijk ernaar. Naar hoe het in onze huiskamer steeds blauwer gaat staan van de rook. Naar mijn moeder en tante die zich de brandende ogen uitwrijven maar die niets zeggen. Ze zouden niet durven!

Ik durf ook niet. Mijn toch al zwakke bronchiën krijgen het nog meer te kwaad. Ik word kortademig, ik moet steeds meer moeite doen om een hoestbui te onderdrukken, mijn ogen doen pijn, en ik word almaar kwader omdat mijn bronchitis en ik zo wreed worden genegeerd.
Maar ik zeg niets: de sigaren van Oom Chiel kosten een kapitaal en ik weet dat ook ik hoor te genieten van de exquise geur van deze peperdure sigaren. Daarom doe ik mijn uiterste best om niet te laten zien hoeveel pijn mijn ogen doen. Ik hoest zo gedempt mogelijk. Nog even volhouden, dat gaat mijn oom naar huis en zal mijn moeder onmiddellijk alle ramen openzetten.

Maar dan, op een zondag in maart, houd ik het echt niet meer uit: mijn benauwdheid en woede winnen het van mijn beleefdheid: ik sta op, ren de kamer uit, sla demonstratief keihard de deur achter me dicht en vlucht naar mijn kamer. Ik val neer op mijn bed, probeer letterlijk en figuurlijk op adem te komen, en laat mijn tranen
de vrije loop.

Dan komt mijn moeder binnen. Ze negeert mijn tranen en bijt me toe:
'Doe niet zo onbeleefd! We hebben visite, dan hoor jij niet weg te lopen!'
Ze pakt me bij mijn arm en brengt me weer terug naar beneden:
'Loesje moest even wat aan haar huiswerk doen. Maar nu komt ze er weer gezellig bij zitten. Hè, Loesje?'
Ze wendt zich tot mij en vervolgt: 'Oom Chiel blijft eten, gezellig he? Dan kunnen we vanavond nog een paar potjes scrabble spelen. En jij mag meedoen!'

Loes Gouweloos

Geen opmerkingen: