Oudejaarsavond 1956.
In mijn pyjama zit ik voor de kolenkachel. Ik mag wat later opblijven en ik eet oliebollen, samen met mijn ouders.
‘Ik kan best opblijven tot 12 uur’, probeer ik.
‘Och kind, dat is veel te laat voor jou, daar ben je nog te klein voor. Straks stoppen we je in bed, en dan maken we je om 12 uur wakker om naar het vuurwerk te kijken.’
Verder tegenstribbelen heeft geen zin. Ik moet naar bed en lig urenlang klaarwakker, vol verwachting uitkijkend naar het vuurwerk.
Terwijl de vuurpijlen door de lucht vliegen, maakt mijn vader een paar uur later een fles champagne open.
Maar ik krijg er geen druppel van.
Voor mij hebben mijn ouders speciale ‘kinderchampagne’ gemaakt – een zoetig goedje met bubbeltjes.
‘Voor echte champagne ben je nog te klein’, zeggen ze.
Aan de ene kant ben ik helemaal opgewonden door het vuurwerk en het feestelijke gevoel zo laat op te zijn. Aan de andere kant voel ik me als een klein kind behandeld.
‘Volgend jaar ben ik zeven’, zeg ik, ‘en dan wil ik de hele avond op blijven. Ik kan heus wel tot 12 uur wakker blijven. Dat haal ik best.’
Oudejaarsavond 2006.
Ik ben bij mijn ouders op bezoek. ‘Kom maar een paar uurtjes’, hebben ze gezegd, ‘want de hele avond is voor ons te vermoeiend.’
‘Oké, en halen jullie maar niks in huis. Ik neem wel champagne mee.’
‘Och kind, dat drinken we allang niet meer. Daar kunnen we niet meer tegen, en we mogen ook geen alcohol met al die medicijnen die we slikken.’
Gelukkig vind ik bij Albert Heijn een alternatief: een fles die eruitziet als een champagnefles, maar hij is gevuld met appelsap met bubbeltjes.
‘Nul procent alcohol, speciaal voor kinderen’, staat er op het etiket.
Bij mijn ouders thuis, pak ik voor ons alledrie een oliebol en schenk de ‘Champomy’ in.
Ze nemen wat achterdochtig hun eerste slokje van het mierzoete spul. Maar het valt hen mee: ‘Mmm, best lekker.’
‘Zullen we een potje scrabble spelen, zoals vroeger?’, vraag ik.
‘Och kind, dat kunnen we toch niet meer’, zegt mijn moeder.
Mijn vader zegt niets. De hele avond al. Hij zit met gesloten ogen in zijn stoel. Ingevallen wangen, bleek, krom, dodelijk vermoeid. Poedersuiker naast zijn mond en op zijn das.
‘Laat hem maar’, zegt mijn moeder.
Hij doet zijn ogen half open: ‘Ik denk dat ik maar een paar uur naar bed ga’, zegt hij met krachteloze stem, ‘dan kan ik nog wat slapen voordat het vuurwerk begint.’
Bij het vertrek omhels ik mijn moeder. Als ik mijn vader zijn nieuwjaarsknuffel wil geven, zegt hij met neergeslagen blik en een beschaamd glimlachje: ‘Ik sta niet op hoor’.
De volgende dag belt mijn moeder me op, om me voor de derde keer een Gelukkig Nieuwjaar te wensen. Voor de derde keer wens ik ook haar het allerbeste.
‘Och, het allerbeste…’, zegt ze. ‘Het zal nu echt niet lang meer duren. Maar in mei zijn we zestig jaar getrouwd. Dat willen we nog wel proberen te halen.’
Loes Gouweloos
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten