zaterdag 26 juli 2008

Oom Jan

Mijn eerste impuls is om de hoorn op de haak te gooien. Weer zo'n smerige hijger aan de telefoon. Maar ik doe het niet. Want ik voel dat dit geen 'gewone' hijger is. Dit lijkt eerder iemand in doodsnood.

Aan de andere kant van de lijn hoor ik een zwaar kreunende man, een man die naar lucht hapt, die vergeefs probeert in te ademen. Zijn angst en paniek slaan op mij over, ook al weet ik niet wie hij is.
'Hallo, met wie spreek ik?' Ik vraag het, ik roep het, ik weet niet hoeveel keer.
Ik hoor dat de man wil antwoorden, maar het lukt hem niet. Hij stikt bijna.
Dat gaat zo een paar minuten door. Dan wordt het even stil, hoor ik dat hij eindelijk wat lucht krijgt, en klinkt het heel zachtjes:
'Met Oom Jan…'

Oom Jan. Nu begrijp ik het. Oom Jan heeft al jaren de Ziekte van Parkinson, heeft steeds meer moeite met spreken, en is de laatste tijd erg verzwakt.
Hij is geen schim meer van de man die hij eens was. Een heer, de pater familias - dominant, erudiet, wilskrachtig, geridderd, onberispelijk uiterlijk, perfecte manieren. Iemand om tegenop te kijken.
Maar ook iemand die door zijn ijzeren discipline, autoritaire houding en perfectionisme een arrogantie uitstraalde waarmee hij heel wat vijanden maakte. Zowel op zijn werk - als directeur gaf hij leiding aan een groot aantal mensen - als privé. Zijn enige zoon had jaren geleden met hem gebroken en nooit meer iets laten horen. Te vaak gekleineerd, te weinig ruimte gekregen om de dingen op zijn manier te doen.
Ook nu zijn vader zo ziek is, weigert hij alle contact, de wonden zijn te diep.
En Oom Jan is te trots om op het eind van zijn leven nog schoon schip te maken.

'Dag Oom Jan. Wat kan ik voor u doen?'
'Is je moeder bij jou?, fluistert hij.
Mijn moeder, zijn zus, de enige naaste familie die hij nog heeft. Ik begrijp direct dat de situatie ernstig is. Waarom zou hij anders naar mij bellen om zijn zus zo snel mogelijk te spreken te krijgen? Maar ze is niet bij mij.

'Wil je haar vragen om mij gauw terug te bellen?', vraagt hij met een uiterste krachtsinspanning. Ik kan hem nauwelijks verstaan. Hij lispelt, hij fluistert, hij kan haast niet meer. Dan krijgt hij een vreselijke hoestbui, en begint het kreunen en hijgen opnieuw. Ik houd mijn hart vast.
Maar hij redt het weer net.
Hij zegt: 'Het gaat hier bijzonder slecht'.

Zijn laatste zin. Ik herhaal zijn verzoek en beloof mijn moeder te bellen.

'Dag Oom Jan', zeg ik. Terwijl ik het zeg, weet ik dat dit mijn afscheidswoorden tegen hem zijn. Ik leg de telefoon neer, en denk: Daar gaat mijn laatste oom. Ooit had ik er tien. In de loop der jaren zijn ze allemaal overleden. Oom Jan heeft het het langst volgehouden. Maar nu is hij 85, ziek en moegestreden. In zijn stem heb ik zijn doodsangst gehoord.

In de weken daarna verzwakt hij steeds verder. Uiteindelijk wordt hij in het ziekenhuis opgenomen. Daar voert hij een afschuwelijke doodsstrijd. Na drie lange dagen en nachten blaast hij zijn laatste adem uit.

Dan moeten de formaliteiten geregeld worden. Al gauw komt er een enveloppe boven water waarop Oom Jan heeft geschreven: 'Te openen na mijn overlijden.'
De inhoud is typerend voor de control freak die hij altijd is geweest. Hij heeft niets aan het toeval overgelaten, hij heeft alles vastgelegd: zijn testament, zijn begrafenis, de muziek tijdens de plechtigheid, het pak waarin hij begraven wil worden, de steensoort van zijn grafsteen, het opschrift op de grafsteen. Oom Jan is dood, maar hij speelt nog steeds de baas.

Tijdens de afscheidsdienst spreekt een Remonstrantse dominee. Hij heeft de laatste jaren veel contact gehad met Oom Jan. Hij heeft hem alleen maar ziek gekend.
Misschien is daarom het beeld dat hij schetst anders dan het beeld dat leeft bij de andere aanwezigen, die Oom Jan ook vroeger kenden, toen hij nog een voorname vip was en een Ridder in de Orde van Oranje Nassau.

Nu leren we een andere Oom Jan kennen, misschien eindelijk wel de echte Oom Jan: een zieke oude man die, ondanks zijn spreekproblemen, deelnam in een praatgroep over leren leven met de dood, die dol was op zijn achterkleinkind, die met zijn laatste krachten kunstexposities bezocht, die verdriet had om het verbroken contact met zijn zoon, die zich - ondanks zijn eigen ziekte - vol zorg en liefde ontfermd had over zijn dementerende vrouw.
Tot zijn laatste snik.

Eindelijk een Oom Jan waarvoor ik niet alleen respect voel, maar ook genegenheid. Omdat nog net op tijd het masker is afgevallen.

Even later sta ik naast mijn moeder bij het vers gedolven graf. De paar ogenblikken stilte duren lang. De zon brandt meedogenloos, het verdriet is groot.
Ik denk terug aan dat telefoontje, nu een maand geleden. Die doodsangst, die strijd om elke volgende ademtocht.
Dan zakt de kist in het graf.
Ik houd mijn moeder vast en voel haar verstijven als haar broer in de diepte verdwijnt. Dan herstelt ze zich, drukt zachtjes mijn hand weg, en zegt: 'Rust.'


Loes Gouweloos

Niet echt

In haar ene hand heeft ze een waterijsje. Haar andere kleverige hand rust in de mijne. Gezellig een dagje uit, samen met haar tante naar het Archeon. We kijken naar een Romeins gladiatorengevecht. Femke leeft hevig mee. Ik ook. We zijn allebei voor de 'schurk', degene die het slechtst ligt bij de meerderheid van het publiek. Dat schept een band.
Zeker als hij wordt ontwapend en languit in het zand valt. Zijn tegenstander heft het zwaard, klaar om de doodsteek uit te delen.

'Stop!' roept de scheidsrechter. 'Het publiek mag beslissen of hij dood moet gaan of mag blijven leven. Wie wil dat hij blijft leven, steekt zijn duim omhoog, en wie wil dat hij dood gaat, houdt zijn duim omlaag.'
Vastberaden maakt Femke haar hand los uit de mijne, vastberaden steekt ze een parmantig duimpje de lucht in. Tante is trots.

Helaas vormen we opnieuw een minderheid, onze held krijgt maar weinig stemmen, hij moet dood.
Zijn tegenstander trekt hem overeind en gaat achter hem staan. Toch nog onverwacht snijdt hij met zijn zwaard de keel open van onze favoriet. Die stort neer, terwijl het bloed uit zijn nek spuit.
Ik schrík ervan. Dit is wel erg realistisch voor een publiek dat grotendeels uit jonge kinderen bestaat. Zoals Femke, die is pas vijf. Gauw pak ik haar hand weer vast. Ze voelt mijn schrik en kijkt me glimlachend aan.
'Het is niet écht hoor Loes', stelt ze me gerust, 'het is gewoon tomatenketchup.'

Een uur later ben ik weer thuis en zet ik de televisie aan. Ik zie nog net het eind van het journaal, Harmen Siezen meldt: 'Zojuist bereikt ons het bericht dat Pim Fortuyn is neergestoken.'
Ik probeer niet te schrikken. Een messteek loopt vaak goed af.
Maar al een paar minuten later wordt het nieuws herzien, Fortuyn is niet neergestóken maar neergeschóten. Weer wat later meldt Siezen: 'Hij is geraakt in hoofd, hals en borst.'

Dan breekt er een uur aan waarin heel Nederland balanceert tussen hoop en vrees. We zien verontrustende beelden van een half ontkleed lichaam waarop ambulancebroeders hartmassage toepassen, we horen getuigen die snikkend vertellen dat Fortuyn er levenloos bij ligt. Niemand denkt nog aan of hij het wél of niet eens was met zijn denkbeelden. Iedereen is verbijsterd en wil alleen maar dat het niet echt is.
Het is bijna acht maanden na 11 september 2001 en opnieuw geloven we het niet.
Dit kán niet waar zijn. Een politieke moord, in Nederland.
Kennedy, Martin Luther King, de beelden staan na al die jaren nog op ons netvlies. Maar dat was in Amerika, hier gebeurt zoiets niet.

Het officieuze nieuws wordt officieel: Pim Fortuyn is dood. Nóg geloof ik het niet.

Maar dan komen er nieuwe beelden. Ik zie hem op de grond liggen, eenzaam en alleen, middenop een verlaten parkeerplaats. Lijkbleek, ogen dicht, een witte doek om zijn hoofd, kogelwonden in zijn hals en zijn hoofd. En om hem heen een grote plas bloed.

Voor de tweede keer deze dag verstijf ik van schrik.
Femke, waar ben je?!


Loes Gouweloos

Muur

Ik sta op de Postdamer Platz in Berlijn. Urenlang zoek ik naar de plek waar ik twaalf jaar geleden heb staan huiveren van ontzetting.

Toen was het 4 mei 1989: voor het eerst in mijn leven stond ik voor de Berlijnse Muur. Het was koud, het regende, en in Nederland vond op dat moment de Dodenherdenking plaats.
Maar nog triester was de aanblik van die muur: onaantastbaar, middenop de Potsdamer Platz, bovenop de rails waar vroeger de tram overheen reed. Achter de Muur wacht-torens met gewapende soldaten, honderden rollen prikkeldraad, en in de verte - aan de oostkant - nóg een muur.
Al talloze keren had ik hem op tv gezien. Maar de werkelijkheid is altijd echter.
Pas nu ik hem zag, nu ik hem kon aanraken, nu ik fysiek voelde hoe sterk en ondoordringbaar hij was, pas nu voelde ik ook: die zal hier nog heel lang staan, het is ondenkbaar dat die Muur snel zal verdwijnen.

Mijn zoektocht is vergeefs: alles hier is onherkenbaar veranderd. Waar eens de Muur stond, pronken nu hypermoderne wolkenkrabbers, bioscopen, een casino, de onvermijdelijke McDonalds, en talloze cafés. Op de terrassen doen Berlijners en toeristen zich te goed aan Duitse biertjes en uitgebreide maaltijden. De welvaart is oogverblindend en indrukwekkend.
De vroegere grens is onzichtbaar geworden. Hardwerkende Oost- en West-Duitsers hebben in korte tijd een heel nieuw stadscentrum uit de grond gestampt, zij aan zij -één land, één volk.

Al die verhalen over de discriminatie van Oost-Duitsers in dit herenigde land - ik kan en wil ze niet geloven als ik zie wat ze hier samen tot stand hebben gebracht, en hoe ze hier samen in de zon op de terrasjes zitten te genieten.

In een souvenirwinkeltje staat achter de toonbank een oudere vrouw: sjofel gekleed, een onverzorgd uiterlijk, een doffe blik in haar ogen. Het Oost-Berlijnse type: arm, hardwerkend en zonder perspectief.
Ik vraag haar om postzegels voor verzending van wat ansichtkaarten naar Nederland. Opeens lichten haar ogen op: 'Dat maakt geen verschil meer', zegt ze.
En dan: 'Wir sind jetzt doch allen Europäische Union!'.
Ze zegt het trots, aan haar stem hoor ik dat ze blij is dat ze er nu echt bij hoort.
'Ja, mooi hè, dat de Muur nu weg is, dat alle Duitsers weer gelijk zijn?, zeg ik.

'Alle Duitsers gelijk?', klinkt het kwaad en verbitterd. 'Ik ben trots dat we bij Europa horen. Alle Europese toeristen die hier komen, zijn vriendelijk tegen ons.
Maar de West-Duitsers zijn hoogharig, arrogant, ze smijten het geld op de toonbank en zeggen niets, ze keuren ons geen blik waardig. Ze snauwen ons af, we krijgen de minste baantjes, we zijn tweederangsburgers.
Muur of geen Muur, ze kijken nog steeds neer op ons 'Ossies'. In ons eigen land horen we er nog altijd niet bij. En dat zal nog heel lang zo blijven.'

Even later sta ik weer buiten. Maar ik sta vooral weer met beide benen op de grond: de Muur is weg, maar de kloof is groter dan ooit.


Loes Gouweloos

Minister-President

“Meneer Gouweloos”, vraagt de piepjonge keuringsarts, “wanneer heeft u voor het laatst auto gereden?”
“Meneer Gouweloos? Hoort u me? U bent hier toch voor uw rijbewijskeuring? Wanneer heeft u voor het laatst auto gereden?!”“Oh…uh…ja, ik ben doof. Aan één oor maar hoor. Verder mankeer ik niets. Ik ben in mijn hele leven nog niet ziek geweest, ik heb zelfs nooit griep gehad.”
“Ik zie hier anders in de gegevens van uw huisarts dat u vier jaar geleden een hartinfarct hebt gehad.”
“Een wat?““Een hartinfarct”.Hulpeloos staart hij voor zich uit. “Uh, o ja. Maar daar weet ik niets meer van. Toen was ik bewusteloos.”

Bewusteloos, pa?
Hoeveel keer heb je me niet trots verteld dat je geen sekonde buiten bewust-
zijn bent geweest? Dat je zelf 112 hebt gebeld en haarfijn hebt uitgelegd wat je
voelde. Dat ze binnen vijf minuten aanwezig waren, je de kleren van je lijf
hebben gerukt en een ECG hebben gemaakt. Dat je in een ambulance met gillende
sirene naar het ziekenhuis bent gebracht. Dat je toen bang was dat je dood zou
gaan in de ziekenwagen en dat je die angst nooit meer zult vergeten.
En daar weet je nu niets meer van?...

“Weet u de naam van de minister-president?”
“Van wie?”
“Van de minister-president, van de baas van ons land.”
“O, die. Ja, hoe heet ie ook alweer? Ik zie hem voor me. Uh…. Nee, ik weet het niet.”
“En hoe heet de koningin?”
Opnieuw duurt het zeker tien seconden voordat de vraag is doorgedrongen, alsof hij in een andere wereld leeft waar de klanken uit onze wereld vertraagd en verzwakt doordringen.
Heel zacht en heel langzaam zegt hij:“De koningin? Ja… Die was eerst prinses. Wacht even hoor. Juliana?…”
“Nee meneer Gouweloos, dat was de vorige koningin. Wie is nú de koningin?”
“Wacht, wacht… ik wéét het: Beatrix!”
“Góedzo meneer Gouweloos!”“Nu geef ik u een papiertje en een pen. Ik wil dat u daarop een wijzerplaat tekent. Nee nee, veel groter. Juist.
En nu moet u de wijzers zo tekenen dat ze op twaalf uur staan.”

Waarom zég je verdomme niks, pa?!
Waar is je trots gebleven? Je scherpe geest? Je scherpe tong?
Waarom zeg je niet dat ze kan doodvallen met haar wijzerplaat?
Dat je geen klein kind bent?
Waarom geef je haar niet de volle laag zoals je dat vroeger zo vaak bij
mij hebt gedaan?
Je kon me tot in het diepst van mijn ziel kwetsen.
Nu doe je dat weer, opnieuw onbewust. Maar nu doet het veel meer pijn dan
vroeger. Want nu ben je mijn vader niet meer. Ik herken je niet meer.

Als een brave, gehoorzame kleuter, tekent mijn vader met een magere, bibberende hand twee strepen die naar boven wijzen. Tergend langzaam. Het puntje van zijn tong hangt uit zijn mond.
“Goedzo!”
“Ja, goed he?”, probeert hij met een onhandig lachje.
“Zeker. Maar toch, meneer Gouweloos, u zei net dat u nooit ziek bent geweest. Maar dat is niet waar. Ik lees hier dat u kort geleden zelfs heel ernstig ziek bent geweest. U heeft twee weken in het ziekenhuis gelegen.”
“O, dat… Dat stelde niks voor. Ze hebben alleen een slangetje in mijn buik gedaan.”
“Waarom hebben ze dat gedaan?”

Vertwijfeld kijkt hij de arts aan.
“Hoe heet dat slangetje?”

Een catheter, pa! Zég het nou!

"Het is gewoon een slangetje….”
Zijn stem klinkt steeds onzekerder en wanhopiger. Hij voelt dat dit misgaat, dat hij afgaat, maar hij kan niets doen om het tij te keren.

“Meneer Gouweloos, ik ga dit formulier naar eer en geweten invullen en dan stuur ik het naar het CBR. U moet er rekening mee houden dat uw rijbewijs niet wordt verlengd.”
“Oh. Nou, jammer…”

Jammer, pa? Jámmer?!
Een kwartier geleden vertelde je me nog dat je wereld zou instorten als je geen
auto meer mag rijden. Dat je de auto heel erg zult missen, omdat die het
laatste beetje vrijheid is dat je nog hebt.
Ik wil niet alleen maar thuis in een stoel zitten, dat is geen leven meer”,zei
je, “dan ben ik liever dood.”


“Hoe ging het?”, vraagt mijn moeder gespannen, als ik mijn vader na afloop weer thuis aflever.
“Balkenende!”, klinkt het opeens triomfantelijk, “nu weet ik het weer!”
Hoofdschuddend kijkt mijn moeder naar mij.
“Hij wordt steeds warriger”, fluistert ze, “soms begrijp ik echt niet waar hij het over heeft. Bálkenende…"
"Maar zijn ogen zijn nog goed. Ik hoop zo dat dat rijbewijs nog één keer wordt verlengd. Al is het maar voor een jaartje.”


Loes Gouweloos

De Fortuynformule

'Spijt? Nee, dat niet. Maar het is wel een beetje uit de hand gelopen'.
'Een beetje? 17 zetels in de Gemeenteraad! Hoe moet dat nou verder?'
'Daar hadden ze eerder aan moeten denken. Ze hebben er al die jaren een rotzooitje van gemaakt.'
'Wat voor rotzooitje dan? De welvaart is nog nooit zo hoog geweest.'
'Ja, dat is economie, maar er is meer.'
'Wat dan?'

'Wát dan? Wát dan?! Als ik door mijn stad loop, door de buurten waar ik vroeger heb gewoond, dan zie ik geen ene blanke meer.
Ik versta niemand. Ik voel me niet veilig. In de straten waar ik vroeger voetbalde, liggen nu de junks in de portieken.'
'Ja maar…'
'En die politici maar zeggen dat alles goed gaat. Maar onderhand loopt alles uit de klauw.
De helft van Rotterdam is zwart en als het zo doorgaat is over 20 jaar de hele stad zwart.'
'Nou, en?'
'Jij begrijpt dat niet! Je lijkt je moeder wel, die is het er ook helemaal niet mee eens.'

'Ik begríjp het wel Pa, maar het helpt niet.'
'In ieder geval probéér ik iets, ik wil ze waarschuwen. Het kan zo niet verder. Ik ben hier geboren en getogen, en ik herken mijn stad niet meer. En Fortuyn is ook een Rotterdammer, die begrijpt dat, die voelt dat ook zo.'
'Maar oplossingen heeft hij niet.'
'Hij laat er tenminste niet nóg meer bij komen. Je moet érgens beginnen.'

'Ik zal het allemaal niet meer meemaken, maar als er niks gebeurt, gaat de hele boel naar de verdommenis.'
'Ik ben geen racist, die mensen kunnen er ook niks aan doen.
Maar ík ben er ook nog. En ik herken niks meer terug. Het is mijn stad niet meer…'


Loes Gouweloos

Mijn oude school

's Morgens word ik wakker door het ANP-nieuws op de wekkerradio:
"In Rotterdam is de brandweer met groot materieel uitgerukt om een brand te blussen in een school aan de Bergsingel. Gevreesd wordt dat het oude, monumentale gebouw niet meer te redden valt".

De Bergsingel in Rotterdam, denk ik verschrikt, daar stond mijn hbs.
Aan de Bergsingel stond nog één andere school, en de hele dag hoop ik dat het díe is die in brand is gevlogen.
Maar 's avonds zie ik een foto in de krant, zie ik de beelden op het journaal, en wordt mijn vrees bewaarheid: de vlammen slaan metershoog uit het oude dak, dikke zwarte wolken hangen boven het gebouw. En het is het gebouw van mijn hbs…
Verslaggevers praten met giechelende leerlingen van de inmiddels Analisten-School. Ze zijn in hun witten jassen naar buiten gerend en hebben goede hoop dat ze voorlopig lekker niet naar school hoeven.
Zij lachen, maar ik huil.

Het is al meer dan dertig jaar geleden dat ik eindexamen deed, en ik ben er nooit meer terug geweest. Wel nog af en toe eens langs gereden, en dan ging altijd mijn hart weer open.
Ik heb vijf jaar op die school gezeten. Het waren vijf heel belangrijke en vooral heel mooie jaren in mijn leven. Jaren die me voor altijd hebben gevormd.
Van je twaalfde tot je zeventiende maak je veel dingen voor het eerst mee, en dus maken die allemaal een diepe indruk.
En: je gaat naar zo'n school als kind, en als je er vijf jaar later af gaat, ben je bijna volwassen.
Het waren vijf jaren waarin meer gebeurd is dan in elke andere vijf jaren in mijn leven.

Afkomstig uit een benauwende nieuwbouwwijk aan de rand van Rotterdam, waar nooit iets gebeurde, kwam ik op mijn twaalfde opeens op een school in het oudere deel van de stad.
Alleen al door de lange fietstocht erheen, had ik het gevoel dat ik helemaal 'los' was van thuis als ik op school was.
Dat gevoel werd nog versterkt door de nieuwe wereld die daar voor mij open ging: voor het eerst vreemde talen leren, en kunstgeschiedenis, en muziek. Discussies over politiek, excursies naar musea en theaters, het kon niet op. Ik had het gevoel alsof ik na twaalf jaar nu pas terecht was gekomen in een omgeving waar ik thuis hoorde. Ik zoog alles op als een spons.
Dit was mijn wereld.

En dan nog alle 'randverschijnselen'. Voor het eerst hevig verliefd, eerst op een leraar, toen op een klasgenoot. De klassefeesten op de bovenste verdieping van de school: 'slijpen' op jaren '60 ballads, temidden van druipkaarsen in lege wijnflessen onder grote kluwens visnetten. Zeer opwindend als je 14 bent.
Dat gebeurde allemaal op die grote houten zolder van de hbs.

Uit diezelfde zolder zie ik nu op het journaal de vlammen slaan. De analisten hebben er hun chemicaliën opgeslagen, dus dat wil wel.
De brandweer kan een deel van het gebouw redden, maar er wordt gevreesd dat de schade zo groot is dat het toch moet worden afgebroken.

Het is natuurlijk de herinnering die telt, niet zo'n stenen gebouw.
Maar voordat de boel wordt afgebroken, ga ik er toch nog maar gauw één keer naar toe.
Nog één keer kijken naar mijn oude school.


Loes Gouweloos

Middenstandsmietsen

Volkomen argeloos had ik een korte vakantie geboekt naar de Weerribben: een paradijselijk plassengebied, dat ik graag eens met eigen ogen wilde aanschouwen.
Maar toen ik in mijn kennissenkring vertelde over het tripje waarop ik me zo verheugde, kwamen de verhalen. Verhalen over knutten: piepkleine mugjes, die vooral voorkomen in waterrijke gebieden, en die met honderden tegelijk aanvallen en je op de meest intieme plaatsen steken, resulterend in helse jeuk- en gênante krabbelpartijen in haren, neus, bil- en borstspleet.

Gewapend met muskietennet, elektrische vliegenmepper, drie verschillende, peperdure muggenbeetcrèmes, alsmede een door de NASA ontwikkeld apparaatje met een ultrasone, mugvijandige pieptoon, betreed ik vol goede overmoed mijn hotelkamer.

Het eerste dat ik zie, is dat het raam wagenwijd openstaat. Service van de kamermeisjes. Misschien is de autochtone bevolking van Overijssel wel resistent tegen knutten, maar ik niet. Woedend klap ik het raam dicht. Dan onderneem ik een uitgebreide speurtocht door mijn luxe hotelkamer - vliegenmepper in de hand. Ik vind niets, maar dat zegt niets. Knutten zijn namelijk zo klein dat ze vrijwel onzichtbaar zijn.

Dat hoor ik de volgende dag van een plaatselijke VVV-medewerkster, die me huiverend vertelt over wat men hier ‘mietsen’ noemt: ‘Ze zijn vreselijk, ik heb ze elke zomer in mijn tuin. Ze kruipen tussen je kleren, in je haren, in je neus. En jeúken dat het doet!’
Op haar advies koop ik een fles antimietsenmelk, voor maar liefst € 79,95: ‘Die gebruik ik zelf ook, het is het enige dat helpt, het komt helemaal uit Canada.’
Ook vertelt ze dat mietsen vooral voorkomen bij het water, met name als het windstil en zonnig is.

En dat is het de volgende dag allemaal - de dag dat ik een vaartocht heb geboekt door de Weerribben…

Misselijk van angst betreed ik de rondvaartboot,van top tot teen ingesmeerd met mijn Canadese antimietsenmelk. Ondanks de bijna tropische hitte, draag ik een lange broek, waarvan ik de pijpen in dikke kniekousen heb gepropt. Ik trek het capuchonkoordje van mijn in allerijl gekochte poncho goed strak aan, bedek mijn ogen met een eveneens gloednieuwe duikersbril, en stop mijn handen in mijn zakken.
Het grote genieten kan beginnen!

Bij elke rietkraag die we passeren, spied ik om me heen. Waar zijn de knutten?
Na vier uur varen, stap ik druipend van het zweet weer uit. Ik heb veel riet gezien, héél veel riet - maar niet één knut…
Wel ben ik bijna bezweken van de hitte en de angst.
Ook de medelijdende maar vooral spottende blikken van mijn zorgeloos luchtig geklede rondvaartgenoten, die mij aanstaarden als ware ik een psychotische orthodoxe moslima, ben ik nog lang niet vergeten.

Maar dan…: als ik zit bij te komen in een café, strijkt op de buitenkant van de ruit een piepklein insectje neer, met vervaarlijk trillende neusgaatjes en een ondefinieerbaar maar intens gemeen uitsteekseltje. Eindelijk!
Ik roep de ober erbij.

‘Is dát nou een knut? Ik bedoel: een miets?’, vraag ik met dichtgeknepen keel. Ik betrap mezelf erop dat mijn angst begint om te staan in een vreemd soort verlangen…
‘Welnee mevrouw, dat is een onweersvliegje’.

Na drie dagen heb ik nóg geen knut gezien, zelfs niet in het beruchte plaatsje Muggenbeet, waar ik speciaal naartoe ben gereden omdat ik nu eindelijk wel eens wilde zien waar al die angst-wekkende verhalen over gingen. Daar leer ik dat ‘beet’ een oud Overijssels woord is voor ‘beek’.

Langzaam maar zeker dringt de vreselijke waarheid tot mij door. Al mijn voorzorgsmaatregelen zijn voor niets geweest. Al mijn uitgaven ook. De Overijsselse middenstand vaart er wel bij.
Net zoals de Schotse middenstand bij Loch Ness.

Loes Gouweloos

Laken

Ik durf niet te kijken. Ik wil hem niet zien, ik wil hét niet zien. Maar ik kan er niet omheen.

Het is een zachte najaarsdag in 1961. Ik ben tien en ik ben op weg van school naar huis. Mijn vlechten huppelen in de wind. Thuis wacht mijn moeder met thee en een koekje.
Opeens rent een buurtgenootje me tegemoet.
‘Heb je ’t al gehoord?’, vraagt ze. In haar schrille stem hoor ik angst en schrik. ’Het broertje van Marianne is doodgereden. Vlak voor jouw deur!’

Marianne is mijn beste vriendin en ze heeft een jonger broeretje, Theootje.
‘Doodgereden?’ vraag ik toonloos. Ik snap het niet. Ik voel niets.
’Ja, hij is zonder uit te kijken overgestoken en toen kwam er een vrachtwagen aan en die is over hem heen gereden en nu is hij dood. Hij ligt voor jullie deur op de straat’.

Dood… Ik ken het woord maar ik weet niet wat het is. Ik heb nog nooit een dood mens gezien.
En dode kinderen – dat bestaat volgens mij niet eens, dood is iets voor oude mensen. Niet voor dat leuke broertje van Marianne, dat bleke maar altijd vrolijke mannetje op wie ik zo vaak heb gepast.

Ik blijf roerloos staan en voel mijn knieën knikken. Opeens durf ik niet meer naar huis.
Maar tegelijk wil ik niets liever dan bij mijn moeder zijn. Om bij haar uit te huilen, om me te laten troosten, om haar te vragen wat er is gebeurd, om haar te vragen wat dat is: dood…

Maar om bij haar te komen, moet ik mijn straat oversteken. En daar ligt Theo dus. Hoe zal hij eruit zien? Door midden gebroken? Wit? Met bloed?
En zijn er mensen bij? Of ligt hij daar helemaal alleen op de straat? Wat moet ik dan doen? Moet ik naar hem kijken of juist niet?
Ik ben doodsbang, ik begin te huilen, ik durf niet door te lopen. Maar ik wil zo graag naar mijn moeder, dat dat verlangen het uiteindelijk toch wint van mijn angst. Ik haal diep adem en hol zo hard mogelijk het laatste stukje naar huis. Ik neem me voor om niet te kijken, om regelrecht naar mijn moeder te rennen.

Voor de deur van ons portiek staat een grote grijze vrachtwagen. Naast de wagen staat de moeder van Marianne. Ze heeft haar handen voor haar mond geslagen en staat zacht maar onophoudelijk te huilen. Ze is heel bleek.
Ze kijkt omlaag, naar de grond. Ik kijk ook, ik kan het niet laten. Daar ligt Theootje. Dood.

Maar hoe dat eruit ziet, krijg ik niet te weten, want er ligt een groot wit laken over hem heen.
Er staan politieagenten, en buren, en een vrachtwagenchauffeur die totaal overstuur is, en in de verte klinkt de sirene van een ziekenwagen.
Maar ik zie alleen maar dat witte laken met dat vierjarige lichaampje eronder.
Ik ren niet naar binnen naar mijn moeder, ik sta stokstijf stil. Verdoofd.

Dit alles is nu 47 jaar geleden. Ik heb er nooit meer aan gedacht. Tot die zachte najaarsdag,
2 november 2004.
Toen lag de dode Theo weer onder een wit laken op straat en sindsdien denk ik steeds weer aan hem. Ik wil het niet, maar ik kan er niet omheen.


Loes Gouweloos

Knots

“Ik heb het zelf ook gedaan toen ik jong was. Het is goed voor je en het is ook nog eens reuze gezellig.”
Met deze woorden deelt mijn moeder me mee ze me heeft aangemeld bij een turnvereniging. Bij OTV. Dat betekent ‘Overschiese Turn-Vereniging’. Maar bij mij op school staat zij uitsluitend bekend als ‘Overschiese Trutten-Vereniging’.
Haar bedenkelijke roem is haar vooruit gesneld. Al jaren heb ik verhalen gehoord over die truttige gymvereniging met die afzichtelijke turnpakjes, waar alleen heel domme en lelijke meisjes lid van zijn. Meisjes met een eeuwige snottebel aan hun neus, met armoedige katoenen jurkjes – meisjes vooral, die altijd met hun blik omlaag over straat lopen en die tegen niemand iets durven zeggen.

Ik verzet me dan ook fel tegen het medisch advies. Liever word ik op hoge leeftijd getroffen door een driedubbele hernia, dan dat ik nu – op negenjarige leeftijd - diep zal zakken op de populariteitsladder op school. Maar mijn moeder is onverbiddelijk: het is voor mijn eigen bestwil, en bovendien is zij vroeger zelf ook lid geweest van een gymnastiekvereniging, en dat was altijd reuze gezellig.

Ik krijg een blauw OTV-pakje aangemeten, met een goudkleurig embleem ter hoogte van mijn nog absente linkerborst. Op dat embleem prijken de letters ‘OTV’, in net een andere blauwe kleur dan die van het pakje – dat overigens zo strak zit dat ik al na vijf minuten felrode striemen in mijn liezen en op mijn schouders heb.
De wekelijkse gymles vindt plaats in een muf ruikend zaaltje ver van waar ik woon.Samen met tientallen lotgenootjes word ik over brug en bok gejaagd, ondersteboven in de ringen gehangen, en gedwongen tot aan het plafond in een gemeen schrijnend touw te klimmen.
Maar het ergste is het wandrek. Ik ben erfelijk belast met een gigantische hoogtevrees. Toch moet ik in het schuinstaande wandrek klimmen en helemaal bovenin door een minuscuul klein gaatje kruipen – waardoor ik gedurende enkele seconden alleen aan mijn door het angstzweet spekglad geworden handen meters boven de grond hang. Daarna moet ik langs de andere kant van het rek weer afdalen. Mijn angst voor ‘het gat’ neemt zulke vormen aan dat ik er al nachten van tevoren van droom.

Nadat ik door een meedogenloze gymlerares het wandrek ben ingejaagd, blijf ik elke week weer als enige zitten bij het gat. Ik durf er niet doorheen te kruipen. Ik zie die gapende diepte beneden me en ik verstijf van angst. Terwijl de andere OTV’ertjes vlot aan de afdaling beginnen, zit ik als aangeschoten wild hoog boven in het rek, trillend en zwetend in mijn blauwe pakje. Ik klamp me wanhopig vast, en negeer bevend de bevelen van de steeds bozere gymjuf.
Zo breng ik elk laatste kwartier van de wekelijkse les moederziel alleen door op vijf meter hoogte, terwijl de andere meisjes tot slot van de middag lekker mogen korfballen – het enige onderdeel uit het OTV-pakket dat ik leuk vind.
Pas als het laatste fluitsignaal geklonken heeft, mag ik langs de voorkant afdalen, en druip ik af naar de kleedkamer, terwijl de juf me met een diep minachtende blik nakijkt.

Maar het allerergste moet nog komen: mijn eerste gymseizoen wordt afgesloten met een openluchtdemonstratie op het sportveld dat toevallig grenst aan de flat waarin ik woon. Daar zullen wij laten zien hoe meesterlijk wij de zogenaamde ‘ritmische gymnastiek’ beheersen. Maandenlang oefenen we op een knotsoefening, begeleid door rammelige pianomuziek die de juf heeft opgenomen op een levensgrote bandrecorder. Als ik om me heen kijk begrijp ik de bijnaam ‘Overschiese Trutten-Vereniging’ steeds beter...

Tijdens de Grote Uitvoering neemt mijn schaamte alleen nog maar toe. Alle OTV-groepen zijn voor deze speciale gelegenheid samengevoegd. Op het grote groene veld staan honderden meisjes van zes tot zestien jaar. Allemaal met een glimmende houten knots in de hand. Op de maat van de muziek moeten we die, precies tegelijk, volgens een ingestudeerd patroon heen en weer zwaaien, overnemen met de andere hand, onder onze geheven knieën overpakken, en vervolgens met een gewaagd boogje de lucht in gooien. Op het balkon van onze flat staan mijn
trotse ouders glunderend toe te kijken.

Dan krijg ik een idee. Vlak voor de apotheose van de oefening, waar het erop aankomt dat alle meisjes exact tegelijk met de rechterhand hun knots hoog de lucht in gooien en die vervolgens weer, ook tegelijk, met de linkerhand sierlijk opvangen, haal ik diep adem. Ik kijk naar het veld vol strakke blauwe gympakjes, ik kijk naar de strenge blik van de gymjuf, en ik kijk naar mijn glunderende ouders.

Op het moment suprême komt mijn wraak. Mijn wraak voor al die uren hoog in het wandrek, voor al die stomme bokkensprongen en voor dat beknellende blauwe pakje.
Ik strek mijn arm ver naar achteren, en gooi mijn knots zo hard mogelijk schuin opzij.
Onderweg raakt hij enkele medeknotsen, die daardoor ook hopeloos de weg kwijtraken.
Een paar seconden later landen zeker tien knotsen midden in de groep.
Meisjes in blauwe pakjes springen opzij, slaken gilletjes van ontzetting, en letten niet meer op waar hun knots landt.
Het prachtige groepspatroon raakt volledig verstoord.
Verdwaalde knotsen slaan kratertjes in het gras, verdwaasd aangestaard door knotsloze OTV´ertjes..
De door mij zo gehate gymjuf staat met wijd opengesperde ogen stokstijf voor de groep. Verderop, op het balkon, slaat mijn moeder geschrokken en beschaamd haar handen voor haar gezicht.

Ik probeer ook zo beschaamd mogelijk te kijken. Maar van binnen juich ik.



Loes Gouweloos

Keukenleed

Terwijl ik op mijn gemak (dus) op de wc zit, staat in de magnetron mijn avondmaaltijd op te warmen. Tegelijkertijd leest Noraly Beyer het 6-uur Journaal voor op de tv in de huiskamer.
Opeens klinkt er knal van Enschedese vuurwerprampachtige proporties. Zo snel als hygiënischerwijs mogelijk is, sta ik op en ren de huiskamer in.
In een flits betrap ik mezelf erop dat ik hoop dat de beeldbuis van mijn tv is gesprongen.
Ik verlang namelijk al een tijd naar zo’n prachtige supersonische LCD-televisie: mooi plat, een schitterend beeld, en zo modern dat ik er weer helemaal bij zal horen.

Maar nee: Noraly zit nog ijverig van haar blaadje te lezen terwijl er gruwelijke en haarscherpe beelden te zien zijn van de zoveelste aanslag in bevrijd Irak.
Nauwelijks heb ik deze tegenslag verwerkt, of de volgende dient zich aan. Het eens zo proper glanzende ruitje van mijn nog steeds nijver snorrende magnetron blijkt ‘in één klap’ te zijn veranderd in een matte, grijze borstplaat met wel duizend barstjes.
Mijn boerenkool met worst is smaakvol besprenkeld met heel kleine maar ook heel gemene splintertjes - genoeg voor een multipele maagperforatie met ongetwijfeld fatale gevolgen.

Nóg erger is dat de magnetronwinkelier de volgende dag meldt dat een nieuw ruitje honderden Euro’s kost. ‘Hij is tien jaar oud mevrouw, u kunt beter gelijk een nieuwe kopen’.
Ik heb geluk, zegt hij, want toevallig heeft hij er net een in de aanbieding: een glanzende Bosch combi-magnetron. Voor € 1100... Maar dan wordt hij wel ‘gratis’ ingebouwd. Een hele opluchting.
Hoewel, als ik weer een dag later zie hoe de monteur een stekker in het stopcon-tact steekt en twee schroefjes vastdraait, gevolgd door een monter ‘Ziezo mevrouw, u kunt er weer tien jaar tegen’, denk ik toch stiekem dat zelfs ik dit misschien wel zelf had gekund…
Maar komop, niet zeuren. Mijn nieuwe Bosch glimt me tegemoet, heeft esthetisch verantwoord verzonken bedieningsknoppen, en ik krijg er ook nog een echt Bosch-kookboek bij.
Bovendien heeft hij een maximumvermogen van maar liefst 900 watt! Niet zo swingend als een LCD-televisie, maar toch ook iets waar ik al naar verlang sinds de kant-en-klaar-maal-tijden van Albert Heyn vermelden dat de bereidingstijd op 900 watt maar liefst een minuut korter is dan op 600 watt – het maximumvermogen van mijn oude magnetron, die inmiddels dankzij de verwijderingsbijdrage door de installateur naar het magnetronkerkhof is gebracht.

Ik neem direct de proef op de som. Met een AH-maaltijd ‘spaghetti met tomatensaus en gehaktballetjes’, een van mijn favoriete kant-en-klaargerechten. Slechts drie minuten en 40 seconden bereidingstijd - ongekend! Nauwelijks genoeg tijd om ondertussen naar de wc te gaan.
Maar dat wil ik ook niet, want dankzij een oogverblindende, ingebouwde halogeenlamp kan ik het opwarmingsproces door de ruit heen precies volgen. Al na twee minuten staat de saus hitsig te borrelen, en springen de gehaktballetjes van enthousiasme bijna door het plastic heen. Toch wacht ik braaf tot de voorgeschreven drie minuut 40 voorbij zijn.

Té braaf…: Als ik vol blijde verwachting mijn maaltijd overhevel uit de magnetron naar het op mijn aanrecht wachtende bord, blijkt de bodem van de plastic AH-doos te zijn opengescheurd. Met een slurpend geluid wringt de spaghettimassa zich razendsnel naar buiten…:

Vuurrode plassen op mijn witte keukenmat, alsof er zojuist een bloederige steekpartij heeft plaatsgevonden.
Spaghettislierten die triest druipend aan de keukenkastknoppen hangen, als de dunne, lijkbleke takken van een stervende treurwilg.
En gehaktballetjes die triomfantelijk juichend over mijn parket stuiteren en pas pesterig tot stilstand komen onder de driezitsbank.

Met een rammelende maag en een diep zelfmedelijden, geef ik mijn keuken een grote schoonmaakbeurt.
Met mijn laatste krachten zet ik de tv weer aan. Die doet het nog steeds.
Ook dat nog.


Loes Gouweloos

Hole-in-one

'Die bal kunt u beter anders spelen', hoor ik opeens achter me.
Ik had hem al zien lopen over de baan. Als wij op hole 3 spelen, in ons recreatieve zomeravondtempo, snelt hij van hole 2 naar 4. Als wij even blijven praten, loopt hij geruisloos voorbij. Geen blik van afkeuring maar ook geen groet. Hij kijkt strak voor zich uit, een en al concentratie.
Een kleine man van onbestemde leeftijd. Zwart pak - een soort uniform -, zwarte pet, zwart snorretje. Stil, schichtig, onopvallend. Maar hier is hij buiten ons de enige speler, dus hij valt ons toch op.

'Anders spelen, hoe bedoelt u?, vraag ik.
Precies wat hij wilde horen.
Met een resoluut gebaar haalt hij mijn balletje weg en legt het zijne op de afspeelplek. En dat is niet zomaar een balletje. Nee, het is rood-wit-blauw geblokt. En kraakhelder. Dat komt omdat hij het voor elke afslag even schoonmaakt, met een fluwelen doekje.
'Kijkt u maar, dit is de meest efficiënte slag. Dat heb ik uitgerekend.'
Hij geeft een felle maar beheerste tik tegen zijn driekleurige balletje. Het kaatst supersnel tegen alle wanden en verdwijnt dan via een dubbele carambole in het gaatje. Een echte hole-in-one. Met een quasi-nonchalante blik pakt hij glimmend van trots zijn bal op.

'Nu u', zegt hij. Commandéért hij, want de succesvolle slag heeft zijn zelfvertrouwen in rap tempo vergroot.

We hebben beiden drie slagen nodig.
'Goed geprobeerd hoor', klinkt het met de ruimhartige superioriteit van de winnaar. 'Nu naar de volgende'. Opeens spelen we met zijn drieën, opeens is het serieus, terwijl wij alleen maar lekker ontspannen een rondje wilden lopen.

Bij de laatste hole zet de man zijn tasje neer. Ook dat is zwart, geheel in stijl. Hij gaat er eens even goed voor staan om ons uit te leggen wat we nú weer moeten doen.
'Ik zal u voordoen hoe wij wedstrijdspelers deze hole aanpakken'.
Wát? Wij wedstrijdspelers? Bestaan er officiële wedstrijden midgetgolfen?

Zo'n kinderachtig vakantiespelletje, zijn er mensen die dat serieus nemen?
Het antwoord is duidelijk. Onze professional poetst opnieuw zijn geblokte balletje en gaat klaar staan. Zijn stok is trouwens ook heel anders dan de roestige exemplaren die wíj net voor anderhalve Euro hebben gehuurd. Hij is goudkleurig en hij blinkt en schittert als een kroonjuweel. Aan de kant waarmee niet wordt geslagen zit een beige, leren strip. Dat heeft weinig nut, lijkt me, het zit er enkel en alleen om esthetische redenen.

Ik bekijk onze leermeester eens wat beter. Hij is helemaal geconcentreerd op zijn slag. Ons ziet hij niet, de omgeving ook niet, er telt maar één ding: een hole-in-one.

Wat ís dit voor een man, helemaal alleen met zijn midgetgolfuitrusting, overduidelijk zo bekend met de baan dat hij hier misschien wel elke dag komt?
Wat leidt hij voor leven? Heeft hij een baan? Een vrouw? Kinderen?
Vast niet. Hij is het type man dat eeuwig jongen blijft en eeuwig bij zijn moeder blijft wonen.
En dat kinderspelletjes nog net zo belangrijk vindt als toen hij een stille, verlegen kleuter was. Een dromertje, zei zijn moeder altijd. Als hij straks thuiskomt, vertelt hij haar trots hoeveel holes-in-one hij vandaag heeft geslagen.

Het dromertje legt aan en geeft zijn balletje een tik. Opnieuw een oogverblindende carambole, te snel om goed te kunnen volgen. Maar dit keer eindigt het balletje niet in het gaatje, het blijft ernaast liggen. Hij probeert zijn teleurstelling te verbergen. Tevergeefs.

'Slecht hoor, te hard geraakt', zegt hij geïrriteerd, terwijl hij het laatste tikje geeft. 'Twee slagen, niet best. Maar de opzet was goed, deze lijn is de beste. Dus die moet u ook proberen.'
Mijn vriendin gehoorzaamt braaf. Maar ook zij heeft twee slagen nodig.
'Nu u', beveelt hij mij.

En dan, opeens, heb ik er genoeg van. Hij is een lieverd en hij bedoelt het goed, maar zijn commanderende toon werkt averechts. Ik speel zijn spelletje niet meer mee, ik speel mijn eigen spelletje.
Ik kies een andere lijn voor de bal en ik sla. Recht vooruit, geen flauwekul, geen gewichtig gedoe, geen tactisch concept à la Louis van Gaal, gewoon de kortste weg.

'Plonk!', zegt mijn balletje.

'Eén slag', zeg ik zakelijk maar triomfantelijk.

Voor het eerst bespeur ik onzekerheid bij de zwartgeklede wedstrijdspeler, ik zie het in zijn ogen, die mijn blik nadrukkelijk ontwijken. Maar hij is een echte sportman, hij laat zich niet kennen: 'Mooie bal'.

Maar voordat ik 'Dank u' kan zeggen, voegt hij eraan toe:
'Maar u bent natuurlijk wel in het voordeel. U speelt met een wit balletje. En het is droog vandaag, dus daar profiteert u van. Die andere mevrouw speelt met een roze balletje, dus het is logisch dat zij twee slagen nodig had, net als ik.'
Hè?!

'Geeft niet hoor', stelt hij mijn verbouwereerde vriendin gerust, 'als het regent, bent ú in het voordeel. Roze balletjes stoten vocht af.'
'Goh…', zeggen wij in koor.
Onze bewondering helpt hem zijn zelfvertrouwen te herwinnen.
'Zo, dat was het', klinkt het gedecideerd. 'Nog één rondje, en dan zit de training er weer op voor vandaag.'
Voordat we hem zelfs maar goedenavond kunnen wensen, heeft hij zijn zwarte tasje opgepakt en is hij schielijk verdwenen. Terug naar hole 1.

Maar wij niet, wij gaan naar huis.
Als we wegrijden, kijk ik nog even naar de bijna verlaten midgetgolfbaan. De zon gaat al onder, het is doodstil, de wind is aangewakkerd en het begint te regenen. Maar hij merkt daar niets van.

Hij legt zijn rood-wit-blauwe balletje neer en hij denkt na over de meest efficiënte slag. Zo geconcentreerd dat hij niet merkt dat het inmiddels flink plenst.

Ach jee, dat wordt niks, denk ik.
Ik open mijn autoraampje en roep: 'Oehoe, roze balletje!'
Hij hoort me niet. Hij ziet me niet. Dat wordt vast wéér geen hole-in-one. Slecht hoor…


Loes Gouweloos

Het Katinkacomplot

Een complot was het!
Ik was nog maar elf, maar ik wist het zeker: die Luxemburgers waren zo bang dat ze in eigen land zouden worden verslagen door Nederland, dat ze van tevoren een list hadden bedacht om de overwinning te voorkomen van ‘onze’ Spelbrekers.

Al weken lang was ik zenuwachtig. Dat was ik altijd al voor het Songfestival, maar nu des te meer. Eén van de twee Spelbrekers woonde namelijk bij mij in de straat in een buitenwijk van Rotterdam. Dus nóg meer dan andere jaren zat ik op het puntje van mijn stoel tijdens de uitzending, dit keer verzorgd door de Luxemburgse televisie.
Vanwege de Rotterdamse ‘connection’ mocht ik van mijn ouders voor het eerst opblijven tot en met de puntentelling.

‘Kleine kokette Katinka’ klonk geweldig. De Spelbrekers zongen het lied vol overgave en toch beschaafd, met een onweerstaanbare mengeling van charme en passie, het Metropole-Orkest onder leiding van de onverwoestbare Dolf van der Linden swingde als nooit tevoren, en ik vóelde gewoon: We gaan winnen!
Er kon eenvoudig niets meer misgaan.

Maar toen opeens, halverwege het lied, terwijl mijn straatgenoot hartstochtelijk zijn verlangen bezong om een glimp van Katinka’s wipneusje te zien, organiseerden de Luxemburgers een storing.
Plotseling zagen we de Spelbrekers als op een fotonegatief: hun gezichten en hun hagelwitte overhemden werden zwart, hun smaakvolle zwarte pakken en vlinderdasjes werden hagelwit, en, het ergst van alles, het geluid viel weg.

Misschien viel het ook wel níet weg, maar ik raakte in zo’n shock dat ik me in elk geval meen te herínneren dat we opeens naar twee heren zaten te kijken die met zwarte gezichten en een bevroren glimlach geluidloos hun monden bewogen als twee wanhopige vissen op het droge.

Daar zat ik dan, mijn wereld stortte in, nu kon Europa niet horen wat ‘n prachtlied Nederland had.
Nu zouden we niet winnen.
Nu zou ik niet een dag later kunnen opscheppen dat mijn bijna-buurman het Eurovisie Songfestival had gewonnen.

Tijdens de puntentelling werd mijn vrees bewaarheid. ‘Katinka’ eindigde roemloos in de middenmoot.
De Spelbrekers traden nog een paar jaar op in het schnabbelcircuit, en hielden het toen voor gezien.

Mijn kinderdroom in duigen, hun veelbelovende carrière in de knop gebroken.
Het was moeilijk te aanvaarden.

Als ‘Katinka’ nou een slecht liedje was geweest, maar het was een kraker.
Als het nou een kwestie van pech was geweest, maar dat was het niet.
Het was gemene opzet van die Luxemburgers, het was een complot!


Loes Gouweloos

Griepje

Boven aan de loopplank worden alle 100 passagiers één voor één begroet door de gastheer en de kapitein. Die laatste maakt al van veraf het meeste indruk: een forse man in vol ornaat, met een stoere zeemansbaard en een doorgroefd gelaat. Hij staat klaar om me te verwelkomen. Een plechtig begin van mijn eerste cruise.
Op het moment dat ik het schip betreed, geeft hij me een ferme handdruk. Ik kijk hem aan.
En dan opeens gaat er een diepe rilling door mij heen. Ik voel iets vreemds, ik kan het niet duiden, ik heb dit nog nooit eerder gehad. Het heeft te maken met een onafwendbaar onheil, het angstzweet breekt me uit.
De kapitein lacht me toe: ‘Welkom aan boord, en een fijne reis’.
Maar ik weet nu al dat het geen fijne reis zal worden.

‘Wat een leuke, stoere man he?, zegt mijn vakantievriendin, ‘een echte zeebonk’.
Ik schud langzaam mijn hoofd. ‘Er is iets niet goed met die man. Die maakt het niet lang meer.’ Ik schrik zelf van wat ik zeg, alsof ik het onheil afroep door te benoemen wat ik voel.
’Waar héb je het over?’, hoor ik naast me.
‘Ik weet het niet. Ik zie niets aan hem, maar ik voél het: die man leeft niet lang meer'.
Schouderophalend doet mijn vriendin er het zwijgen toe. Ze nipt ze aan haar welkomst-champagne en geniet.

De volgende dag treffen we de kapitein in de buurt van zijn stuurhut. Hij vertelt dat hij gepensioneerd is als zeekapitein. Maar hij kan niet zonder het varen. Daarom is hij dolblij met zijn baan op dit cruiseschip. Stralend vertelt hij: ‘Het is mooi werk. Ik kan nog steeds varen en bovendien heb ik veel contact met de passagiers. Ik heb een prachtbaan. Ik wil dit nog jaren blijven doen, zo lang als ik gezond blijf.’
Ik huiver opnieuw. Want ik weet al hoe het met hem verder zal gaan. Maar wat moet ik ermee? Ik kan niets bewijzen of verklaren, niemand gelooft me.

Weer een dag later deelt de gastheer aan alle passagiers mee dat de kapitein een beetje ziek is. Hij blijft een dag in zijn hut. Het is niks bijzonders, de stuurman kan gewoon met hem overleggen, en hij verwacht snel zelf weer aan het roer te staan.
‘Goh’, zegt mijn vriendin, ‘en jij zei direct al dat er iets met hem aan de hand was. Hij zal wel een griepje onder de leden hebben gehad. Goed van je dat je dat zag.’

De dag erna zien we hem weer niet. Maar we hebben een fijne dag, ‘s avonds eten we heerlijk, er is een pianist, er wordt gelachen, gedronken en gedanst. Als ik tegen middernacht naar bed ga, voel ik me lekker rozig. Ik zal vast heel goed slapen.

Maar op het moment dat ik het licht uitdoe, hoor ik piepende autobanden op de kade.
Zwaai-lichten kleuren mijn hut onheilspellend blauw. Slaande deuren, rennende bemannings-leden, geschreew op de gang. Ik kijk uit mijn raam en zie politieagenten op de loopplank.
Slaperige passagiers komen hun hutten uit. ’Gaat u maar slapen, alles is veilig, er is niets aan de hand’.

Maar ik weet beter. Ik bid dat ik ongelijk heb, inwendig schreeuw ik het uit. Ik wíl dit niet, ik hóef geen helderziende te zijn, het is vreselijk om gelijk te krijgen.
Ik kijk opnieuw uit mijn raam, en opnieuw. Na een uur zie ik dat er iets van boord wordt gedragen. Dan doven de zwaailichten en verdwijnen de politieauto’s in de nacht.
Het wordt weer stil op het schip.

Ik doe die hele nacht geen oog dicht. Ik weet wat er is gebeurd en ik weet dat ik de enige ben.
De volgende ochtend wordt er aan het ontbijt druk gespeculeerd over het rumoer van de afgelopen nacht. Zou er een dief aan boord zijn geweest? Hebben we aangemeerd op een verboden plek?
Dan verschijnt de gastheer van het schip. Hij ziet lijkbleek.
Hij pakt een microfoon en vertelt snikkend dat de kapitein vannacht volkomen onverwacht is overleden:
‘Hij was nooit ziek, en dit leek alleen maar een griepje, het is verschrikkelijk! Niemand heeft dit zien aankomen…’



Loes Gouweloos

Gewonnen!

Al vroeg in de ochtend binden we onze schaatsen onder. Onze hele klas is per bus vervoerd naar de Alblasserwaard, daar gaan we een molentocht rijden. 20 kilometer, over prachtig ijs, door een adembenemend sneeuwwit landschap.

Speciaal voor deze gelegenheid hebben mijn ouders me de dag ervoor mijn eerste paar spiksplinternieuwe kunstschaatsen cadeau gedaan. Dat hadden ze beter niet kunnen doen...
Want nieuwe schaatsen moet je inrijden en kunstschaatsen zijn weliswaar uitstekend geschikt voor oogverblindende pirouettes maar niet voor urenlang hard rechtdoor rijden tegen een straffe noordenwind in.

Na de eerste tien kilometer slaat de vermoeidheid toe. Ik kan niet meer verder, ik moet even uitrusten. Mijn vriendinnen-op-noren zien hun kans schoon: in de klas ben ik hen meestal te slim af, nu zijn zij míj te snél af. Wraakzuchtig sprinten ze weg, kijken nog even hatelijk achterom, en zijn snel uit zicht verdwenen.

Als ik wat op adem ben gekomen, zet ik me in beweging voor de laatste tien kilometer. Het zullen de zwaarste kilometers van mijn leven worden. De barsten in het ijs, de harde windvlagen, mijn door vermoeidheid steeds heviger knikkende knieën: ze zijn er allemaal de oorzaak van dat ik om de paar minuten keihard op het ijs val. Steeds bonter en steeds blauwer vervolg ik mijn weg. Het wordt almaar stiller om me heen. Na een tijdje rijd ik helemaal alleen tussen de molens van de Alblasserwaard, met een ijskoude wind in mijn gezicht, bevroren oren, gekneusde knieën en vooral een heel erg eenzaam en verlaten gevoel. Ik wil niet huilen, want dan zouden mijn tranen op mijn gezicht bevriezen, maar het kost me veel moeite.
Ik word steeds banger dat ik de eindstreep niet zal halen. Ik krijg visioenen dat niemand me zal missen, dat de rest van de klas weer lekker naar huis terugrijdt terwijl ik uitgeput in het donker op het koude molentochtijs lig...

Dan zie ik voor me opeens een andere eenzame schaatser, een jongeman. Hij komt nog langzamer vooruit dan ik, hij struikelt meer dan dat hij schaatst.
Eindelijk gezelschap, eindelijk een lotgenoot! Met mijn laatste krachten rijd ik naar hem toe.
'Hallo!', roep ik.
Hij draait zich om en kijkt me aan. Ik schrik. Want deze onhandige schaatser is niemand minder dan... Peter!
Peter... met afstand de leukste jongen van de hele klas, daar zijn wij, veertienjarige meisjes, het unaniem over eens. Mijn vriendinnen doen alles om zijn aandacht te trekken, om even met hem te kunnen praten - één blik van Peter is hen meer waard dan een 10 voor een wiskundeproefwerk.
Er wordt heel wat afgekletst en -gelonkt als hij in de buurt is.
Ik doe daar nooit aan mee. Ten eerste ben ik er niet handig in en ten tweede vind ik het genant. Maar ik ben het wel met mijn vriendinnen eens: Peter is heel leuk. Juist omdat hij het zelf niet zo lijkt te merken. Mooie blonde krullen, zachte blauwe ogen, altijd een licht spottend glimlachje om de mond, en voorzien van een rustige, bijna volwassen soort zelfverzekerdheid die je op die leeftijd zelden aantreft. Maar hij loopt er niet mee te koop en hij is zeker geen macho. Daarom vind ook ik hem geweldig.
Maar ik laat nooit iets merken, ik aanbid hem in stilte.

En nu sta ik ineens oog in oog met deze onbereikbare held, helemaal alleen in dit wonderwitte winterlandschap. Wat zouden mijn vriendinnen er wel niet voor over hebben om met mij te kunnen ruilen!
Zij zouden vast ook precies weten wat ze moesten zeggen.
Ik niet. Ik schrik me dood en ik zwijg.

'Hallo', zegt Peter terug, 'kom jij ook niet zo snel vooruit als de rest?'
Schaapachtig schud ik van nee.
'Ik ook niet, ik ben niet zo'n schaatser', zegt mijn droomprins. 'Zullen we samen verder rijden tot de finish? Dan hebben we tenminste allebei gezelschap.'
Schaapachtig knik ik van ja.

Zij aan zij krabbelen we verder. Om beurten vallen we op het harde ijs, we doen weinig voor elkaar onder. Als we langs een koek-en-zopie tent komen, biedt Peter me een beker warme chocolademelk aan. Heerlijk! Vooral omdat ik, zolang ik daaruit drink, niets hoef te zeggen. Aandachtig bestudeer ik het vel op de hete chocola, langzaam nip ik eraan, om maar zo lang mogelijk sprakeloos te kunnen genieten.

Dan is het tijd voor de laatste twee kilometer. Toch enigszins verkwikt door de pauze en de hete drank, rijden we die vrij vlot. Al gauw zien we in de verte de finish. Het krioelt er van de klasgenoten. Ze hebben allemaal hun schoenen alweer aan en dragen trots een medaille om hun nek - het is duidelijk dat ze allang geleden zijn gearriveerd. Alleen Peter en ik moeten nog finishen. Dus we krijgen alle aandacht.

De jongens uit de klas staan luid te joelen als ze zien hoe Peter onhandig struikelend de eindstreep nadert.
Maar de meisjes worden steeds stiller. Ik zie mijn vriendinnen staan die me uren geleden hatelijk lachend aan mijn lot hebben overgelaten. Hun monden hangen open van verbazing. Wat is dat? Loes? Loes?! Met 'hun' Peter?!

Voor het eerst die dag krijg ik het warm. Een enorm gevoel van triomf doorstroomt mijn steenkoude lichaam. Als een volleerde Atje Keulen-Deelstra sprint ik met zwierige slagen naar de finish. De ogen van mijn vriendinnen spreken boekdelen: ze zijn verbaasd, maar vooral
ver-schrik-ke-lijk jaloers!
En dan zorgt Perfecte Peter voor de perfecte finishing touch: op het moment dat we samen over de eindstreep glijden, pakt hij mijn hand. Hij kijkt me begrijpend en veelbetekenend aan. Ik kijk hem stralend aan. Eindelijk is mijn verlegenheid over.
We steken onze handen in de lucht. We rijden in een vloeiende beweging door naar de meneer van het organisatiecomité die al met de twee nog resterende medailles naar ons staat te zwaaien.

Niemand juicht.
Behalve ik, heel hard en heel diep van binnen.
Ik kom als laatste over de streep, maar toch heb ik gewonnen!



Loes Gouweloos

Geheime missie

Terwijl wij opstijgen, zie ik hoe een Boeing met Amerikaanse soldaten een tussenlanding maakt op Schiphol. Op weg naar het Midden-Oosten, klaar voor de oorlog.
Ik ga juist de andere kant op, naar Amerika.
De man naast mij trekt zijn jasje uit. Ik bekijk hem eens goed, we zullen tenslotte urenlang naast elkaar zitten. Krullend haar, bruine ogen, slank, midden veertig. Jongensachtig. En: hij komt me bekend voor.
Knappe man, denk ik.
Hij kijkt me aan. Knappe vrouw, zie ik hem denken.
'Hallo', zegt hij, 'ook op weg naar New York?'
'Washington', zeg ik.
'Dat is ook toevallig, daar werk ik. Ik zal me even voorstellen: ik heet Charles'.
Ik heb allang afgeleerd te zeggen wie ík ben.
'Ik heet Louise', zeg ik daarom.
Charles is journalist, vertelt hij.
Dat dat inderdaad zo is, blijkt al snel: hij vraagt me het hemd van het lijf. Wie ik ben, wat ik doe, waarom ik naar Washington ga.

Wie ik ben, vertel ik nooit. De mensen geloven me toch niet.
Wat ik doe? Ik ben politiciloog en ik ben op weg naar Washington om te solliciteren naar een hoge post op het Witte Huis. Adviseur van de President. Zijn rechterhand op het gebied van buitenlandse zaken heeft onverwacht ontslag genomen. De geruchten gaan dat zij het niet eens was met de oorlogzuchtige koers van Bush. Nu is er snel een opvolger nodig. Heel snel, want de oorlog tegen Irak kan elk moment uitbreken. Juist daarom heb ik besloten om te solliciteren. Ik moet de mensheid redden.

Net zoals in 1961. Toen was ik de lijfarts van Chroetsjov. Hij luisterde altijd goed naar medici, dat had hij wel geleerd na zijn eerste hartaanval. Ik adviseerde hem ten sterkste om de Russische atoomonderzeeërs die op weg waren naar Cuba, rechtsomkeert te laten maken. Een derde wereldoorlog zou te emotionerend zijn, funest voor zijn hart. Hij luisterde. En zo behoedde hij - ik - de wereld voor een nucleaire oorlog.
Kennedy was de held. Ik wist wel beter.
Maar dat geeft niet. Ik werk in de anonimiteit.
Het gaat mij niet om de eer, het gaat om het resultaat.
De mens is zwak en vooral bang. Soms heeft hij hulp nodig van boven. Die krijgt hij - het is niet zíjn fout dat de schepping onvolmaakt is en de schepper feilbaar.

'Denk je dat je wordt aangenomen?', vraagt Charles.
Dat staat al vast, maar dat weet híj niet.
'Ik hoop het', zeg ik.
'Zorg dat je een paar Bijbelteksten paraat hebt', lacht hij, 'daar is Bush heel gevoelig voor, hij is een gelovig man'.
Ik hoop het, denk ik.

Charles vertelt over de vele landen waar hij gestationeerd is geweest. Hij noemt diverse brandhaarden, hij is graag daar waar de actie is.
Nu weet ik weer waar ik hem van ken, ik ben hem al meerdere keren tegengekomen.

Zo stond ik ooit als voorlichter naast President Sadat tijdens diens historische vredesbezoek aan Israël. Charles stond midden in de enorme kluwen journalisten, zijn bruine haar door de war, zich een weg naar voren duwend om een vraag te kunnen stellen.

Ik was de minnares van Nelson Mandela vlak nadat hij werd vrijgelaten uit de gevangenis. Gelukkig luisterde hij naar mij en niet naar Winnie: hij riep zijn zwarte broeders op om geen wraakacties te ondernemen tegen hun blanke medeburgers.
Ik zat erbij toen Charles hem interviewde voor de Nederlandse televisie. Op de tweede rij, zoals ik altijd op de tweede rij zit, vlak achter de machtigen der aarde. In steeds andere gedaanten.

Daarom herkent Charles mij niet. Ik hem wel. Hij is vaak op tv, hij heeft een bekend gezicht.
Ik niet. Daarom herkent niemand mij.
En hoewel velen dagelijks over me spreken, ként ook niemand mij.

Ik hen wel. Ik heb ze tenslotte gemaakt.
Daarom voel ik me ook verantwoordelijk voor wat ze doen.
En voor wat ze misdoen.
Vandaar dat ik op weg ben naar de President van de Verenigde Staten. Ik moet hem op andere gedachten brengen.
De tijd dringt.

Gelukkig doet de Concorde er maar drie uur over. Nog gauw een drankje, dan zijn we er.

Charles geeft me zijn kaartje en zegt:
'Ik heb een afspraak in New York, daarna vlieg ik ook door naar Washington. Ik hoop je nog eens tegen te komen. Misschien kunnen we eens ergens wat gaan drinken?'
'Ik bel je wel als ik die baan heb, dan hebben we wat te vieren'.
Hij lacht. Ik lach.

Dan verdwijnt hij uit zicht.
Ik loop de enorme aankomsthal in.
Aan de muur hangt een reusachtige Amerikaanse vlag, met daaronder een tekst.
Ondanks mijn haast en de loodzware opdracht die op mijn schouders rust, kan ik een glimlach niet onderdrukken als ik die lees:
'God Bless America'.



Loes Gouweloos

'From me to you'

'Mijn broer is naar Londen geweest en hij heeft een plaatje voor me meegenomen van een groep die ineens heel populair is in Engeland: de Beatles'.

Ik ben twaalf en op bezoek bij een schoolvriendinnetje. Op de radio luister ik wel eens naar nummers van Cliff Richard of Rickie Nelson, maar van de 'Beatles' heb ik nog nooit gehoord.
Mijn vriendin zet de naald van haar rode plastic platenspelertje op het 45-toerenplaatje, en ik hoor de beginklanken van 'From Me To You':
Een snerpende mondharmonica, twee rauwe, ongeschoolde stemmen, maar vooral een meeslepend ritme, gecreëerd door bas en drums: de Mersey Beat. Dan begint het liedje zelf, gezongen met een enorme gedrevenheid en enthousiasme, en gelardeerd met hoge, schelle falsetto-uithalen.
Zoiets heb ik nog nooit gehoord, dit gaat door merg en been. Kippenvel, brok in de keel, tranen in de ogen. Ik ben voorgoed verkocht.

Thuisgekomen deel ik mijn ouders mee:
'Ik ga van mijn zakgeld een plaatje kopen. Van de Beatles.'
Een rib uit m'n lijf, want ik krijg maar een kwartje per week zakgeld. Mijn vader is bang dat ik al na een week spijt zal krijgen van mijn dure aankoop en probeert me op andere gedachten te brengen: 'Doe nou niet zo stom, zonde van je geld. De Beatles! Over een jaar heeft niemand daar meer van gehoord!'

Als beginnende puber word ik door dat commentaar van mijn ouderwetse vader - die alleen maar houdt van klassieke muziek - natuurlijk nóg vastbeslotener.
Ik koop de plaat.

En ik luister er tot op de dag van vandaag nog steeds naar.
Mijn 88-jarige vader erkent inmiddels zijn ongelijk: de Beatles zijn bepaald nog niet vergeten. En terecht, vindt hij zelfs.
Hij houdt nog steeds alleen maar van klassiek. Maar de Beatles zíjn nu klassiek.


Loes Gouweloos

Een goeie jongen

Op een bankje bij de Rotterdamse haven zit ik te genieten van de zon en van het schouwspel van de Wereldhavendagen. De prachtigste schepen zijn al aan mijn oog voorbij getrokken, en nu nadert het pronkstuk: een schitterende, oude, houten raderboot.
'Mooi ding hè, gisteren was tie d'r ook al', hoor ik opeens.
Naast me heeft een man plaatsgenomen van een jaar of 75. Een echte Rotterdammer, dat hoor ik meteen.
'O ja, was U hier gisteren ook?', vraag ik.
'Ik kom hier elke dag', antwoordt hij. Zijn stem klinkt wat melancholiek: 'Wat mot je anders hè, als man alleen.'
'O, u bent alleen.'
'Ja ja, vier maanden geleden is mijn vrouw gestorven. Agressieve vorm van borstkanker, het was zó afgelopen. Gelukkig heeft ze niet veel pijn gehad'.
'We hebben ons 45-jarig huwelijksfeest nog gevierd in het ziekenhuis. Ja ja, mevrouw, 45 jaar samen… Dat is nie niks hoor, dan kén je niet meer buiten mekaar'.
'Op een gegeven moment lag ze zó stil… Ik vroeg aan de zuster: 'Wat denk u nou, is ze nou…?'
Ik kon geeneens verschil zien met als ze sliep. Maar het was al gebeurd.
Gek hè, ik ben al 78, maar ik had het nog nooit gezien, dat iemand dood gaat.
Tsja, en nou ben ik dus alleen. Daarom kom ik elke dag maar effe hier kijken, naar de schepen, er is hier altijd wel íets te zien.'
'En uw kinderen, of heeft u die niet?'
'Ja ja, we… eh, ík heb een zoon. Maar die woont in Amerika. Die verdient daar goud geld, hij heeft een hele goeie baan. Daar heeft 'ie het ook zó druk mee dat ie niet op de begrafenis van z'n moeder kon komen'.
'Ach ja, zo gaat dat hè? We hadden hem al jaren niet meer gezien, maar op de één of andere manier miste ik hem wél toen ik daar alleen aan dat graf stond…
Maar ik ken het begrijpen hoor, zaken gaan voor'.

'En het is tóch een goeie jongen. Want wat denk U? Twee weken na de begrafenis plofte d'r in enen een enveloppe op mijn deurmat. En weet U wat daar in zat?
Een ticket voor een vliegreis naar Amerika.
Dus begin volgend jaar gaat ik hem opzoeken. Gaat ik voor het eerst van mijn leven vliegen, helemaal alleen. Heeft mijn zoon betaald, dat is toch wel een mooi doukeurtje, of niet soms?
Alleen moet ik eerst nog effe sparen van mijn AOW-centen, want de terugreis moet ik zelf betalen van mijn zoon.
Ja, die heeft alles piekfijn uitgedacht voor zijn ouwe vader. Ik zeg 't al: 't is een goeie jongen'.

'Nou mevrouw, ik moes maar weer eens gaan. Morgen kom ik hier toch wéér.
Fijn dat ik effe met U heb mogen praten.'


Loes Gouweloos

Met dank aan 'Kronkel'

Kaalslag

Pas nu besef ik wat een luxe het was. Als ik opeens een halfje brood of een pak melk nodig had, hoefde ik niet naar een verafgelegen winkelcentrum. Want vlakbij, op een pleintje aan het eind van mijn straat, was een mini-winkelcentrumpje. Daar kon ik alle eerste levensbehoeften kopen: brood, groenten, en boter, kaas en eieren. Handig én gezellig.

Maar een paar jaar geleden begon het, die gezelligheid werd steeds minder. Oorzaak? De buurtslager kreeg last van expansiedrift.

Eens was hij één van de anderen, samen met de buurtbakker, de buurtgroenteman en de buurt-zuivelman. Maar ineens veranderde er iets. Eerst kreeg hij ruzie met de eigenaar van het boter-kaas-en-eierenwinkeltje. Een goeiige, vriendelijke man in een soort blauwe stofjas, altijd in voor een praatje. Zijn winkel was het sociale trefpunt van de buurt. Rommelig, inefficiënt, maar oergezellig. Het lange wachten op een pondje kaas was helemaal niet erg, dan kon ik lekker bijpraten met buurtgenoten.
De zuivelman leek het type mens waar je onmogelijk ruzie mee kunt krijgen. Maar de slager lúkte het. Het conflict liep zo hoog op dat hij besloot tot een branchevervagende strijd op leven en dood. Hij ging óók boter, kaas en eieren verkopen. Onder de prijs. De klandizie bij zijn zachtaardige buurman liep zienderogen terug. En toen, toen stond het winkeltje opeens te koop. Er kwam een bloemist in. Leuk, maar bloemen zijn geen eerste levensbehoefte.

De overambitieuze ex-slager ging meedogenloos verder: hij ging brood verkopen. Broodroof dus - binnen de kortste keren stond de bakkerswinkel te koop.
Toen ging zijn zaak twee weken dicht. Het opschrift 'Slagerij' op zijn pui werd vervangen door een reusachtig, opzichtig bord. 'Troefmarkt', stond daarop.
Toen hij weer openging, was de winkel-met-toonbank veranderd in een klein supermarktje. Té klein voor winkelwagentjes, maar met mandjes kon je je net door de gangpaden wringen. Langs de schappen met koekjes, hondenvoer, chips, en… groenten. Exit groenteboer. In zijn pand kwam een afhaal-Italiaan.

De buurtsuper liep als een trein. De mensen deden al hun boodschappen tegelijk, hoefden niet lang te wachten, alles was super-efficiënt. De strijd leek gestreden.

Maar nóg was het niet genoeg. Ineens hing er een papiertje 'Te koop' aan de ruit van de snoepwinkel naast de buurtsuper. Nog geen week later had de slager dat winkeltje gekocht.
Hij brak de tussenmuur uit om zo zijn winkel ruimer te maken. Zijn overwinning was compleet: hij kon zijn bood-schappenmandjes gaan vervangen door flitsende, fonkelnieuwe winkelwagentjes. Super…

Toen gebeurde het onvermijdelijke: de slager en zijn vrouw waren in hun honger naar succes al vijf jaar niet meer met vakantie geweest, ze werkten 80 uur per week, het werd hen teveel, ze stortten in.
Pas toen beseften ze dat geld niet gelukkig maakt, pas toen begrepen ze dat er meer is in het leven dan een hoge omzet. De slager nam een baan aan als Hoofd Vleeswaren in een échte supermarkt. Een 36- urige werkweek, elk jaar vakantie, geen stress meer. Fijn voor hem. Fijn voor zijn vrouw.

Maar de buurt zit met de gevolgen. Voor onze inkopen moeten we nu kilometers fietsen naar een hypermoderne, drukke winkelpromenade. Een onverdraaglijke tegenstelling met het oude, gemoedelijke pleintje aan het eind van onze straat.
Waar eens het slagersimperium heerste, heerst nu een angstaanjagende rust. Geen kaasman meer, geen groenteman, geen bakker, zelfs geen slager.
Alleen nog hangjongeren, scheurende brommers van pizzacouriers, en grote plakkaten achter de ruiten van alle winkelpanden: TE HUUR.
Wat begon met een spannende prijzenslag, is geëindigd in een troosteloze kaalslag…


Loes Gouweloos

Het debuut

Als klein meisje wist ze het al: later zou ze zangeres worden.
Vanaf haar kleuterjaren zong ze al dag en nacht. Haar moeder zei ook altijd: ‘Betty kon eerder zingen dan praten’, en dat zou best eens waar kunnen zijn.
Op de lagere school van het kleine Amerikaanse provinciestadje waar ze opgroeide, schalde haar hoge, heldere stemmetje boven alles en iedereen uit.
Zingen was alles voor haar, het schonk haar vreugde en troost.
Die troost had ze van jongs af aan ook wel nodig, want afgezien van een mooie stem, had de natuur haar niet royaal bedeeld. Ze was klein, mollig, pukkelig, en haar ogen waren heel erg slecht. Ondanks de nodige brilletjes en, later, brillen, was ze altijd vreselijk kippig geweest.
Ze nam zichzelf dan ook al op jeugdige leeftijd voor dat als ze eenmaal op het podium zou staan als zangeres, ze de mooiste gewaden zou dragen die er bestonden, en dat ze nooit een bril op zou zetten.
De mensen moesten háár zien, zij de mensen niet. Zíj moest alleen maar stralen en schitteren, en de sterren van de hemel zingen, dat was haar bestemming.

Toen ze wat groter werd, ging ze op zangles, en ook haar leraren waren diep onder de indruk van haar talent. Zij schoolden haar stem, en zelf werkte Betty ook vol toewijding aan het vervolmaken van haar geluid. Ze verdiepte zich in de klassieke muziek, en vooral in opera, want ze wist al gauw dat daarin haar toekomst lag.
Als ze een operarol zong, was het alsof de kleine, kippige Betty niet meer bestond, dan werd ze een schitterende gravin of een betoverende prinses, en werd ze begeerd door knappe prinsen en hartstochtelijke minnaars.
Misschien was het wel daarom dat ze de allermooiste rol die van Tosca vond.
Tosca, de heldin uit de gelijknamige opera van Puccini: ook in de opera zelf een zangeres, maar dan wel een hele mooie, die alle mannen het hoofd op hol doet slaan met haar schoonheid en verleidelijkheid. Ze worden zelfs zo jaloers om haar dat ze elkaar doden in hun strijd om de gunsten van Tosca.
En dan die prachtige aria´s die bij de rol horen, met als hoogtepunt het dramatische
´Vissi d´arte´: ´Ik heb geleefd voor de kunst, ik heb geleefd voor de liefde´ zingt Tosca daarin.
Als Betty dat zong, was ze één met haar heldin. Dat kwam óók doordat ze het lied extra intens beleefde, omdat Tosca even later zelfmoord zal plegen door van de kantelen van de Engelenburcht naar beneden te springen.

Naarmate Betty zich bekwaamde in de zangkunst, werd het haar grote ideaal om haar eerste hoofdrol in deze opera te zingen: debuteren als Tosca, die wens liep als een rode draad door haar jeugd.
Als de zangoefeningen wel eens saai dreigden te worden, als haar leraren haar keer op keer bleven verbeteren, als regisseurs aanmerkingen maakten op haar uiterlijk, hield ze zichzelf altijd voor: ´Wacht maar, er komt een tijd dat jullie zullen pochen dat je met me hebt mogen werken. Er komt een tijd dat het publiek, de wereld, aan mijn voeten zal liggen. Na mijn debuut als Tosca´.
Natuurlijk was de weg lang. Voordat een sopraanstem werkelijk gevormd is, zijn jaren en jaren van training noodzakelijk.
Talloze bijrollen zong Betty, en lang niet altijd rollen die haar lagen.
Maar ze moest er doorheen, het hoorde er allemaal bij, dat wist ze.
En die jaren van oefening wierpen wel hun vruchten af: haar stem werd rijper, haar zelfvertrouwen op het toneel groeide, de kritieken werden steeds beter, en langzamerhand kreeg ze ook grotere rollen aangeboden.

En toen, ze was bijna dertig, kwam het telefoontje dat ze in haar dromen al honderd keer gekregen had. Het was een bekend impresario, die haar vertelde dat vanaf oktober de opera ´Tosca´ zou worden uitgevoerd in Minnesota. En voor de hoofdrol had men aan háár gedacht... Natuurlijk hapte Betty onmiddellijk toe, en toen ze de telefoon had neergelegd, danste ze door de kamer van geluk. Haar droom was uitgekomen, ze ging Tosca spelen!

De maanden daarna gingen als in een droom voorbij. Natuurlijk werd er hard gerepeteerd, maar Betty was al zo één met haar rol, dat ze deze tijd beleefde als één van innig geluk. Ze zong en ze zong, steeds mooier, en in haar schaarse vrije tijd dacht ze alleen maar aan die grote avond, op 27 oktober, als ze zou debuteren en het publiek aan haar voeten zou liggen. En aan de dag erna, als alle kranten zich zouden uitputten in lovende recensies. Ze zag de koppen al voor zich: ´A Star Is Born´, ´Elizabeth Knighton Printy: De nieuwe Callas´.

De dag van de première besteedde ze uren aan het kleden en aan de grimage. Het resultaat was betoverend: ze zag er prachtig uit, als een echte Tosca. Toen men haar kwam waarschuwen dat ze over twee minuten op moest, haalde ze diep adem, zette haar bril af, en liep half ziende, half op de tast door de voor haar inmiddels overbekende gangen naar de coulissen. Het orkest zette in, Betty stapte het toneel op, en ze werd op slag Tosca: vanaf de eerste noot zong ze zoals ze nog nooit had gezongen. De zaal werd muisstil, men voelde dat men getuige was van een historisch debuut: wat een stem, wat een uitstraling! Men was in extase, en Betty voelde dat.

Bij de grote climax, ´haar´ ´Vissi d´arte´ gaf ze alles wat ze had. De adem van het publiek stokte, je kon een speld horen vallen.

Aan het eind van de derde akte, vlak voor haar zelfmoordscène, wist Betty zeker dat dit háár avond was, dat men over dit debuut nog tot in lengte van jaren zou spreken.
Als in een roes liep ze op de geïmproviseerde afgrond af.
In een flits zag ze nog de krantekoppen voor zich waar ze al jaren van had gedroomd.
Toen maakte ze de sprong...


(krantenbericht uit NRC Handelsblad 27-11-1996):

SOPRAAN ZWAAR GEWOND NA
SPRONG UIT VERKEERDE RAAM
Minnesota, 27 oktober: De Amerikaanse sopraan
Elisabeth Knighton Printy is gisteravond tijdens
een uitvoering van Puccini’s opera ‘Tosca’ zwaar
gewond geraakt. Tijdens de zelfmoordscène aan
het eind van de opera sprong de sopraan uit het
verkeerde raam, en maakte een val van vijf meter.
Achter het goede raam, dat maar één meter hoog
was, lag een matras klaar en stonden helpers te
wachten om haar op te vangen. Knighton Printy
is met een heupfractuur en twee gebroken benen
in het ziekenhuis opgenomen.
Reuter Press

Loes Gouweloos

De Zevende

De Zevende Symfonie van Sjostakovitsj is voor mij het prachtigste, heftigste, vurigste, meest dramatische muziekstuk dat er bestaat. Deze machtige, anderhalf uur lange symfonie heeft telkens weer een verpletterend effect op me. Dat komt door de onaards mooie muziek, maar ook door de ontstaansgeschiedenis, die een extra dimensie geeft aan mijn beleving. Die geschiedenis is op zichzelf zo aangrijpend dat je de magie al voelt voordat je één toon van het stuk hebt gehoord.

Sjostakovitsj, geboren in Leningrad, schreef zijn 'Leningrad Symfonie' tijdens de Tweede Wereldoorlog, als eerbetoon aan de burgers van zijn stad tijdens de belegering door de Nazi's.
In het eerste deel, een mars, hoor je de Duitse troepen naderbij komen, je voelt het geweld van de helse, allesvernietigende oorlogsmachine. Maar daar tussendoor hoor je ook steeds, soms schreeuwend hard, soms fluisterend zacht, hetzelfde lieflijke Russische volksliedje. Dat eerste deel is het meest indrukwekkende van de vier delen. Maar de rest mag er ook zijn, en in de finale barst het orkest los als nooit tevoren. Leningrad is verwoest, er zijn meer dan 600.000 burgers omgekomen, maar de onoverwinnelijkheid van het Russiche volk, de onbreekbaarheid van de Russiche ziel, zal uiteindelijk overwinnen. Dat geloofde Sjostakovitsj, en dat hóór je in zijn muziek.

Al ontelbare keren heb ik dit meesterwerk thuis beluisterd, met rillingen over de rug en kippenvel van top tot teen. Toen las ik dat het eindelijk in Nederland zou worden uitgevoerd.
En ook nog op een zeer bijzondere wijze. Voor één keer zouden het Rotterdams Philharmonisch Orkest en het orkest van de Kirov Opera - uit Leningrad - gezamenlijk plaatsnemen op het podium. En dirigent van dit spektakel zou Valery Gergiev zijn. Niet alleen een charismatische, bezielde topdirigent, uitblinkend en gespecialiseerd in vurige uitvoeringen van modern-klassieke Russische muziek, maar ook nog afkomstig uit Leningrad.
Wat wilde ik nog meer? Ik bestelde onmiddellijk een kaartje. En ik bofte: ik had een prachtige plek. Precies midden voor het toneel en - heel toevallig - op de zevende rij.
Een garantie voor optimaal genieten. En gisteravond was het eindelijk zo ver.

De hele dag verkeer ik al in hoger sferen. Vanavond gaat het gebeuren, dan hoor ik voor het eerst 'mijn' Zevende van Sjostakovitsj live! Ik kan haast niet wachten, en ga zeer ruim op tijd van huis.
Maar toch niet ruim genoeg. In mijn opwinding ben ik vergeten dat het op vrijdag in Rotterdam koopavond is. Daardoor zijn alle parkeergarages vol, en duurt het anderhalf uur voordat ik eindelijk het concertgebouw De Doelen binnenren.

"Het is al begonnen hoor, mevrouw", zegt de kaartjescontroleur. Dan snap ik, maar - hoewel ik niet eens weet wat er vóór de pauze wordt uitgevoerd - ik ben tóch alleen maar geïnteresseerd in de Zevende, die natuurlijk daarna zal komen. Ik besluit te wachten voor de deur van de concertzaal, zodat ik in de pauze meteen mijn plaats kan zoeken, 20 minuten heb om bij te komen van parkeerperikelen, en dan kan gaan genieten van het spektakel.

Bij de deur staat een ouvreuse. Een oudere, gezette vrouw, in een feestelijk rood ouvreuse-jasje dat zo strak is aangemeten dat haar respectabele buste eveneens zeer feestelijk uitkomt.
Met een onvervalst Rotterdams accent vertelt ook zíj me dat het concert al begonnen is en dat ze me dus niet mag binnenlaten. Ontspannen glimlachend vertel ik haar dat ik het niet erg vind om te wachten tot de pauze.
"Maar er ís geen pauze, mevrouw," antwoordt ze, "ze zijn al begonnen met de symfonie."

Ik ben sprakeloos. Maandenlang heb ik moeten wachten, heb ik me verheugd op deze avond, en dan zal ik nu alles missen omdat ik tien minuten te laat ben? Als ik enigszins ben bekomen van de schrik, vraag ik: "Maar mag ik dan niet heel stil naar binnen sluipen? Desnoods blijf ik stáán, ik zal heus niet uitgebreid naar mijn plaats gaan zoeken."
"Sorry Mevrouw", zegt ze, en ik hoor aan haar toon dat ze echt met me te doen heeft, "maar ik mag alleen mensen binnenlaten als er applaus is, en ze zitten nu al middenin het stuk, dus er kómt geen applaus meer."
Ik vertel haar wanhopig dat ik anderhalf uur onderweg ben geweest en dat ik er écht niets aan kan doen dat ik te laat ben. Ik zie haar medelijden groeien. Maar ze blijft onvermurwbaar.
Ik hoor hoe binnen het eerste deel zijn oorverdovende climax nadert. Slechts een houten klapdeur scheidt me van De Zevende, van Gergiev. Zo dichtbij en toch zo ver weg…

"Normaal zou ik u nog wel stiekem binnenlaten", zegt de moederlijke ouvreuse, "maar dit is zó'n speciale avond… De hele Directie zit binnen, ik ken het echt niet maken. Ik vind het héél erg rot voor u, want we zijn allemaal maar mensen, maar het kén gewoon niet!"
Ik snap dat zij er ook niets aan kan doen, slik mijn verdriet weg, verfrommel mijn entréebewijs van 30 Euro, draai me om, en loop weg. Met gebogen hoofd en tranen in mijn ogen.

En dan, vlak voordat ik naar buiten wil stappen, hoor ik opeens in de verte een klaterend applaus. Middenin een symfonie! Óf het publiek is zo ondeskundig dat ze denken dat ze na een mooi gespeelde passage mogen klappen, óf er is zo prachtig gespeeld dat men spontaan is uitgebarsten in een applaus. Maar wat maakt míj het uit? Er wordt geklapt, en zo lang dat duurt, mag ik naar binnen. Dat had de ouvreuse immers gezegd?

Ik ren terug, door de immense, verlaten entreehal, twee trappen op, richting zaal. Hijgend arriveer ik weer op de plek waar ik een paar minuten geleden nog was afgedropen. De ouvreuse staat met de deurknop in haar hand, ze had me blijkbaar al verwacht. Ze lacht me blij toe, opent de deur op een kier, en sist:
"Vlúg, naar binnen! En gauw gaan zitten hoor, als ze weer gaan spelen!"
"Oké, en bedankt!".

Zodra ik binnen ben, verstomt het applaus. Je kunt een speld horen vallen. Daar stá ik dan, hijgend en zwetend, in een bomvolle concertzaal met 2300 mensen. Die allemaal zítten.
Ik heb het gevoel dat iedereen naar me kijkt. Ik zoek of ik ergens een lege stoel zie, maar die is er natuurlijk niet. Het orkest speelt alweer, dus ik kan ook niet gaan lopen zoeken. Daarom blijf ik maar staan. Doodstil. Leunend tegen de muur. Na een half uur krijg ik overal pijn, dit houd ik echt geen anderhalf uur vol.
Aan het eind van het tweede deel ruik ik mijn kans. Even verslapt de concentratie, er worden kelen geschraapt in het orkest en in de zaal, men gaat verzitten, men snuit neuzen. Ik sluip naar de dichtstbijzijnde trap tussen twee rijen publiek, en ga zitten. Geen luxe plaats, maar in elk geval zít ik en ik kan alles horen. Maar niet alles zíen.
Zo onopvallend mogelijk schuif ik geleidelijk aan omhoog tot ik het hele orkest kan zien. Ik tel de treden: ik zit op… de zevende.

Pas nu kan ik me echt gaan concentreren op het concert. Wat ik zie en hoor is imposant. Elke centimeter van het immense toneel is bezet. Bij elkaar zitten er 131 musici. Acht daarvan zijn slagwerkers, een meer dan dubbele bezetting. Bij de meest heftige passages slaan ze alle acht uit alle macht op hun pauken en trommels. Er staat zelfs een manshoge gong opgesteld.
Langzaamaan valt de spanning van me af en raak ik toch nog in hoger sferen.
Ik kijk naar Gergiev: die is daar allang. Super-geconcentreerd dirigeert hij met half gesloten ogen en trillende handen zijn twee orkesten. Het samenspel is perfect, alsof ze nooit anders hebben gedaan. Het publiek is muisstil, de sfeer om te snijden. Geleidelijk aan verdwijnt mijn pijn. De ontberingen van de avond worden verdrongen door de overweldigend prachtige muziek.

Ik zit op mijn harde traptree en denk: "Ik zit hier niet echt lekker. Maar dat klopt eigenlijk wel, want in 1942 zaten de concert-bezoekers tijdens de première óók niet echt lekker."
Ik herinner me wat ik daarover heb gelezen: tijdens die eerste uitvoering zaten er soldaten in de zaal met hun mitrailleurs nog in de hand. Ze hadden het front even verlaten om deze bij voorbaat reeds historische avond bij te wonen. Halverwege het concert, toen het publiek al volledig in trance was, kwam er een hoogwaardigheidsbekleder het toneel op. Hij ging naast de dirigent staan en zei: "Dames en heren, er komt zo direct een Duitse luchtaanval. U wordt dringend verzocht onmiddellijk naar de schuilkelders te gaan."
Maar het publiek bleef zitten, niemand verliet de zaal, men riep alleen massaal: "Dóórspelen!" Toen dezelfde ambtenaar na de finale weer, met dezelfde boodschap, het toneel betrad, schreeuwde men: "Dat wéten we!"
En men bleef applaudiseren, meer dan een uur, met gevaar voor eigen leven. Ik heb dat altijd een prachtig verhaal gevonden, maar tegelijk ook onbegrijpelijk.

Dan begint de finale. Gergiev gebaart zijn 131 orkestleden dat zij nu echt álles moeten geven.
De blazers spelen de longen uit hun lijf, de batterij slagwerkers haalt nog één keer alles uit de kast. Oorverdovend tromgeroffel, dreunende pauken, schetterende trompetten. Ik voel de vloer trillen, ik voel mezelf trillen. En pas nu begrijp ik écht wat Sjostakovitsj wilde zeggen. Ik voel zijn gevoel van onoverwinnelijkheid in elke vezel van mijn lichaam.
Bij elke trompetstoot, elke paukenslag, voel ik dat de Russische, de menselijke ziel inderdaad niet te breken is. En na de laatste, afsluitende klap op de reusachtige gong begrijp ik nu opeens wél dat in 1942 die zaal in Leningrad bleef doorapplaudiseren tijdens de luchtaanval.
Als je zoiets magistraals hoort, voel je geen angst meer, dan wil je alleen nog maar uitbarsten in een daverende ovatie.

Datzelfde gebeurt nu, bijna 60 jaar later, in Rotterdam. Het publiek is uitzinnig. Men klapt niet alleen, men stampt, men schreeuwt, men fluit - dit heb ik nog nooit meegemaakt na een klassiek concert. Keer op keer moet Gergiev terugkomen. Zijn ogen staan hol, hij ziet er bleek en uitgeput uit, volkomen leeg. Maar ook intens gelukkig. Hij straalt.

En ik ook. Het was een onvergetelijke avond. Ik klap tot ik niet meer kan en loop dan als in een roes de zaal uit. Achter me gaat de ovatie voort. De vermoeide Gergiev komt opnieuw het podium op om het applaus in ontvangst te nemen. Voor de zevende keer.


Loes Gouweloos

De pianostemmer

'Tot onze ontsteltenis ontvingen wij enkele dagen geleden het bericht dat onze medewerker, de heer De Boer, betrokken is geweest bij een ernstig verkeersongeluk. Daarbij is zijn vrouw om het leven gekomen. De heer De Boer zelf is in kritieke toestand overgebracht naar het Dijkzigt Ziekenhuis in Rotterdam, waar hij is opgenomen op de Intensive Care. Op het moment ligt hij nog in coma. De artsen kunnen geen uitspraken doen over zijn vooruitzichten.
Wij houden u op de hoogte'.

Deze brief ontving ik jaren geleden van de zaak waar ik mijn piano een jaar daarvoor had gekocht. Met de koop had ik een zogenaamd 'stemabonnement' afgesloten. Om de zes maanden zou er een pianostemmer bij me langskomen.
Korte tijd later belde die me op om een eerste afspraak te maken: "Met De B B B B
Boer, uw p p p pianostemmer."
Toen hij de volgende dag kwam, bleek hij 'face to face' nog erger te stotteren dan door de telefoon. Een normaal gesprek was bijna niet mogelijk.
Maar hij was erg aardig en mijn piano stemde hij feilloos. Een echte, ouderwetse ambachtsman. Hij had niets op met die moderne electronische stemapparaten die veel pianostemmers tegenwoordig gebruiken. Hij deed alles nog op gehoor. Hij haalde een stemvork tevoorschijn, tikte er even mee op de rand van mijn piano, hield hem aan zijn oor, en sloeg de A-toets aan. Met een stevige draaisleutel draaide hij de bout van de snaar net zo lang aan tot de A haarzuiver klonk. Daarna sloeg hij één voor één alle andere 87 toetsen aan, vergeleek ze met de inmiddels zuivere A, allemaal op gehoor, en na een uurtje was hij klaar.

Als een soort eindcontrole ging hij er eens even goed voor zitten, en speelde als een volwaardig concertpianist een vrolijk, virtuoos stuk, waarbij alle toetsen, van de allerlaagste tot de allerhoogste, aan de beurt kwamen. De vonken sloegen er vanaf.
Hij kon misschien niet zo vlot praten, maar piano spelen kon hij des te beter. De levendige, vrolijke melodie en manier van spelen maakten duidelijk dat hier een vitale, opgewekte man achter mijn piano zat.

De tweede keer dat hij kwam ging het precies hetzelfde. En opnieuw luisterde ik vol bewondering naar zijn spetterende slotoptreden.

Kort daarna ontving ik de brief van zijn werkgever, enige tijd later gevolgd door het bericht dat de heer De Boer na enkele weken uit zijn coma was ontwaakt en dat direct levensgevaar geweken was. Maar hij moest nog wel enige maanden op de Intensive Care blijven, en zou, áls hij al kon genezen, na zijn ontslag uit het ziekenhuis een langdurige revalidatieperiode tegemoet gaan.

Toen mijn piano weer gestemd moest worden, kwam er een collega. Die vertelde wat er was gebeurd: frontale botsing op een donkere weg, bij nat weer met slecht zicht.
Echtgenote ter plaatse overleden, en mijn pianostemmer was uit het wrak gezaagd.
Zijn borstkas was volledig in elkaar gedrukt, wat maar kon breken wás ook gebroken, hij had ernstige hartproblemen, kon niet meer praten, lag al maanden aan de beademing - kortom: het zou al mooi zijn als hij het zou overleven, maar een eventuele werkhervatting leek vrijwel onmogelijk.

Een half jaar later kwam de collega weer. Hij vertelde dat het langzaamaan beter ging met de heer De Boer, maar dat hij zodra hij weer even aan het werk probeerde te gaan - niet bij mensen thuis, maar rustig aan en veilig in de opslagruimte met nieuw gearriveerde piano's - direct een terugslag kreeg en naar huis moest.
Wel was hij zelf vastberaden om uiteindelijk weer aan het werk te gaan, maar, ook gezien zijn leeftijd, vroeg de collega, en ik mét hem, zich ernstig af of dat ooit nog zou lukken.

Tot afgelopen woensdag. 's Avonds om een uur of acht gaat de telefoon:
"Met De Boer, uw pianostemmer. Ik wilde weer eens een afspraak met u maken. Schikt het morgenmiddag?"
Ik ben overdonderd, zeg alleen maar dat het schikt, en hang op.
Even later realiseer ik me opeens: "Hij stottert niet meer."
Én hij is blijkbaar toch zover opgeknapt dat hij weer werkt. Ik kan het haast niet geloven.

De volgende ochtend ben ik gewoon een beetje nerveus. Hoe zal het met hem gaan? Wat moet ik zeggen? Wat moet ik vragen? Wat mág ik vragen? Hoe zal hij eruit zien?

Precies op het afgesproken tijdstip belt hij aan. Terwijl hij met de lift omhoog komt, sta ik hem met bonzend hart op te wachten in de deuropening.
De deur van de galerij zwaait open. Met een krachtige pas en een uitgestoken hand loopt hij op me af. "Dag Mevrouw, daar ben ik weer."
"Dat is lang geleden. Hoe gaat het met u?"
"Nou, ik werk weer halve dagen, en dat gaat goed hoor. Natuurlijk is het weer even wennen, ook omdat ik behalve mijn werk nu ook de huishouding moet doen. En ik moet inkopen doen en koken. En mijn sociale contacten bijhouden natuurlijk, want dat is erg belangrijk."
Een krachtige stem, geen gestotter meer, openhartig en vol goede moed. Ongelooflijk.

Terwijl hij zijn koffie opdrinkt, vertelt hij nog dat hij weliswaar voor 25% is afgekeurd, maar dat hij over ongeveer een jaar gewoon weer voor 100% wil werken, hij heeft geen zin om steeds geconfronteerd te worden met uitkeringsinstanties die hem, nadat hij 38 jaar premie heeft betaald, behandelen alsof hij 'een crimineel' is.
En bovendien: "Ik heb leuk werk, dus ik wil het ook graag. Dat red ik best."

Terwijl hij als vanouds mijn piano met vaardige hand zit te stemmen, denk ik: Geweldig, wat een mentaliteit. Wat een ongelooflijke vechter.
Maar toch, ondanks het respect dat ik voel, is er ook iets in me dat zegt: "Dit klopt niet, dit kán gewoon niet. Zo vrolijk, zo doen alsof er niets meer aan de hand is, terwijl je nog geen anderhalf jaar geleden je vrouw hebt dood zien gaan terwijl jij zwaar gewond en machteloos naast haar zat, terwijl je wekenlang in coma hebt gelegen, maandenlang niet hebt kunnen praten, een half jaar in een revalidatiecentrum hebt gezeten. Misschien maak je jezelf wel wijs dat alles weer OK is, maar ík geloof het niet."

Maar ik kan niks bewijzen, hij praat beter dan vroeger, hij zit kaarsrecht op mijn pianokruk, en hij werkt hard en goed. Zo goed dat hij na drie kwartier klaar is met het stemmen van mijn piano.

Tijd dus voor zijn traditionele slotoptreden. Ik spits mijn oren, want ik wil geen noot missen van zijn gebruikelijke vrolijke, vitale pianospel.

En dan komt de geest uit de fles. Hij buigt zijn hoofd, sluit zijn ogen, en begint te spelen. Alleen is het dit keer geen vrolijk deuntje, maar een langzaam stuk, in mineur.
Traag glijden zijn vingers over de toetsen, vooral over de lage toetsen. Het stuk duurt veel langer dan ik van hem gewend was. Hij verliest zich er in, improviseert op de melodie, slaat de mineurakkoorden steeds nadrukkelijker aan.

Meneer De Boer speelt de blues.
Hij is wel veranderd en hij is niet veranderd.
Nog steeds zegt hij met zijn muziek veel meer dan met woorden, net als vroeger.
Maar wát hij zegt, is iets anders dan vroeger.

Uiteindelijk stopt hij met spelen, en valt weer terug in de rol die hij in korte tijd zo perfect heeft leren spelen.
"Zo, nou nog even de klep terugleggen, en als u hier dan wilt tekenen, dan is het weer helemaal voor elkaar. U kan weer een half jaar spelen op een goed gestemde piano. Bedankt voor de koffie, en tot ziens!"

Hij stopt zijn stemsleutel in zijn koffertje, doet zijn jack aan, en loopt met veerkrachtige tred mijn huis uit.
Als ik even later uit het raam kijk, zie ik hoe hij, net in zijn auto gestapt, stil achter zijn stuur blijft zitten, de schouders voorover gebogen, de blik op oneindig.
Pas na een paar minuten start hij de motor en rijdt langzaam en heel voorzichtig de straat uit. Het is half vier. "Hij haalt het gelukkig nog net vóór de spits", denk ik.
Het is een klein uur rijden naar zijn huis. Zijn lege huis.


Loes Gouweloos

Dansles

Langzaam draait mijn oude vader de deur van het nachtslot. Verschrikt kijkt hij door de kier.
‘O, ben jij het? Dat heb je zeker met je moeder afgesproken? Maar die ligt op bed. Ze heeft weer zo’n pijn in haar knie.’
Hij schuifelt voor me uit de huiskamer in.
Telkens als hem zie, lijkt hij wéér krommer. Vroeger was hij een hoofd groter dan ik, keek ik tegen hem op. Nu kijk ik hem recht in de ogen.
Langzaam laat hij zich in zijn stoel zakken. Zijn vaste stoel, bij het raam. Daarnaast staat een bijzettafeltje met medicijnen, sigaartjes, asbak en afstandsbediening. Zijn hele wereld binnen handbereik.
‘Ja, je moeder moet steeds vaker gaan liggen’, zegt hij op doffe toon, ‘ze wordt oud'.

Hij gaat verder: 'Ik zat vanmorgen nog te denken: wat een verschil met toen ik haar net kende. Als ik het al eens verteld heb, moet je het zeggen hoor, maar weet je hoe we elkaar ontmoet hebben?’
‘Nee’, lieg ik, ‘hoe dan?’
’We zaten op dezelfde dansschool. Ze was een verlegen, dromerig meisje. Ik vond haar gelijk al heel aardig. En ze kon dánsen… En ik ook, al zeg ik het zelf. Zoals wij samen over die dansvloer gingen. Alsof we zweefden… Hoe moeilijker de passen, hoe lekkerder het ging. Foxtrot, Engelse wals, Weense wals…’
Hij staart voor zich uit. Brengt dan met bibberende hand zijn koffiekopje naar zijn mond. Morst op zijn broek. Ziet het niet.
‘Ik zie het nóg voor me’, gaat hij verder. Zijn bleke, ingevallen wangen krijgen een kleurtje. ‘We dansten altijd samen. Op een gegeven moment heb ik gevraagd of ik haar naar huis mocht brengen. Zo deed je dat toen hè? Dat betekende dat je een meisje aardig vond.
Wat wilde ik ook alweer zeggen? O ja:
‘Dat kan niet’, zegt ze, ‘want ik loop samen met mijn zus naar huis.’
Ik denk: nou, dán niet. Want ik dacht natuurlijk dat het een smoes was hè? Maar de week daarna komt ze naar me toe, en ze zegt: ‘Als je me nog steeds naar huis wilt brengen, dan kan dat nu hoor. Mijn zus gaat met iemand anders mee.’ Nou, toen wist ik het hè?'
'Na een tijdje mocht ik ook mee naar boven komen. Dan bleef ik zo lang mogelijk. Dus dan moest ik de hele weg naar huis hardlopen, want ik moest vóór spertijd binnen zijn. Half Rotterdam door, wel vijf kilometer. Maar dat kon ik makkelijk.’

De slaapkamerdeur gaat open.
Met verwarde haren, nog half slapend, strompelt mijn moeder de huiskamer in. Bij elke stap zoekt ze een ander steunpunt: tafel, stoelen, theemeubel.
‘Waar hadden jullie het over?’, vraagt ze, terwijl ze licht kreunend op de bank neerploft.
’Over vroeger, over hoe jullie elkaar hebben ontmoet’.
‘O ja, dat was op dansles. Ik zag al gauw dat je vader een oogje op me had. Maar dat liet ik natuurlijk niet merken.’
Ze is nu helemaal wakker. Haar ogen beginnen te twinkelen.
’Maar toen vroeg hij op een gegeven moment of hij me naar huis mocht brengen’.
Ze draait zich om naar mijn vader: ‘Weet je nog?
O, hij slaapt. Hij valt de laatste tijd steeds vaker in slaap. Hij wordt oud.’


Loes Gouweloos

Brilcreamboy

Ik wilde niet, maar ik moest van mijn moeder. "Dat hoort bij je opvoeding", zei ze.
Dus moest ik ook mee de stad in om een mooie jurk te kopen. Want dat hoorde erbij. Zeker als je, zoals ik, naar de sjiekste dansschool van Rotterdam ging. Die heette niet Meijer en Zoon, nee, die heette: 'Meyer et Fils'.

Daar ging ik dan, met frisse tegenzin, in de knalgele jurk die Ma zo mooi vond. En die zo'n hoog kreukgehalte had dat ik niet op de fiets kon. Dus ging ik met eerst de bus en dan de tram elke woensdagmiddag naar Meyer et Fils.
"Als je er eenmaal een tijdje op zit, ga je het heus wel leuk vinden", zei mijn moeder. Als extra lokkertje vertelde ze dat zíj op haar zeventiende jaar mijn vader had ontmoet op dansles.

Maar ik was pas 14, ik was nog niet toe aan dansles en al helemaal niet aan een verloofde. Trouwens, bij de jongens op mijn dansschool zat niet één potentiële echtgenoot. Ook de 'heren' waren namelijk 14, en begin jaren zestig waren jongens van 14 nog echt helemaal jochies. Ik weet zeker dat de meesten van hen de rest van de week nog rondliepen in een korte broek. Alleen al door dat beeld was ik niet in staat het vereiste gevoel voor romantiek op te brengen.

Tot overmaat van ramp had ik de pech dat al vanaf de eerste les dezelfde jongen op mij 'viel'.
Voortdurend vroeg hij mij ten dans. Weigeren mocht niet. Dames die heren ten dans vroegen: ondenkbaar. Dus ik zat aan hem vast, letterlijk en figuurlijk.

Zijn naam weet ik niet meer. Maar ik weet nog wel hoe hij er (niet) uit zag. Een lange slungel, een bril met een dik, zwart, hoornen montuur, haren die stijf stonden van de brilcream, en een gezicht vol acné-bulten.
Ik weet ook nog hoe hij voelde: hij had zeer zweterige handen. Na elke dans veegde ik het zweet dat was verhuisd van zijn handen naar de mijne, af aan mijn sjieke gele jurk. Maar hij veegde de zíjne níet af aan zijn speciale dans-confectiepak, dus bij iedere volgende foxtrot was het weer raak. Of beter gezegd: mis.
Ik walgde van die jongen. Hij zei nooit wat, maar keek me vanachter zijn borrelglazen wél de hele les schaapachtig verliefd aan, en liet me intussen in een moordend tempo alle hoeken van de dansvloer zien. Dat kwam omdat hij, alsof alles nog niet erg genoeg was, óók niet kon dansen. Hij had totaal geen maatgevoel. Maar wel heel lange benen.
"Grote-stappen-gauw-thuis", noemde de dansleraar hem daarom. Dan liet hij mijn brilcream-boy zien hoe het moest, en mocht ik heel even zweven in de bekwame armen van de ervaren meneer Meyer (of was het Fils?).

Maar die jongen was een hopeloos geval. Zodra ik weer werd teruggeduwd in zijn armen, beende hij opnieuw met mij én met zevenmijlspassen door de danszaal, zonder enige aandacht te schenken aan het feit dat mijn benen veel korter waren dan de zijne.
Aan het eind van elk nummer bracht hij me keurig terug naar mijn stoel. Dan kon ik even bijkomen. Maar zodra de volgende dans werd aangekondigd, kwam hij weer aanrennen. En altijd was hij ándere, veel leukere jongens vóór. Het voordeel van lange benen. Maar een nachtmerrie voor míj.

Toen ik eindelijk was 'afgedanst', slaakte ik niet één maar heel veel zuchten van verlichting. Ik hoefde niet meer naar Meyer et Fils. Ik kon weer lekker gaan slijpen, rock 'n rollen en twisten. In kleren die ik zelf leuk vond. En ik hoefde me niet meer elke week verplicht te laten voortsleuren door een zwijgende puistenpuber met zweethanden.



Loes Gouweloos