Horloge
Het is zuiver goud, dat weet ik zeker. Vol trots doe ik het om mijn pols. Ik kijk er elke minuut op, en zelfs ’s nachts houd ik het om.
Mijn eerste horloge. Gekregen voor mijn achtste verjaardag. Mijn ouders hebben me het met een plechtig gebaar overhandigd: ‘Je wordt nu zo groot, je krijgt je eigen horloge’.
Zelfs bij tien graden onder nul (dat kwam nog regelmatig voor in 1958) stroop ik mijn mouwen op, zodat het blinkende horloge en het bruine bandje van ‘zuiver leder’ voor iedereen goed zichtbaar zijn.
22 jaar later weer zo’n plechtig moment. Omdat ik dertig wordt, willen mijn ouders me een extra duur cadeau geven, dat lang meegaat. ‘Tijdloos’, zou je zeggen, maar in dit geval niet, want opnieuw krijg ik een horloge. En het mag wat kosten.
Met mijn vader loop ik een hele zaterdagmiddag door het centrum van Rotterdam. We beginnen bij een van de meest chique juweliers: Siebel.
De verkoopster doet het met eerbied om mijn pols: een stijlvol, zilveren Prismahorloge met een zwarte wijzerplaat en Romeinse cijfers. Prachtig. Ik ben verkocht. Een plattere horlogekast heb ik nog nooit gezien.
Die platheid blijkt het kenmerk te zijn voor klasse.
En voor een exorbitant hoge prijs: 400 gulden!
Teleurgesteld doe ik het pronkstuk weer af. Mijn vader ziet mijn teleurstelling en aarzelt. Ook hij vindt het horloge schitterend, maar 400 gulden…
‘Eerst nog even verder kijken’, zegt hij. Dat gaat dus niet door, denk ik.
We gaan winkel in, winkel uit. Juweliers, de Bijenkorf, V&D. Overal doe ik horloges om van een acceptabele prijs. Sommige zijn heel aardig, maar ik blijf terugdenken aan mijn eerste: mijn platte, zwarte Prisma design quartz.
Het gaat steeds harder vriezen en de wind wakkert aan. Na drie uur lopen, zegt mijn vader opeens vastberaden:’ We gaan terug naar Siebel. Die Prisma is gewoon de mooiste, en tenslotte word je dertig. En een horloge is niet zomaar iets, dat draag je de rest van je leven.’
Ik wilde niet liever.
Maar een paar jaar geleden stopte hij ermee.
De plaatselijke juwelier meldt ontdaan dat er geen onderdelen meer verkrijgbaar zijn. ‘Het was een prachtig model, mevrouw, een klassieker. Ik zou het bewaren als ik u was. Maar we krijgen het niet meer aan de praat.’
Daarna volgt een verhaal over de devaluatie van het horloge in het algemeen. Iedereen heeft meerdere horloges, het is een hebbedingetje geworden, een wegwerpartikel - de batterijen zijn duurder dan de horloges.
Vanaf dat moment koop ik bij elk bloesje een bijpassend horloge en als de batterij leeg is, koop ik een nieuw. Dik, plat, zilverkleurig, goudkleurig, met of zonder datumaanduiding, plastic bandje, leren bandje, metalen bandje. Ik heb er zeker tien, maar geen enkel horloge betekent nog iets voor me.
Als mijn nichtje zes wordt, probeer ik het nog één keer: ‘Je kunt nu klokkijken, dus je krijgt van je tante een echt horloge’.
‘Ik heb al een horloge!', zegt Femke, bijna beledigd.
Voor de beleefdheid doet ze het cadeau even om, maar als ik haar een paar weken later weer zie, is het mooie, dure horloge vervangen door een exemplaar met een Mickey Mousewijzer-plaat.
Inderdaad: horloges betekenen niets meer.
Of toch?
Drie maanden geleden is mijn moeder gestorven.
Voor de crematie is er de bekende ‘gelegenheid tot afscheid nemen’.
Femke, inmiddels een stoere aspirant-puber van elf, loopt de rouwkamer in.
Daar ligt haar oma: lijkbleek, koud, levenloos.
Femke kijkt even, verstijft van schrik, draait zich dan om en valt huilend in haar moeders armen. Ze krijgt koffie, ze krijgt kusjes, iedereen spreekt troostende woordjes, maar niets helpt.
Haar lieve, gekke oma, die zo veel van haar hield, met wie ze spelletjes deed, die haar steeds weer cadeautjes gaf waar ze al te groot voor was, die haar meer knuffelde dan wie dan ook.
Dat is nu voor altijd voorbij, opeens dringt het door. Femke is ontroostbaar.
Maar dan grijpt ze naar haar pols. Ze stopt met snikken, droogt haar tranen, en zegt met een nog wat onvaste maar toch sterke stem: ‘Ik heb gisteren een horloge gekocht. Daar staat in gegraveerd: ‘Van oma’, kijk maar.
Ik zal het altijd dragen. En steeds als ik op mijn horloge kijk, dan denk ik aan oma.’
Loes Gouweloos
vrijdag 1 augustus 2008
zondag 27 juli 2008
Martiaans
“Goedenavond dames en heren. Voor onze avondetappe komen wij vandaag tot u vanuit dit prachtige château in de Elzas. U weet wel, die streek die fameus is wegens haar heerlijke bordeauxwijn. En die ooit zo hartstochtelijk is bezongen door de Vlaming Jacques Brel, een beroemde zoon van deze streek. En natuurlijk ook de streek die het episch centrum vormt waar de wielrencultuur en de Franse machocultuur samenkomen.”
“Bij mij aan tafel zit een levendige lende: Rik Vandenbroeke. Een echte Waal, met die typische Waalse stiff upper lip humor. Samen met hem gaan wij de Touretappe van vandaag na-evalueren.”
“Ik vraag even aan de jongens van de techniek of nú de beelden kunnen starten. Nú!(…)
Ik zie niks. Hoe kan ik nou een kwaliteitsuitzending maken zoals u die van mij gewend bent, als ik geen beelden zie!
Wat zeg je Rik, zie jij ze wel? Dat bedoel ik nou, dames en heren: die typisch Vlaamse stiff upper lip.”
“O, daar zijn eindelijk de beelden. Lekker vlot, bedankt hoor jongens. Beelden zonder geluid. Maar, zoals de Britten zeggen: bless your countings. In elk geval zíen we wat.”
“Dit is het begin van de etappe. Nog weinig aan de hand. Maar daar ontsnapt ónze Dennis Menchov, echt een jongen van oranjeblanjebleu. Hij geeft een patat, en weg is ie. Net zoals vroeger Michael Boogerd. Oftewel Boogey, zoals zijn Duitse collega’s hem noemen. Maar ja, zo’n vroege ontsnapping is tot doemen mislukt. Een pas faux van Menchov. Maar hij rijdt zoals hij rijdt. Een uur later is hij weer ingehaald door het stoempende peloton. Dat was dus het verdict van Nancy.”
“Dit zijn de beelden van de finale van vandaag, hier vlakbij in Toulouse. Een finale die een finale waardig is. Iedereen had een overwinning verwacht van Oscar Freire. Maar wie blijft hem daar net voor? Is het Boogey? Anquetil? Of toch weer old good Joop Zoetemelk?
Nee, het is de stoere Kozakstaan Vinokoerov, oftewel: Vino, zoals wij kenners hem noemen. Hiermee levert hij zijn visitekaartje in: een duidelijke kandidaat voor de eindoverwinning in deze Tour de Force. Want Vino koerst zoals hij koerst.
Rik, ben jij het met me eens?”
“Nee? Haha, typisch die revaliterende Vlaamse nuchterheid. Rik spreekt zoals hij spreekt.
Dames en heren, Rik had als jongen maar één grote wil: wielrenner worden. Maar dat ging niet door: in de Ronde van Italië is hij dermate gevallen dat hij nooit meer kon voetballen.
We herinneren ons nog hoe het gebeurde: vlak voor de meet, in Koblenz.”
“De naam die nu onmiddellijk op mijn lippen komt is die van mijn grote vriend Lance Armstrong. Lance, ach jongen. Die heb ik 1084 keer geïnterviewd, terwijl hij verder geen enkele journalist vertrouwt. Dat heeft te maken dat journalisten altijd beginnen over het d-woord.
Daar houdt mijn vriend Lance niet van. Maar ík ben altijd objectief gebleven.”
“Nu zijn er weer geruchten doorgelekt dat Rasmussen vorig jaar ook doping zou hebben gebruikt. Zo wordt deze prachtige sport kapot geruïneerd. Geen wonder dat de meeste renners de pest hebben – ja, dat woord durf ik rustig te gebruiken – aan al mijn zogenaamde collega’s. Die begrijpen niet wat het is om met topsport bezig te zijn. Maar de coureurs zijn dit soort verslaggeving kotsbeu.”
“Nu neem ik even een wending in het gesprek. Rik, u heeft er faam mee gemaakt dat u zo prachtig kon vertellen over die zware Pyreneeënrit in 1978, toen u met het snot voor de ogen in een Alpenravijn viel. Wilt u de kijkers thuis dat verhaal nog eens vertellen?”
“Rik? Rik! Rik, waar bent u gebleven?”
“Dames en heren, ik hoor net van mijn regisseur dat Rik zo geïmpressioneerd is door mijn ruimhartige vocubalaire dat hij bang is schraal af te steken. Typisch zo’n bescheiden Belg. Die
zijn zoals ze zijn.”
“Desondanks weet ik zeker dat wij zijn geslaagd in ons objectief: u een boeiende uitzending opgeschotelen vanuit deze piroteske auberge in het hartje van la dolce France. Ik geef nu over. Aan de prachtige Dalida. Ik hef met u de fles op deze Ronde van Frankrijk.
En ik zeg mét de Fransen: hasta la vista!”
Loes Gouweloos (met dank aan Mart Smeets)
“Bij mij aan tafel zit een levendige lende: Rik Vandenbroeke. Een echte Waal, met die typische Waalse stiff upper lip humor. Samen met hem gaan wij de Touretappe van vandaag na-evalueren.”
“Ik vraag even aan de jongens van de techniek of nú de beelden kunnen starten. Nú!(…)
Ik zie niks. Hoe kan ik nou een kwaliteitsuitzending maken zoals u die van mij gewend bent, als ik geen beelden zie!
Wat zeg je Rik, zie jij ze wel? Dat bedoel ik nou, dames en heren: die typisch Vlaamse stiff upper lip.”
“O, daar zijn eindelijk de beelden. Lekker vlot, bedankt hoor jongens. Beelden zonder geluid. Maar, zoals de Britten zeggen: bless your countings. In elk geval zíen we wat.”
“Dit is het begin van de etappe. Nog weinig aan de hand. Maar daar ontsnapt ónze Dennis Menchov, echt een jongen van oranjeblanjebleu. Hij geeft een patat, en weg is ie. Net zoals vroeger Michael Boogerd. Oftewel Boogey, zoals zijn Duitse collega’s hem noemen. Maar ja, zo’n vroege ontsnapping is tot doemen mislukt. Een pas faux van Menchov. Maar hij rijdt zoals hij rijdt. Een uur later is hij weer ingehaald door het stoempende peloton. Dat was dus het verdict van Nancy.”
“Dit zijn de beelden van de finale van vandaag, hier vlakbij in Toulouse. Een finale die een finale waardig is. Iedereen had een overwinning verwacht van Oscar Freire. Maar wie blijft hem daar net voor? Is het Boogey? Anquetil? Of toch weer old good Joop Zoetemelk?
Nee, het is de stoere Kozakstaan Vinokoerov, oftewel: Vino, zoals wij kenners hem noemen. Hiermee levert hij zijn visitekaartje in: een duidelijke kandidaat voor de eindoverwinning in deze Tour de Force. Want Vino koerst zoals hij koerst.
Rik, ben jij het met me eens?”
“Nee? Haha, typisch die revaliterende Vlaamse nuchterheid. Rik spreekt zoals hij spreekt.
Dames en heren, Rik had als jongen maar één grote wil: wielrenner worden. Maar dat ging niet door: in de Ronde van Italië is hij dermate gevallen dat hij nooit meer kon voetballen.
We herinneren ons nog hoe het gebeurde: vlak voor de meet, in Koblenz.”
“De naam die nu onmiddellijk op mijn lippen komt is die van mijn grote vriend Lance Armstrong. Lance, ach jongen. Die heb ik 1084 keer geïnterviewd, terwijl hij verder geen enkele journalist vertrouwt. Dat heeft te maken dat journalisten altijd beginnen over het d-woord.
Daar houdt mijn vriend Lance niet van. Maar ík ben altijd objectief gebleven.”
“Nu zijn er weer geruchten doorgelekt dat Rasmussen vorig jaar ook doping zou hebben gebruikt. Zo wordt deze prachtige sport kapot geruïneerd. Geen wonder dat de meeste renners de pest hebben – ja, dat woord durf ik rustig te gebruiken – aan al mijn zogenaamde collega’s. Die begrijpen niet wat het is om met topsport bezig te zijn. Maar de coureurs zijn dit soort verslaggeving kotsbeu.”
“Nu neem ik even een wending in het gesprek. Rik, u heeft er faam mee gemaakt dat u zo prachtig kon vertellen over die zware Pyreneeënrit in 1978, toen u met het snot voor de ogen in een Alpenravijn viel. Wilt u de kijkers thuis dat verhaal nog eens vertellen?”
“Rik? Rik! Rik, waar bent u gebleven?”
“Dames en heren, ik hoor net van mijn regisseur dat Rik zo geïmpressioneerd is door mijn ruimhartige vocubalaire dat hij bang is schraal af te steken. Typisch zo’n bescheiden Belg. Die
zijn zoals ze zijn.”
“Desondanks weet ik zeker dat wij zijn geslaagd in ons objectief: u een boeiende uitzending opgeschotelen vanuit deze piroteske auberge in het hartje van la dolce France. Ik geef nu over. Aan de prachtige Dalida. Ik hef met u de fles op deze Ronde van Frankrijk.
En ik zeg mét de Fransen: hasta la vista!”
Loes Gouweloos (met dank aan Mart Smeets)
Culibeet
Het is een ernstige kwaal die al generaties lang heerst in de vrouwelijke lijn van mijn familie.
Hoe lang precies, weet ik niet. Ik herinner het me vanaf mijn oma van moederskant.
Die kon absoluut niet koken. En net als later bij haar dochter en kleindochter, kwam dat vooral omdat ze het niet wilde. Ze vond het zonde van haar tijd. Er waren zo veel leukere dingen.
Als het 's zomers mooi weer was, liet mijn oma de boel de boel, trommelde haar vier kinderen op, en ging de hele dag met ze naar het bos aan de rand van de stad. Lekker rondrennen, spelletjes doen, lachen.
Als ze 's avonds thuiskwamen, sneed oma een heleboel boterhammen, kwakte wat roomboter en kaas op tafel, en daar moesten haar bloedjes van kinderen het mee doen. En die vonden dat prima. Ze wisten niet beter, en bovendien hadden ze een leuke dag gehad, lekker buiten in het bos.
Het is dus geen wonder dat toen mijn moeder trouwde, ze weinig kooktips meekreeg. Dientengevolge mislukten de eerste maaltijden die ze haar kersverse echtgenoot voorzette, allemaal dramatisch.
Mijn oude vader kan er nu nóg smakelijk over vertellen: over aardappelen zo hard als steenklompen, over zwartgeblakerde, verschrompelde stukken vlees die taaier waren dan schoenzolen, over groenten met suiker in plaats van zout.
Gelukkig ging zijn liefde niet door de maag, het prille huwelijk was ruimschoots bestand tegen deze culinaire flaters, die tijdens de eerste maanden zelfs voor extra pret schijnen te hebben gezorgd. Het samen nuttigen van zoutloze maaltijden en granietharde oliebollen verstevigde de band tussen de jonge echtgenoten.
Dus nóch haar moeder, nóch haar echtgenoot vormden voor mijn moeder een stimulans om een beetje behoorlijk te leren koken. Dat heeft ze dan ook nooit gedaan.
Het ergste - of eigenlijk: het leukste - is dat ze zich er niet voor schaamde, wat zeker bij haar generatie toch wel voor de hand zou hebben gelegen. Altijd liep ze af te geven op 'dat stomme koken': "Ik sta uren in de keuken, en jullie eten alles in een kwartier op. Zonde van mijn tijd!" We gaven haar gelijk, ook al hadden we wel eens iets gelust wat echt lekker was klaargemaakt. Maar dat zat er niet in.
Integendeel. Een nog steeds legendarische anekdote in onze familie betreft de keer dat mijn moeder gestoofde peertjes had klaargemaakt - al iets heel bijzonders voor haar doen. Nu wil het geval dat in haar rommelige keuken de doos met maizena en de doos met stijfsel (voor mijn petticoats) naast elkaar stonden.
Net toen wij onze eerste hap wilden nemen, drong bij mijn moeder een vreselijk besef door.
Ze sprong overeind, met een geschrokken maar ook vastberaden blik in haar ogen. Ze zei niets, daar was geen tijd voor, elke seconde telde. Haar gezin moest worden gered van een gewisse dood.
In een flits griste ze onze borden onder onze neuzen vandaan en bracht ze op een drafje naar de keuken terug. Daar kieperde ze de peertjes linea recta in de afvalbak, ons in verbijstering en met rammelende magen achterlatend.
We hebben nooit zeker geweten of er nu maizena of stijfsel in onze peertjes heeft gezeten, maar het gebeuren is illustratief voor mijn moeders onzekerheid als kokkin.
Daarna heeft ze nooit meer geëxperimenteerd: iedere dag gekookte aardappelen, met een veilig lapje vlees of met een ei, en elke dag van de week een vaste groente - meestal uit blik. Als toetje vla uit een fles, dan een appel, en klaar waren we.
Bij vriendinnetjes zag ik moeders die hele middagen bezig waren het eten te bereiden. Bedrijvig dribbelden ze door de keuken, met een geblomd schort voor, geconcentreerd waren ze in de weer met allerlei keukengerei dat ik bij mij thuis nog nóóit had gezien, er stegen voor mij volstrekt onbekende geuren op, ze hadden het over 'macaroni' en 'nasi', ze keken in kookboeken en lazen Margriet-recepten - voor mij was het allemaal totaal vreemd.
Als ik na zo'n bezoek thuiskwam, trof ik steevast míjn schortloze moeder aan op de bank, verdiept in een boek uit de bibliotheek. Ze begon direct enthousiast te vertellen waar dat over ging en hoe mooi het was en dat ze zo benieuwd was hoe het zou aflopen. En dat ze daarom ook echt nog niet aan het eten 'kon' beginnen.
Ik was daar heimelijk best trots op, en zei dus maar niet dat ik honger had.
Tegen de tijd dat mijn vader thuiskwam, kwam Ma morrend overeind, trok een blik open, en droeg mij op om de tafel te dekken omdat ze 'geen twee dingen tegelijk' kon.
Na het eten ging ze direct weer verder met lezen, terwijl mijn vader koffie zette.
'Koken? Ik lees liever een boek', was haar lijfspreuk.
Ik heb weinig van mijn moeder overgenomen, maar dat motto wel, met volle overtuiging.
Toen ík het huis uitging, herhaalde de geschiedenis zich. Ik moest nu eenmaal eten, dus enige kooklessen waren onvermijdelijk, dat zagen zowel mijn moeder als ik wel in.
Kreunend en steunend zetten we ons eendrachtig achter het fornuis. Ik leerde aardappelen koken en vlees braden. Ik schreef de instructies op, want wat me niet interesseert vergeet ik onmiddellijk weer.
Na twee 'lessen' verzuchtte mijn moeder: 'Ik heb er genoeg van. Weet je wat je doet? Koop maar een kookboek, ik betaal het wel.'
Dat deed ik, maar ik heb er weinig in gekeken, tot op de dag van vandaag. Ik weet wel leukere boeken.
En tegenwoordig zijn er gelukkig heel goede kant-en-klaar maaltijden, wat dat betreft heb ik het veel makkelijker dan mijn moeder en haar generatie.
Als ik gasten krijg, schotel ik ze mijn enige specialiteit voor: Macaroni di Lucia. Een pittige, voedzame éénpansmaaltijd waarin ik blindelings alles verwerk wat met tomaten te maken heeft. Als dezelfde gasten voor de tweede keer komen, stel ik voor om op mijn kosten buiten de deur te gaan eten. Zo heb ik het altijd gered, zo moeilijk is het allemaal niet.
Het enige probleem is dat ik me altijd toch stiekem een beetje heb geschaamd voor mijn zeer matige kookprestaties. Ik koketteerde ermee, zo van: ik ben een werkende vrouw én een intellectueel, dus ik zal me daar tijd gaan besteden aan dat domme gekook.
Maar diep in mijn hart zat het me toch niet helemaal lekker. Een vrouw hoort nu eenmaal te kunnen koken.
Tot kort geleden. In NRC Handelsblad - de kwaliteitskrant - lees ik een lang artikel over mensen die niet kunnen koken. Het blijken er steeds meer te worden, vooral vrouwen. En: het blijkt niet onze eigen schuld te zijn! Pak van m'n hart!
Het is de schuld van de ouders, die zijn op te delen in twee categorieën: dominante kookmoeders die niemand in hun keuken toelieten (dus bepaald niet de mijne), en ouders die zélf niet kunnen koken. Dat laatste kan zelfs een genetische oorzaak hebben: in sommige families is men van generatie op generatie onhandig waar het koken betreft, dus kan deze kunst ook niet worden doorgegeven.
In dat geval, zo meldt de NRC, is er sprake van een 'kookopvoedingsdeficit'. En degenen die daaraan lijden zijn geen klungels die zich moeten schamen, nee, dat zijn 'culibeten', en ze zijn zielig.
Er is een naam voor mijn gebrek, ik ben ziek! Dat weet ik dus.
En ik weet nóg iets: ik wil niet 'culibeter' worden. Ik schik me in mijn lot. De hele wereld mag het weten, ik heb het definitief aanvaard: ik ben culibeet!
Loes Gouweloos
Hoe lang precies, weet ik niet. Ik herinner het me vanaf mijn oma van moederskant.
Die kon absoluut niet koken. En net als later bij haar dochter en kleindochter, kwam dat vooral omdat ze het niet wilde. Ze vond het zonde van haar tijd. Er waren zo veel leukere dingen.
Als het 's zomers mooi weer was, liet mijn oma de boel de boel, trommelde haar vier kinderen op, en ging de hele dag met ze naar het bos aan de rand van de stad. Lekker rondrennen, spelletjes doen, lachen.
Als ze 's avonds thuiskwamen, sneed oma een heleboel boterhammen, kwakte wat roomboter en kaas op tafel, en daar moesten haar bloedjes van kinderen het mee doen. En die vonden dat prima. Ze wisten niet beter, en bovendien hadden ze een leuke dag gehad, lekker buiten in het bos.
Het is dus geen wonder dat toen mijn moeder trouwde, ze weinig kooktips meekreeg. Dientengevolge mislukten de eerste maaltijden die ze haar kersverse echtgenoot voorzette, allemaal dramatisch.
Mijn oude vader kan er nu nóg smakelijk over vertellen: over aardappelen zo hard als steenklompen, over zwartgeblakerde, verschrompelde stukken vlees die taaier waren dan schoenzolen, over groenten met suiker in plaats van zout.
Gelukkig ging zijn liefde niet door de maag, het prille huwelijk was ruimschoots bestand tegen deze culinaire flaters, die tijdens de eerste maanden zelfs voor extra pret schijnen te hebben gezorgd. Het samen nuttigen van zoutloze maaltijden en granietharde oliebollen verstevigde de band tussen de jonge echtgenoten.
Dus nóch haar moeder, nóch haar echtgenoot vormden voor mijn moeder een stimulans om een beetje behoorlijk te leren koken. Dat heeft ze dan ook nooit gedaan.
Het ergste - of eigenlijk: het leukste - is dat ze zich er niet voor schaamde, wat zeker bij haar generatie toch wel voor de hand zou hebben gelegen. Altijd liep ze af te geven op 'dat stomme koken': "Ik sta uren in de keuken, en jullie eten alles in een kwartier op. Zonde van mijn tijd!" We gaven haar gelijk, ook al hadden we wel eens iets gelust wat echt lekker was klaargemaakt. Maar dat zat er niet in.
Integendeel. Een nog steeds legendarische anekdote in onze familie betreft de keer dat mijn moeder gestoofde peertjes had klaargemaakt - al iets heel bijzonders voor haar doen. Nu wil het geval dat in haar rommelige keuken de doos met maizena en de doos met stijfsel (voor mijn petticoats) naast elkaar stonden.
Net toen wij onze eerste hap wilden nemen, drong bij mijn moeder een vreselijk besef door.
Ze sprong overeind, met een geschrokken maar ook vastberaden blik in haar ogen. Ze zei niets, daar was geen tijd voor, elke seconde telde. Haar gezin moest worden gered van een gewisse dood.
In een flits griste ze onze borden onder onze neuzen vandaan en bracht ze op een drafje naar de keuken terug. Daar kieperde ze de peertjes linea recta in de afvalbak, ons in verbijstering en met rammelende magen achterlatend.
We hebben nooit zeker geweten of er nu maizena of stijfsel in onze peertjes heeft gezeten, maar het gebeuren is illustratief voor mijn moeders onzekerheid als kokkin.
Daarna heeft ze nooit meer geëxperimenteerd: iedere dag gekookte aardappelen, met een veilig lapje vlees of met een ei, en elke dag van de week een vaste groente - meestal uit blik. Als toetje vla uit een fles, dan een appel, en klaar waren we.
Bij vriendinnetjes zag ik moeders die hele middagen bezig waren het eten te bereiden. Bedrijvig dribbelden ze door de keuken, met een geblomd schort voor, geconcentreerd waren ze in de weer met allerlei keukengerei dat ik bij mij thuis nog nóóit had gezien, er stegen voor mij volstrekt onbekende geuren op, ze hadden het over 'macaroni' en 'nasi', ze keken in kookboeken en lazen Margriet-recepten - voor mij was het allemaal totaal vreemd.
Als ik na zo'n bezoek thuiskwam, trof ik steevast míjn schortloze moeder aan op de bank, verdiept in een boek uit de bibliotheek. Ze begon direct enthousiast te vertellen waar dat over ging en hoe mooi het was en dat ze zo benieuwd was hoe het zou aflopen. En dat ze daarom ook echt nog niet aan het eten 'kon' beginnen.
Ik was daar heimelijk best trots op, en zei dus maar niet dat ik honger had.
Tegen de tijd dat mijn vader thuiskwam, kwam Ma morrend overeind, trok een blik open, en droeg mij op om de tafel te dekken omdat ze 'geen twee dingen tegelijk' kon.
Na het eten ging ze direct weer verder met lezen, terwijl mijn vader koffie zette.
'Koken? Ik lees liever een boek', was haar lijfspreuk.
Ik heb weinig van mijn moeder overgenomen, maar dat motto wel, met volle overtuiging.
Toen ík het huis uitging, herhaalde de geschiedenis zich. Ik moest nu eenmaal eten, dus enige kooklessen waren onvermijdelijk, dat zagen zowel mijn moeder als ik wel in.
Kreunend en steunend zetten we ons eendrachtig achter het fornuis. Ik leerde aardappelen koken en vlees braden. Ik schreef de instructies op, want wat me niet interesseert vergeet ik onmiddellijk weer.
Na twee 'lessen' verzuchtte mijn moeder: 'Ik heb er genoeg van. Weet je wat je doet? Koop maar een kookboek, ik betaal het wel.'
Dat deed ik, maar ik heb er weinig in gekeken, tot op de dag van vandaag. Ik weet wel leukere boeken.
En tegenwoordig zijn er gelukkig heel goede kant-en-klaar maaltijden, wat dat betreft heb ik het veel makkelijker dan mijn moeder en haar generatie.
Als ik gasten krijg, schotel ik ze mijn enige specialiteit voor: Macaroni di Lucia. Een pittige, voedzame éénpansmaaltijd waarin ik blindelings alles verwerk wat met tomaten te maken heeft. Als dezelfde gasten voor de tweede keer komen, stel ik voor om op mijn kosten buiten de deur te gaan eten. Zo heb ik het altijd gered, zo moeilijk is het allemaal niet.
Het enige probleem is dat ik me altijd toch stiekem een beetje heb geschaamd voor mijn zeer matige kookprestaties. Ik koketteerde ermee, zo van: ik ben een werkende vrouw én een intellectueel, dus ik zal me daar tijd gaan besteden aan dat domme gekook.
Maar diep in mijn hart zat het me toch niet helemaal lekker. Een vrouw hoort nu eenmaal te kunnen koken.
Tot kort geleden. In NRC Handelsblad - de kwaliteitskrant - lees ik een lang artikel over mensen die niet kunnen koken. Het blijken er steeds meer te worden, vooral vrouwen. En: het blijkt niet onze eigen schuld te zijn! Pak van m'n hart!
Het is de schuld van de ouders, die zijn op te delen in twee categorieën: dominante kookmoeders die niemand in hun keuken toelieten (dus bepaald niet de mijne), en ouders die zélf niet kunnen koken. Dat laatste kan zelfs een genetische oorzaak hebben: in sommige families is men van generatie op generatie onhandig waar het koken betreft, dus kan deze kunst ook niet worden doorgegeven.
In dat geval, zo meldt de NRC, is er sprake van een 'kookopvoedingsdeficit'. En degenen die daaraan lijden zijn geen klungels die zich moeten schamen, nee, dat zijn 'culibeten', en ze zijn zielig.
Er is een naam voor mijn gebrek, ik ben ziek! Dat weet ik dus.
En ik weet nóg iets: ik wil niet 'culibeter' worden. Ik schik me in mijn lot. De hele wereld mag het weten, ik heb het definitief aanvaard: ik ben culibeet!
Loes Gouweloos
Ze schaakt
Haar geboorte kan ik me nog herinneren alsof het vorige week was. Het lijkt alsof ze bijna direct daarna kon lopen. Én praten. Voor mijn gevoel toonde ze me haar kunsten op de fiets pas gisteren. En nu, vandaag, heb ik voor het eerst met haar geschaakt.
Mijn nichtje is drie, en ze zet me bijna mat! Weliswaar met wat medewerking van mijn kant, maar toch…
Feilloos zet ze alle schaakstukken op de juiste plaats neer. Zonder aarzelen schuift ze rechtuit met de toren, diagonaal met de lopers, en maakt ze ingewikkelde paardensprongen. Ze denkt
zelfs regelmatig twee zetten vooruit, en zet zo al kleine aanvalletjes op die uitmonden in het slaan van mijn stukken.
Aan het begin van het partijtje heb ik nog gemengde gevoelens. Natuurlijk is tante trots dat ze een nichtje heeft met zo'n hoog IQ, maar aan de andere kant vraag ik me af of ze niet al te veel een wijsneusje aan het worden is.
Maar mijn zorgen zijn ongegrond. Femke schaakt wel, maar ze schaakt als een gezonde, speelse peuter:
Als ze een stuk slaat, slaat ze het ook écht. Met een zwierig gebaar zwiept ze de vijandelijke toren of dame van het schaakbord af. Het stuk landt met een boogje een meter verder op tafel.
Dit gaat gepaard met een triomfantelijke uitroep: "Tók!".
Vervolgens legt ze het spel stil: "Ik ben de scheidsrechter."
Doel van deze onderbreking is het geslagen stuk veilig terug te zetten in de doos waar de schaakstukken in worden opgeborgen, want "dan staat hij lekker bij de anderen".
Pas als ze het deksel weer heeft dichtgeschoven, mag de partij worden hervat.
Op een gegeven moment heeft ze zichzelf zo vast gezet, dat ik gewoonweg gedwongen ben een loper van haar te slaan. "Sorry Femke", zeg ik, "maar ik ga je loper slaan."
Niet begrijpend kijkt ze me aan: "Dat geeft niks hoor Loes, ik heb er toch nóg één!"
Na een minuut of tien begint ze haar geduld te verliezen. Opeens pakt ze een van haar paarden en maakt een lange serie sprongen achter elkaar. Die eindigt ruim naast het schaakbord, vlakbij een schaal met koekjes. Ze laat haar paard voorover buigen, met zijn neus op de lekkernijen, en deelt mee: "Even wachten hoor, het paard heeft honger."
Nadat het denkbeeldige koekje is opgegeten, springt het paard weer vrolijk terug naar het veld waar het vandaan was gekomen.
Met een uiterste krachtinspanning weet ik een remise uit het vuur te slepen.
Femke wil niet nóg een potje, want ze heeft inmiddels haar zinnen gezet op haar gloednieuwe kwartetspel: "Ik wíl niet meer schakelen, ik wil kroketten!"
Loes Gouweloos
Mijn nichtje is drie, en ze zet me bijna mat! Weliswaar met wat medewerking van mijn kant, maar toch…
Feilloos zet ze alle schaakstukken op de juiste plaats neer. Zonder aarzelen schuift ze rechtuit met de toren, diagonaal met de lopers, en maakt ze ingewikkelde paardensprongen. Ze denkt
zelfs regelmatig twee zetten vooruit, en zet zo al kleine aanvalletjes op die uitmonden in het slaan van mijn stukken.
Aan het begin van het partijtje heb ik nog gemengde gevoelens. Natuurlijk is tante trots dat ze een nichtje heeft met zo'n hoog IQ, maar aan de andere kant vraag ik me af of ze niet al te veel een wijsneusje aan het worden is.
Maar mijn zorgen zijn ongegrond. Femke schaakt wel, maar ze schaakt als een gezonde, speelse peuter:
Als ze een stuk slaat, slaat ze het ook écht. Met een zwierig gebaar zwiept ze de vijandelijke toren of dame van het schaakbord af. Het stuk landt met een boogje een meter verder op tafel.
Dit gaat gepaard met een triomfantelijke uitroep: "Tók!".
Vervolgens legt ze het spel stil: "Ik ben de scheidsrechter."
Doel van deze onderbreking is het geslagen stuk veilig terug te zetten in de doos waar de schaakstukken in worden opgeborgen, want "dan staat hij lekker bij de anderen".
Pas als ze het deksel weer heeft dichtgeschoven, mag de partij worden hervat.
Op een gegeven moment heeft ze zichzelf zo vast gezet, dat ik gewoonweg gedwongen ben een loper van haar te slaan. "Sorry Femke", zeg ik, "maar ik ga je loper slaan."
Niet begrijpend kijkt ze me aan: "Dat geeft niks hoor Loes, ik heb er toch nóg één!"
Na een minuut of tien begint ze haar geduld te verliezen. Opeens pakt ze een van haar paarden en maakt een lange serie sprongen achter elkaar. Die eindigt ruim naast het schaakbord, vlakbij een schaal met koekjes. Ze laat haar paard voorover buigen, met zijn neus op de lekkernijen, en deelt mee: "Even wachten hoor, het paard heeft honger."
Nadat het denkbeeldige koekje is opgegeten, springt het paard weer vrolijk terug naar het veld waar het vandaan was gekomen.
Met een uiterste krachtinspanning weet ik een remise uit het vuur te slepen.
Femke wil niet nóg een potje, want ze heeft inmiddels haar zinnen gezet op haar gloednieuwe kwartetspel: "Ik wíl niet meer schakelen, ik wil kroketten!"
Loes Gouweloos
Ze fietst
Het lijkt nog zo kort geleden dat mijn broer me opbelde met groot nieuws over mijn toen net éénjarige nichtje: "Ze loopt!"
Nu is Femke 3 1/2. Op bezoek bij mijn ouders, is ze vol van maar één ding: haar fietsje. Dat staat geparkeerd bij de voordeur. Spiksplinternieuw, met twee zijwieltjes tegen het vallen, met alle kleuren van de regenboog en met een echte 'Loekie'-bel.
Pogingen om mijn nichtje spelletjes te laten spelen in de huiskamer hebben maar kortstondig succes. Telkens vraagt ze weer: 'Zullen wij weer even gaan fietsen, Loes?'
De ene keer dat ik 'nee' zeg, brengt ze haar mond aan mijn oor en fluistert op een samenzweerderige toon: 'Zal ik dan stiekem alléén gaan fietsen?'
Ik zwicht voor dit geniale complot, en samen sluipen we voor de zoveelste keer naar de gang van de serviceflat.
Kaarsrechtop en glimmend van trots rijdt Femke op haar zuurstokgekleurde fietsje over de smetteloze, nieuwe vloerbedekking. Bij elke voordeur rinkelt ze met haar Loekie-bel - om te voorkomen dat bejaarden die argeloos hun woning uitstappen door haar zouden worden aangereden. Aan het eind van de gang maakt ze een keurige bocht en racet dan weer terug naar waar ze vandaan kwam.
Als het zondagmiddagbezoek ten einde is, stapt ze voor de laatste keer op, vergeet in haar opwinding om haar oma, opa en tante gedag te zeggen, en vertrekt luid bellend richting lift. Ze druk op het knopje 'Neer', de liftdeuren gaan open, ze steekt als een volleerde verkeersdeelnemer haar armpje uit, en zwenkt behendig rechtsaf de lift in.
Een halve minuut later zien we haar vanaf de balustrade weer beneden in de hal verschijnen. Stralend kijkt ze naar ons omhoog. 'Dág!', roept ze, en ze belt nog even extra hard als afscheid.
Dan zet ze een spurt in, de automatische deuren schuiven open, en daar gáát Femke. Naar buiten, de straat op, de hoek om, en ze is verdwenen.
Ze fietst hard. Het gaat hard.
Loes Gouweloos
Nu is Femke 3 1/2. Op bezoek bij mijn ouders, is ze vol van maar één ding: haar fietsje. Dat staat geparkeerd bij de voordeur. Spiksplinternieuw, met twee zijwieltjes tegen het vallen, met alle kleuren van de regenboog en met een echte 'Loekie'-bel.
Pogingen om mijn nichtje spelletjes te laten spelen in de huiskamer hebben maar kortstondig succes. Telkens vraagt ze weer: 'Zullen wij weer even gaan fietsen, Loes?'
De ene keer dat ik 'nee' zeg, brengt ze haar mond aan mijn oor en fluistert op een samenzweerderige toon: 'Zal ik dan stiekem alléén gaan fietsen?'
Ik zwicht voor dit geniale complot, en samen sluipen we voor de zoveelste keer naar de gang van de serviceflat.
Kaarsrechtop en glimmend van trots rijdt Femke op haar zuurstokgekleurde fietsje over de smetteloze, nieuwe vloerbedekking. Bij elke voordeur rinkelt ze met haar Loekie-bel - om te voorkomen dat bejaarden die argeloos hun woning uitstappen door haar zouden worden aangereden. Aan het eind van de gang maakt ze een keurige bocht en racet dan weer terug naar waar ze vandaan kwam.
Als het zondagmiddagbezoek ten einde is, stapt ze voor de laatste keer op, vergeet in haar opwinding om haar oma, opa en tante gedag te zeggen, en vertrekt luid bellend richting lift. Ze druk op het knopje 'Neer', de liftdeuren gaan open, ze steekt als een volleerde verkeersdeelnemer haar armpje uit, en zwenkt behendig rechtsaf de lift in.
Een halve minuut later zien we haar vanaf de balustrade weer beneden in de hal verschijnen. Stralend kijkt ze naar ons omhoog. 'Dág!', roept ze, en ze belt nog even extra hard als afscheid.
Dan zet ze een spurt in, de automatische deuren schuiven open, en daar gáát Femke. Naar buiten, de straat op, de hoek om, en ze is verdwenen.
Ze fietst hard. Het gaat hard.
Loes Gouweloos
Gezondheid!
‘Het allerbelangrijkste is dat je gezond bent’, hoor je vaak zeggen.
‘Veel geluk, en natuurlijk vooral: een goede gezondheid!’ staat op menige nieuwjaarskaart.
Blijkbaar vinden we gezondheid erg belangrijk. We zien haar zelfs als een voorwaarde voor geluk. Is dat terecht?
* * * * *
Natuurlijk mis je veel als je een ziekte of een handicap hebt. Wie geen benen heeft, kan niet dansen. Wie blind is, kan geen film kijken. Wie doof is, kan niet genieten van muziek. En voor wie altijd pijn heeft, is het moeilijk zich volledig over te geven aan alle geluk schenkende zaken in het leven.
Maar betekent dat dat ongezonde mensen hoe dan ook niet gelukkig kunnen zijn?
Het staat buiten kijf dat veel zieken en gehandicapten inderdaad een ongelukkig leven leiden. Ze hebben pijn, ze verkeren in een sociaal isolement, hun inkomen - en daarmee hun mogelijkheden tot afleiding - zijn laag, ze spreken bijna uitsluitend lotgenoten en medici en komen zo nooit los van hun ziekte. Dus zijn ze daar van vroeg tot laat mee bezig. Misschien maken de omstandigheden deze ‘beroepspatiënten’ wel ongelukkiger dan hun ziekte.
Maar omstandigheden zijn veranderbaar. Door de overheid, door hun naaste omgeving, en niet in de laatste plaats door henzelf. Menigeen legt zich dan ook niet neer bij de situatie.
Een abonnement op het Concertgebouw zit er vaak niet meer in, maar een rolstoelritje naar een gratis voorstelling van de plaatselijke operettevereniging kan altijd.
Als je niet kunt krijgen wat je wilt, zorg er dan voor dat je wilt wat je kunt krijgen.
Het imagoprobleem ligt wellicht niet alleen bij de zieken, maar ook bij de gezonden. Die kijken meewarig naar hun manke of bedlegerige medemens, en denken: wat moet dát erg zijn!
Angst? Projectie? Of heeft het te maken met de hedendaagse fitheidsobsessie?
Ooit schreef Renate Rubinstein, die leed aan MS:
’Ik zit voor het raam, het weer is mooi, mijn boek schiet op, mijn humeur is goed.
Jij komt binnen en ziet een vrouw in pyjama met een deken over haar knieën. Het is al één uur, ze heeft nog niet ontbeten, in geen dagen is ze buiten haar huis geweest. Onhandig staat ze op, ze strompelt op stijve benen. ‘Zielig’, denk je, ‘ze is zielig.’
Maar jouw waarheid is de mijne niet. Ik ben geconcentreerd op een alinea die in jouw hoofd niet omgaat. Ik raak hier aan(…) de macht van de individuele geest om een wereld te creëren, niet volledig onafhankelijk van wat men ‘de objectieve wereld’ noemt, maar in stijgende mate onafhankelijk van de houding van andere geesten tegenover deze wereld.’ 1)
Die zit. Maar Renate Rubinstein was dan ook een zeer autonome geest, met een meer dan gemiddeld hoge intelligentie en een rijke fantasie. Zij liet zich niet aanpraten dat ze zielig was, en bovendien kon ze doorgaan met haar passie: schrijven. Dat helpt.
Ander voorbeeld: Stephen Hawking, de beroemde fysicus, kan alleen zijn wenkbrauwen bewegen. Toch heeft hij belangrijke ontdekkingen gedaan en vele bestsellers geschreven – waarvan het moeilijk voorstelbaar is dat die hem geen geluksgevoel hebben gegeven.
En de oude, verlamde dirigent Otto Klemperer liet zich op het podium hijsen om daar met priemende ogen en minieme bewegingen van zijn stokje zijn wil op te leggen aan het orkest.
Prachtig, maar uitzonderlijk. Minder geniale geesten moeten het met minder gaven doen, en zullen dus sneller ongelukkig worden omdat ze ziek zijn.
Maar er zijn genoeg uitzonderingen om nu vast te kunnen stellen dat het voor ongezonde mensen weliswaar moeilijker, maar niet onmogelijk is om gelukkig te zijn.
Kunnen we nog een stapje verder gaan? Zou het niet zo kunnen zijn dat een chronische ziekte of handicap je zo confronteert met je naakte zelf, dat je er uiteindelijk een rijker mens door kunt worden? Hangt niet veel af van hoe je als zieke naar je ziekte kijkt?
Je wordt op jezelf teruggeworpen. Maar zo kun je jezelf, je sterke en zwakke punten, beter leren kennen.
Je wordt getroffen door grote tegenslag. Maar dat biedt je de kans om beter te leren omgaan met álle soorten tegenslagen.
Je bent je omgeving tot last. Maar je leert je ware vrienden kennen.
Je moet ervaren dat gezondheid niet vanzelfsprekend is. Maar daardoor kun je meer genieten van wat je nog wél hebt. Van elke dag weer de dag plukken zo lang dat nog kan.
Je kunt vaak niet meer werken, niet meer sporten. Maar daardoor leer je relativeren, en ontdek je waar het écht om gaat: liefde, vriendschap, de natuur, het ontplooien van vaak onvermoede talenten, een mooi gedicht, een prachtige symfonie.
Kortom: het gaat niet om wat een ziekte met jou doet, het gaat om wat jij met die ziekte doet.
Als dat laatste lukt, kun je dankzij een slechte gezondheid inderdaad een rijker mens worden. Áls je maar in staat bent de ziekte te zien als een blessing in disguise.
Zo bekeken kan een slechte gezondheid, hoe paradoxaal dat ook lijkt, zelfs een bron van geluk zijn.
Veel chronisch zieken en gehandicapten worden, als de rouwverwerking omtrent het verlies van hun gezondheid voorbij is, wijzere mensen. Natuurlijk hebben ze hun slechte dagen en sombere buien, maar vaker zijn ze in staat hun ziekte te zien als een uitdaging. En ze winden zich niet meer op over trivialiteiten, kunnen zich beter inleven in anderen die ook een verlies moeten verwerken, en zijn evenwichtiger dan voorheen.
Ze hebben, kortom, van hun nadeel hun voordeel gemaakt.
Lijden loutert – althans bij degenen die het in zich hebben om zich te láten louteren. Zoals Rubinstein zei: ‘Misschien kun je alleen leren wat je al in je hebt.’ 1)
Daarin schuilt hem het wrange: je moet geluk hebben om gelukkig te kunnen zijn…
Toch luidt de eindconclusie: het is mind over matter.
Ook in een óngezond lichaam kan een sterke, gezonde geest wonen.
En dankzij die gezonde geest kan ook de ongezonde mens gelukkig zijn. Gelukkig maar.
Loes Gouweloos
1) ‘Nee heb je’, Renate Rubinstein, Meulenhof, 1985
‘Veel geluk, en natuurlijk vooral: een goede gezondheid!’ staat op menige nieuwjaarskaart.
Blijkbaar vinden we gezondheid erg belangrijk. We zien haar zelfs als een voorwaarde voor geluk. Is dat terecht?
* * * * *
Natuurlijk mis je veel als je een ziekte of een handicap hebt. Wie geen benen heeft, kan niet dansen. Wie blind is, kan geen film kijken. Wie doof is, kan niet genieten van muziek. En voor wie altijd pijn heeft, is het moeilijk zich volledig over te geven aan alle geluk schenkende zaken in het leven.
Maar betekent dat dat ongezonde mensen hoe dan ook niet gelukkig kunnen zijn?
Het staat buiten kijf dat veel zieken en gehandicapten inderdaad een ongelukkig leven leiden. Ze hebben pijn, ze verkeren in een sociaal isolement, hun inkomen - en daarmee hun mogelijkheden tot afleiding - zijn laag, ze spreken bijna uitsluitend lotgenoten en medici en komen zo nooit los van hun ziekte. Dus zijn ze daar van vroeg tot laat mee bezig. Misschien maken de omstandigheden deze ‘beroepspatiënten’ wel ongelukkiger dan hun ziekte.
Maar omstandigheden zijn veranderbaar. Door de overheid, door hun naaste omgeving, en niet in de laatste plaats door henzelf. Menigeen legt zich dan ook niet neer bij de situatie.
Een abonnement op het Concertgebouw zit er vaak niet meer in, maar een rolstoelritje naar een gratis voorstelling van de plaatselijke operettevereniging kan altijd.
Als je niet kunt krijgen wat je wilt, zorg er dan voor dat je wilt wat je kunt krijgen.
Het imagoprobleem ligt wellicht niet alleen bij de zieken, maar ook bij de gezonden. Die kijken meewarig naar hun manke of bedlegerige medemens, en denken: wat moet dát erg zijn!
Angst? Projectie? Of heeft het te maken met de hedendaagse fitheidsobsessie?
Ooit schreef Renate Rubinstein, die leed aan MS:
’Ik zit voor het raam, het weer is mooi, mijn boek schiet op, mijn humeur is goed.
Jij komt binnen en ziet een vrouw in pyjama met een deken over haar knieën. Het is al één uur, ze heeft nog niet ontbeten, in geen dagen is ze buiten haar huis geweest. Onhandig staat ze op, ze strompelt op stijve benen. ‘Zielig’, denk je, ‘ze is zielig.’
Maar jouw waarheid is de mijne niet. Ik ben geconcentreerd op een alinea die in jouw hoofd niet omgaat. Ik raak hier aan(…) de macht van de individuele geest om een wereld te creëren, niet volledig onafhankelijk van wat men ‘de objectieve wereld’ noemt, maar in stijgende mate onafhankelijk van de houding van andere geesten tegenover deze wereld.’ 1)
Die zit. Maar Renate Rubinstein was dan ook een zeer autonome geest, met een meer dan gemiddeld hoge intelligentie en een rijke fantasie. Zij liet zich niet aanpraten dat ze zielig was, en bovendien kon ze doorgaan met haar passie: schrijven. Dat helpt.
Ander voorbeeld: Stephen Hawking, de beroemde fysicus, kan alleen zijn wenkbrauwen bewegen. Toch heeft hij belangrijke ontdekkingen gedaan en vele bestsellers geschreven – waarvan het moeilijk voorstelbaar is dat die hem geen geluksgevoel hebben gegeven.
En de oude, verlamde dirigent Otto Klemperer liet zich op het podium hijsen om daar met priemende ogen en minieme bewegingen van zijn stokje zijn wil op te leggen aan het orkest.
Prachtig, maar uitzonderlijk. Minder geniale geesten moeten het met minder gaven doen, en zullen dus sneller ongelukkig worden omdat ze ziek zijn.
Maar er zijn genoeg uitzonderingen om nu vast te kunnen stellen dat het voor ongezonde mensen weliswaar moeilijker, maar niet onmogelijk is om gelukkig te zijn.
Kunnen we nog een stapje verder gaan? Zou het niet zo kunnen zijn dat een chronische ziekte of handicap je zo confronteert met je naakte zelf, dat je er uiteindelijk een rijker mens door kunt worden? Hangt niet veel af van hoe je als zieke naar je ziekte kijkt?
Je wordt op jezelf teruggeworpen. Maar zo kun je jezelf, je sterke en zwakke punten, beter leren kennen.
Je wordt getroffen door grote tegenslag. Maar dat biedt je de kans om beter te leren omgaan met álle soorten tegenslagen.
Je bent je omgeving tot last. Maar je leert je ware vrienden kennen.
Je moet ervaren dat gezondheid niet vanzelfsprekend is. Maar daardoor kun je meer genieten van wat je nog wél hebt. Van elke dag weer de dag plukken zo lang dat nog kan.
Je kunt vaak niet meer werken, niet meer sporten. Maar daardoor leer je relativeren, en ontdek je waar het écht om gaat: liefde, vriendschap, de natuur, het ontplooien van vaak onvermoede talenten, een mooi gedicht, een prachtige symfonie.
Kortom: het gaat niet om wat een ziekte met jou doet, het gaat om wat jij met die ziekte doet.
Als dat laatste lukt, kun je dankzij een slechte gezondheid inderdaad een rijker mens worden. Áls je maar in staat bent de ziekte te zien als een blessing in disguise.
Zo bekeken kan een slechte gezondheid, hoe paradoxaal dat ook lijkt, zelfs een bron van geluk zijn.
Veel chronisch zieken en gehandicapten worden, als de rouwverwerking omtrent het verlies van hun gezondheid voorbij is, wijzere mensen. Natuurlijk hebben ze hun slechte dagen en sombere buien, maar vaker zijn ze in staat hun ziekte te zien als een uitdaging. En ze winden zich niet meer op over trivialiteiten, kunnen zich beter inleven in anderen die ook een verlies moeten verwerken, en zijn evenwichtiger dan voorheen.
Ze hebben, kortom, van hun nadeel hun voordeel gemaakt.
Lijden loutert – althans bij degenen die het in zich hebben om zich te láten louteren. Zoals Rubinstein zei: ‘Misschien kun je alleen leren wat je al in je hebt.’ 1)
Daarin schuilt hem het wrange: je moet geluk hebben om gelukkig te kunnen zijn…
Toch luidt de eindconclusie: het is mind over matter.
Ook in een óngezond lichaam kan een sterke, gezonde geest wonen.
En dankzij die gezonde geest kan ook de ongezonde mens gelukkig zijn. Gelukkig maar.
Loes Gouweloos
1) ‘Nee heb je’, Renate Rubinstein, Meulenhof, 1985
columns, verhalen, essays, gedichten
Lijf en leden
Zwemdiploma
2 december 1962 is een historische dag: de oude Koningin Wilhelmina overlijdt.
Maar de dag daarop is voor míj minstens even historisch: na drie jaar les en evenlang zwoegen, mag ik mijn zwemexamen doen. Ik ben net 12 en bijna al mijn leeftijdgenoten hebben allang hun diploma. Niet alleen A maar vaak ook al B!
Dat ik het nog steeds níet heb komt door mijn zware bronchitis, waardoor ik de afgelopen jaren vaker ziek in bed dan gezond in het zwembad heb gelegen. Zo maak je niet snel vorderingen. Dit tot mijn eigen ergernis, maar vooral die van de badmeester.
Geregeld scheldt hij me uit, duwt me van de kant weg als ik daar even wil uithijgen, en jaagt hij me op om langer te zwemmen dan ik eigenlijk kan volhouden.
Bovendien heeft hij niet alleen een lelijk innerlijk maar ook een foeilelijk uiterlijk. Een dikke, kale kop, een over zijn trainingsbroek lubberende bierbuik met een aantal zwembanden die alleen maar van hem zijn, en een uitbundig behaarde borst.
En als ik aan het randje van het zwembad hang om zijn luid gebulderde instructies aan te horen, zie ik zijn voeten. Vlak voor me. Ze worden gesierd door dikke eeltknobbels, tien kalknagels, en twee vuile, blauwe king-size badslippers.
Rillend van de zenuwen en van de decemberkou, neem ik plaats op de rand van het zwembad, in afwachting van het startschot. Ik kijk angstig om me heen of de badmeester in de buurt is, maar gelukkig zie ik hem nergens. Ik haal diep adem van opluchting én als voorbereiding op de duik waarmee ik mijn diplomazwemavontuur straks zal beginnen.
Dan schalt er opeens een stem door de zwembadluidspreker:
"Dames en heren, jongens en meisjes: zoals u weet is gisteren onze geliefde Koningin-Moeder Wilhelmina overleden. Wij willen haar eren met een ogenblik stilte.
We verzoeken u allen te gaan staan, en twee minuten stilte in acht te nemen."
Ook dat nog! Samen met nog een stuk of 20 kinderen, sta ik op de koude stenen rand van het zwembad te rillen en te bibberen in mijn dunne badpakje. We moeten twee minuten doodstil blijven staan vlak voor een van de spannendste momenten in ons
jonge leven. De twee minuten lijken twee uur, dan mogen we eindelijk het water in.
Dit wordt mijn revanche! Op twaalf jaar bronchitis, op drie jaar zwemles, op al die vriendjes en vriendinnetjes die me hebben uitgelachen omdat zíj allang hun diploma hadden en ik nog niet.
Ik zwem de longen uit mijn lijf, ik watertrappel alsof mijn leven ervan af hangt, mijn bronchiën beginnen steeds angstaanjagender te piepen en het ziet me zwart voor de ogen, maar ik ga door. Al moet ik hier ter plekke sterven, ik moet en zal dat felbegeerde diploma halen!
En ik háál het! Duizelig, Spaans benauwd en met sterretjes voor de ogen, maar ik háál het.
Druipend van trots stap ik het zwembad uit en stel me ik op in de rij voor de diploma-uitreiking, het moment suprème waarvan ik al jaren droom.
Om het feest compleet te maken, worden de diploma's uitgereikt door Sinterklaas - het is tenslotte bijna 5 december.
Natuurlijk geloof ik allang niet meer in de Goedheiligman, maar zijn aanwezigheid imponeert me toch en geeft extra glans aan wat voor mij een van de triomfantelijkste momenten van mijn leven moet worden.
Als ik aan de beurt ben, kijkt Sinterklaas me vanonder zijn mijter streng aan:
"Zo, jij bent dus Loes. Ik lees in mijn grote boek dat jij er wel érg lang over hebt gedaan om je diploma te halen. Drie jaar!"
Beschaamd kijk ik omlaag. Daardoor zie ik de voeten van Sinterklaas. En twee heel grote blauwe badslippers.
Loes Gouweloos
Maar de dag daarop is voor míj minstens even historisch: na drie jaar les en evenlang zwoegen, mag ik mijn zwemexamen doen. Ik ben net 12 en bijna al mijn leeftijdgenoten hebben allang hun diploma. Niet alleen A maar vaak ook al B!
Dat ik het nog steeds níet heb komt door mijn zware bronchitis, waardoor ik de afgelopen jaren vaker ziek in bed dan gezond in het zwembad heb gelegen. Zo maak je niet snel vorderingen. Dit tot mijn eigen ergernis, maar vooral die van de badmeester.
Geregeld scheldt hij me uit, duwt me van de kant weg als ik daar even wil uithijgen, en jaagt hij me op om langer te zwemmen dan ik eigenlijk kan volhouden.
Bovendien heeft hij niet alleen een lelijk innerlijk maar ook een foeilelijk uiterlijk. Een dikke, kale kop, een over zijn trainingsbroek lubberende bierbuik met een aantal zwembanden die alleen maar van hem zijn, en een uitbundig behaarde borst.
En als ik aan het randje van het zwembad hang om zijn luid gebulderde instructies aan te horen, zie ik zijn voeten. Vlak voor me. Ze worden gesierd door dikke eeltknobbels, tien kalknagels, en twee vuile, blauwe king-size badslippers.
Rillend van de zenuwen en van de decemberkou, neem ik plaats op de rand van het zwembad, in afwachting van het startschot. Ik kijk angstig om me heen of de badmeester in de buurt is, maar gelukkig zie ik hem nergens. Ik haal diep adem van opluchting én als voorbereiding op de duik waarmee ik mijn diplomazwemavontuur straks zal beginnen.
Dan schalt er opeens een stem door de zwembadluidspreker:
"Dames en heren, jongens en meisjes: zoals u weet is gisteren onze geliefde Koningin-Moeder Wilhelmina overleden. Wij willen haar eren met een ogenblik stilte.
We verzoeken u allen te gaan staan, en twee minuten stilte in acht te nemen."
Ook dat nog! Samen met nog een stuk of 20 kinderen, sta ik op de koude stenen rand van het zwembad te rillen en te bibberen in mijn dunne badpakje. We moeten twee minuten doodstil blijven staan vlak voor een van de spannendste momenten in ons
jonge leven. De twee minuten lijken twee uur, dan mogen we eindelijk het water in.
Dit wordt mijn revanche! Op twaalf jaar bronchitis, op drie jaar zwemles, op al die vriendjes en vriendinnetjes die me hebben uitgelachen omdat zíj allang hun diploma hadden en ik nog niet.
Ik zwem de longen uit mijn lijf, ik watertrappel alsof mijn leven ervan af hangt, mijn bronchiën beginnen steeds angstaanjagender te piepen en het ziet me zwart voor de ogen, maar ik ga door. Al moet ik hier ter plekke sterven, ik moet en zal dat felbegeerde diploma halen!
En ik háál het! Duizelig, Spaans benauwd en met sterretjes voor de ogen, maar ik háál het.
Druipend van trots stap ik het zwembad uit en stel me ik op in de rij voor de diploma-uitreiking, het moment suprème waarvan ik al jaren droom.
Om het feest compleet te maken, worden de diploma's uitgereikt door Sinterklaas - het is tenslotte bijna 5 december.
Natuurlijk geloof ik allang niet meer in de Goedheiligman, maar zijn aanwezigheid imponeert me toch en geeft extra glans aan wat voor mij een van de triomfantelijkste momenten van mijn leven moet worden.
Als ik aan de beurt ben, kijkt Sinterklaas me vanonder zijn mijter streng aan:
"Zo, jij bent dus Loes. Ik lees in mijn grote boek dat jij er wel érg lang over hebt gedaan om je diploma te halen. Drie jaar!"
Beschaamd kijk ik omlaag. Daardoor zie ik de voeten van Sinterklaas. En twee heel grote blauwe badslippers.
Loes Gouweloos
Zeker weten
Rond middernacht wandel ik de hal van mijn flat binnen. Het is doodstil en uitgestorven in het gebouw. Ik loop naar de lift.
En daar staat hij, ook hij moet naar boven. Een enorm grote, enorm zwarte neger met enorm gespierde armen en een enorme stierennek. Een man die mij, als hij dat zou willen, binnen enkele seconden machteloos kan laten spartelen en in deze verlaten hal alles met me kan doen wat hij wil.
Ik schrik en aarzel: moet ik consequent zijn en dapper doorlopen, het gevaar trotseren, en met hem de lift ingaan? Of moet ik voorzichtig zijn en gauw teruglopen, zonder gevaar voor moeilijke vragen, nu hij mij nog niet heeft gezien?
In discussies ben ik zeer politiek correct, ik discrimineer niet, zeker weten.
Maar nu, op dit late tijdstip met die grote zwarte man op een paar meter afstand, blijft daar niets van over. Wel woorden, geen daden.
Ik stap schielijk achteruit, terug de hal in, en maak mezelf wijs dat ik nodig nog even in mijn brievenbus moet kijken. Terwijl ik mijn post verzamel, kan de man dan met de lift naar zijn flat gaan, en daarna volg ik - in de dan weer lege lift.
Als ik de brievenbus openmaak, besef ik dat ik de krant van vandaag nog niet heb gelezen. Daar ligt hij, NRC Handelsblad, de kwaliteitskrant. Mooi, kan ik die nog even doorbladeren voordat ik straks naar bed ga. Ik bekijk de koppen om tijd te winnen, en besluit dan dat ik wel lang genoeg heb gewacht. De kust is nu ongetwijfeld veilig.
Maar ik heb me vergist. Als ik opnieuw naar de lift loop, staat de man er nog steeds. En nu ziet hij me wél. Hij ontbloot een rij hagelwitte tanden die in de donkere hal extra schitterend afsteken tegen zijn pikzwarte huid.
De lift is inmiddels gearriveerd en hij trekt de deur wijd open. Met zijn andere arm maakt hij een uitnodigend gebaar: na u…
Dit keer is er geen weg terug. Trillend van angst stap ik voor hem langs de lift in. In het voorbijlopen ontvang ik een stralende glimlach. Maar wat zit daarachter? Wat is hij van plan als we straks met zijn tweeën in de lift zitten?
Ik stel me op in het uiterste hoekje van de cabine en ontwijk zijn blik.
Teruglachen kan verkeerd opgevat worden, ik moet zo afstandelijk mogelijk doen.
De deur valt dicht. Daar gaan we, wat zal er gebeuren?
Ik kijk zo neutraal mogelijk voor me uit, op heuphoogte.
Daardoor zie ik dat mijn allochtone flatgenoot een krant onder zijn arm heeft.
'NRC Handelsblad', lees ik.
Ik voel de spanning van me afglijden en slaak een zucht van verlichting: als hij ook de NRC leest, is het goed.
Als ik een paar minuten later inderdaad ongeschonden achter mijn gesloten deur in mijn veilige flatje zit, is mijn paniek weg. Maar daarvoor in de plaats voel ik nu een diepe schaamte.
Was ik maar ineens die lift ingestapt, dan zou ik nu niet zo kwaad zijn op mezelf, denk ik.
Maar het was wel leerzaam, is mijn volgende gedachte. Of neem ik mezelf nu opnieuw in de maling? Want wat doe ik als ik weer in zo'n situatie kom? Opeens weet ik het allemaal niet meer zo zeker…
Loes Gouweloos
En daar staat hij, ook hij moet naar boven. Een enorm grote, enorm zwarte neger met enorm gespierde armen en een enorme stierennek. Een man die mij, als hij dat zou willen, binnen enkele seconden machteloos kan laten spartelen en in deze verlaten hal alles met me kan doen wat hij wil.
Ik schrik en aarzel: moet ik consequent zijn en dapper doorlopen, het gevaar trotseren, en met hem de lift ingaan? Of moet ik voorzichtig zijn en gauw teruglopen, zonder gevaar voor moeilijke vragen, nu hij mij nog niet heeft gezien?
In discussies ben ik zeer politiek correct, ik discrimineer niet, zeker weten.
Maar nu, op dit late tijdstip met die grote zwarte man op een paar meter afstand, blijft daar niets van over. Wel woorden, geen daden.
Ik stap schielijk achteruit, terug de hal in, en maak mezelf wijs dat ik nodig nog even in mijn brievenbus moet kijken. Terwijl ik mijn post verzamel, kan de man dan met de lift naar zijn flat gaan, en daarna volg ik - in de dan weer lege lift.
Als ik de brievenbus openmaak, besef ik dat ik de krant van vandaag nog niet heb gelezen. Daar ligt hij, NRC Handelsblad, de kwaliteitskrant. Mooi, kan ik die nog even doorbladeren voordat ik straks naar bed ga. Ik bekijk de koppen om tijd te winnen, en besluit dan dat ik wel lang genoeg heb gewacht. De kust is nu ongetwijfeld veilig.
Maar ik heb me vergist. Als ik opnieuw naar de lift loop, staat de man er nog steeds. En nu ziet hij me wél. Hij ontbloot een rij hagelwitte tanden die in de donkere hal extra schitterend afsteken tegen zijn pikzwarte huid.
De lift is inmiddels gearriveerd en hij trekt de deur wijd open. Met zijn andere arm maakt hij een uitnodigend gebaar: na u…
Dit keer is er geen weg terug. Trillend van angst stap ik voor hem langs de lift in. In het voorbijlopen ontvang ik een stralende glimlach. Maar wat zit daarachter? Wat is hij van plan als we straks met zijn tweeën in de lift zitten?
Ik stel me op in het uiterste hoekje van de cabine en ontwijk zijn blik.
Teruglachen kan verkeerd opgevat worden, ik moet zo afstandelijk mogelijk doen.
De deur valt dicht. Daar gaan we, wat zal er gebeuren?
Ik kijk zo neutraal mogelijk voor me uit, op heuphoogte.
Daardoor zie ik dat mijn allochtone flatgenoot een krant onder zijn arm heeft.
'NRC Handelsblad', lees ik.
Ik voel de spanning van me afglijden en slaak een zucht van verlichting: als hij ook de NRC leest, is het goed.
Als ik een paar minuten later inderdaad ongeschonden achter mijn gesloten deur in mijn veilige flatje zit, is mijn paniek weg. Maar daarvoor in de plaats voel ik nu een diepe schaamte.
Was ik maar ineens die lift ingestapt, dan zou ik nu niet zo kwaad zijn op mezelf, denk ik.
Maar het was wel leerzaam, is mijn volgende gedachte. Of neem ik mezelf nu opnieuw in de maling? Want wat doe ik als ik weer in zo'n situatie kom? Opeens weet ik het allemaal niet meer zo zeker…
Loes Gouweloos
columns, verhalen, essays, gedichten
Klein leed,
Maatschappelijke vraagstukken
Vrij
Het einde van alweer een schooljaar. Ik heb een goed rapport en ik ben over. Maar veel belangrijker is: ik heb vakantie! Zes weken lang hoef ik niet naar school. Niet vroeg op, geen verplichtingen, doen wat ik wil. Een onuitsprekelijk gevoel van vrijheid.
Ik ren de school uit. Al op het schoolplein begin ik te huppelen en te juichen. Mijn vlechten dansen op mijn rug. Ik dans van binnen. Dat houd ik vol tot ik thuis ben. De hele weg ben ik uitzinnig van blijdschap. De laatste dag van het schooljaar is voor mij Bevrijdingsdag. De komende tijd kan ik doen wat ik wil. Ik ben vrij!
Zo gaat het mijn hele schoolleven door.
Dat grenzeloze vrijheidsgevoel verdwijnt als ik op mijn zeventiende ga werken.
Nog steeds heb ik elk jaar zomervakantie, maar die duurt nu maar twee of drie weken. Te kort om helemaal los te raken. Te kort voor een gevoel van bevrijding.
Fijn, aardig, maar geen reden om te huppelen.
34 jaar lang is dat zo doorgegaan. Tot 2002.
Na jaren van lijden en afzien, is eindelijk de kogel door de kerk. Ik ben al 16 jaar ziek en ik word steeds zieker, ik houd het niet meer vol, ik mag stoppen met werken. Ik mag weg met een royale regeling. Genoeg voor een leven zonder financiële zorgen. En vooral:
Nooit meer met pijn in mijn hele lijf naar het werk.
Nooit meer doorwerken terwijl het zwart voor mijn ogen ziet van de vermoeidheid.
Nooit meer wakker liggen van de hartkloppingen omdat ik alwéér over mijn grenzen ben gegaan.
Wat een winst! Ik ga wat minder verdienen, maar daarvoor krijg ik, eindelijk, mijn vrijheid terug!
Als ik na het beslissende gesprek de deur van het kantoorgebouw uitloop, besef ik dat mijn gezondheidsproblemen niet eens het belangrijkst zijn.
Nee, waar het écht om gaat is: ik ben weer vrij! Geen baas meer, geen opdrachtgevers, geen honderdduizend bedrijfsregels, geen prikklok en beveiligingspoortjes, geen voorgeschreven aanvangstijden. Geen verplichtingen meer.
Ik denk er niet eens bij na, maar als ik buiten ben, merk ik dat ik weer loop te huppelen. Niet meer zo soepel als toen ik 10 was. Mijn 51-jarige, reumatische knieën hebben meer moeite dan toen, het gevoel is anders.
Maar van binnen juich ik weer net zo hard als toen, dát gevoel is weer precíes hetzelfde. Ik dans weer van binnen. En ik zing weer: 'Freedom! It's all about Freedom!' Dat doe ik nog steeds als ik thuis kom. Ik huil van opluchting en van blijdschap, ik ben eindelijk weer bevrijd.
Regels, beperkingen en bazen zijn niets voor mij. Nooit geweest. Nu word ík weer baas, over mijn eigen leven. Het heeft heel lang geduurd, té lang, maar ik kan eindelijk weer gaan doen wat ik wil.
Ik ben voorgoed vrij!
Loes Gouweloos
Ik ren de school uit. Al op het schoolplein begin ik te huppelen en te juichen. Mijn vlechten dansen op mijn rug. Ik dans van binnen. Dat houd ik vol tot ik thuis ben. De hele weg ben ik uitzinnig van blijdschap. De laatste dag van het schooljaar is voor mij Bevrijdingsdag. De komende tijd kan ik doen wat ik wil. Ik ben vrij!
Zo gaat het mijn hele schoolleven door.
Dat grenzeloze vrijheidsgevoel verdwijnt als ik op mijn zeventiende ga werken.
Nog steeds heb ik elk jaar zomervakantie, maar die duurt nu maar twee of drie weken. Te kort om helemaal los te raken. Te kort voor een gevoel van bevrijding.
Fijn, aardig, maar geen reden om te huppelen.
34 jaar lang is dat zo doorgegaan. Tot 2002.
Na jaren van lijden en afzien, is eindelijk de kogel door de kerk. Ik ben al 16 jaar ziek en ik word steeds zieker, ik houd het niet meer vol, ik mag stoppen met werken. Ik mag weg met een royale regeling. Genoeg voor een leven zonder financiële zorgen. En vooral:
Nooit meer met pijn in mijn hele lijf naar het werk.
Nooit meer doorwerken terwijl het zwart voor mijn ogen ziet van de vermoeidheid.
Nooit meer wakker liggen van de hartkloppingen omdat ik alwéér over mijn grenzen ben gegaan.
Wat een winst! Ik ga wat minder verdienen, maar daarvoor krijg ik, eindelijk, mijn vrijheid terug!
Als ik na het beslissende gesprek de deur van het kantoorgebouw uitloop, besef ik dat mijn gezondheidsproblemen niet eens het belangrijkst zijn.
Nee, waar het écht om gaat is: ik ben weer vrij! Geen baas meer, geen opdrachtgevers, geen honderdduizend bedrijfsregels, geen prikklok en beveiligingspoortjes, geen voorgeschreven aanvangstijden. Geen verplichtingen meer.
Ik denk er niet eens bij na, maar als ik buiten ben, merk ik dat ik weer loop te huppelen. Niet meer zo soepel als toen ik 10 was. Mijn 51-jarige, reumatische knieën hebben meer moeite dan toen, het gevoel is anders.
Maar van binnen juich ik weer net zo hard als toen, dát gevoel is weer precíes hetzelfde. Ik dans weer van binnen. En ik zing weer: 'Freedom! It's all about Freedom!' Dat doe ik nog steeds als ik thuis kom. Ik huil van opluchting en van blijdschap, ik ben eindelijk weer bevrijd.
Regels, beperkingen en bazen zijn niets voor mij. Nooit geweest. Nu word ík weer baas, over mijn eigen leven. Het heeft heel lang geduurd, té lang, maar ik kan eindelijk weer gaan doen wat ik wil.
Ik ben voorgoed vrij!
Loes Gouweloos
Van oude mensen en de dingen die terugkomen
Oudejaarsavond 1956.
In mijn pyjama zit ik voor de kolenkachel. Ik mag wat later opblijven en ik eet oliebollen, samen met mijn ouders.
‘Ik kan best opblijven tot 12 uur’, probeer ik.
‘Och kind, dat is veel te laat voor jou, daar ben je nog te klein voor. Straks stoppen we je in bed, en dan maken we je om 12 uur wakker om naar het vuurwerk te kijken.’
Verder tegenstribbelen heeft geen zin. Ik moet naar bed en lig urenlang klaarwakker, vol verwachting uitkijkend naar het vuurwerk.
Terwijl de vuurpijlen door de lucht vliegen, maakt mijn vader een paar uur later een fles champagne open.
Maar ik krijg er geen druppel van.
Voor mij hebben mijn ouders speciale ‘kinderchampagne’ gemaakt – een zoetig goedje met bubbeltjes.
‘Voor echte champagne ben je nog te klein’, zeggen ze.
Aan de ene kant ben ik helemaal opgewonden door het vuurwerk en het feestelijke gevoel zo laat op te zijn. Aan de andere kant voel ik me als een klein kind behandeld.
‘Volgend jaar ben ik zeven’, zeg ik, ‘en dan wil ik de hele avond op blijven. Ik kan heus wel tot 12 uur wakker blijven. Dat haal ik best.’
Oudejaarsavond 2006.
Ik ben bij mijn ouders op bezoek. ‘Kom maar een paar uurtjes’, hebben ze gezegd, ‘want de hele avond is voor ons te vermoeiend.’
‘Oké, en halen jullie maar niks in huis. Ik neem wel champagne mee.’
‘Och kind, dat drinken we allang niet meer. Daar kunnen we niet meer tegen, en we mogen ook geen alcohol met al die medicijnen die we slikken.’
Gelukkig vind ik bij Albert Heijn een alternatief: een fles die eruitziet als een champagnefles, maar hij is gevuld met appelsap met bubbeltjes.
‘Nul procent alcohol, speciaal voor kinderen’, staat er op het etiket.
Bij mijn ouders thuis, pak ik voor ons alledrie een oliebol en schenk de ‘Champomy’ in.
Ze nemen wat achterdochtig hun eerste slokje van het mierzoete spul. Maar het valt hen mee: ‘Mmm, best lekker.’
‘Zullen we een potje scrabble spelen, zoals vroeger?’, vraag ik.
‘Och kind, dat kunnen we toch niet meer’, zegt mijn moeder.
Mijn vader zegt niets. De hele avond al. Hij zit met gesloten ogen in zijn stoel. Ingevallen wangen, bleek, krom, dodelijk vermoeid. Poedersuiker naast zijn mond en op zijn das.
‘Laat hem maar’, zegt mijn moeder.
Hij doet zijn ogen half open: ‘Ik denk dat ik maar een paar uur naar bed ga’, zegt hij met krachteloze stem, ‘dan kan ik nog wat slapen voordat het vuurwerk begint.’
Bij het vertrek omhels ik mijn moeder. Als ik mijn vader zijn nieuwjaarsknuffel wil geven, zegt hij met neergeslagen blik en een beschaamd glimlachje: ‘Ik sta niet op hoor’.
De volgende dag belt mijn moeder me op, om me voor de derde keer een Gelukkig Nieuwjaar te wensen. Voor de derde keer wens ik ook haar het allerbeste.
‘Och, het allerbeste…’, zegt ze. ‘Het zal nu echt niet lang meer duren. Maar in mei zijn we zestig jaar getrouwd. Dat willen we nog wel proberen te halen.’
Loes Gouweloos
In mijn pyjama zit ik voor de kolenkachel. Ik mag wat later opblijven en ik eet oliebollen, samen met mijn ouders.
‘Ik kan best opblijven tot 12 uur’, probeer ik.
‘Och kind, dat is veel te laat voor jou, daar ben je nog te klein voor. Straks stoppen we je in bed, en dan maken we je om 12 uur wakker om naar het vuurwerk te kijken.’
Verder tegenstribbelen heeft geen zin. Ik moet naar bed en lig urenlang klaarwakker, vol verwachting uitkijkend naar het vuurwerk.
Terwijl de vuurpijlen door de lucht vliegen, maakt mijn vader een paar uur later een fles champagne open.
Maar ik krijg er geen druppel van.
Voor mij hebben mijn ouders speciale ‘kinderchampagne’ gemaakt – een zoetig goedje met bubbeltjes.
‘Voor echte champagne ben je nog te klein’, zeggen ze.
Aan de ene kant ben ik helemaal opgewonden door het vuurwerk en het feestelijke gevoel zo laat op te zijn. Aan de andere kant voel ik me als een klein kind behandeld.
‘Volgend jaar ben ik zeven’, zeg ik, ‘en dan wil ik de hele avond op blijven. Ik kan heus wel tot 12 uur wakker blijven. Dat haal ik best.’
Oudejaarsavond 2006.
Ik ben bij mijn ouders op bezoek. ‘Kom maar een paar uurtjes’, hebben ze gezegd, ‘want de hele avond is voor ons te vermoeiend.’
‘Oké, en halen jullie maar niks in huis. Ik neem wel champagne mee.’
‘Och kind, dat drinken we allang niet meer. Daar kunnen we niet meer tegen, en we mogen ook geen alcohol met al die medicijnen die we slikken.’
Gelukkig vind ik bij Albert Heijn een alternatief: een fles die eruitziet als een champagnefles, maar hij is gevuld met appelsap met bubbeltjes.
‘Nul procent alcohol, speciaal voor kinderen’, staat er op het etiket.
Bij mijn ouders thuis, pak ik voor ons alledrie een oliebol en schenk de ‘Champomy’ in.
Ze nemen wat achterdochtig hun eerste slokje van het mierzoete spul. Maar het valt hen mee: ‘Mmm, best lekker.’
‘Zullen we een potje scrabble spelen, zoals vroeger?’, vraag ik.
‘Och kind, dat kunnen we toch niet meer’, zegt mijn moeder.
Mijn vader zegt niets. De hele avond al. Hij zit met gesloten ogen in zijn stoel. Ingevallen wangen, bleek, krom, dodelijk vermoeid. Poedersuiker naast zijn mond en op zijn das.
‘Laat hem maar’, zegt mijn moeder.
Hij doet zijn ogen half open: ‘Ik denk dat ik maar een paar uur naar bed ga’, zegt hij met krachteloze stem, ‘dan kan ik nog wat slapen voordat het vuurwerk begint.’
Bij het vertrek omhels ik mijn moeder. Als ik mijn vader zijn nieuwjaarsknuffel wil geven, zegt hij met neergeslagen blik en een beschaamd glimlachje: ‘Ik sta niet op hoor’.
De volgende dag belt mijn moeder me op, om me voor de derde keer een Gelukkig Nieuwjaar te wensen. Voor de derde keer wens ik ook haar het allerbeste.
‘Och, het allerbeste…’, zegt ze. ‘Het zal nu echt niet lang meer duren. Maar in mei zijn we zestig jaar getrouwd. Dat willen we nog wel proberen te halen.’
Loes Gouweloos
columns, verhalen, essays, gedichten
Klein leed,
Prive
Vakantieverslag
'Ze heeft een enorm ruime belangstelling voor een kind van vijf', vertelt mijn trotse broer.
'Die musea in Florence, de gebouwen in Venetië, ze was echt geïnteresseerd'.
Een week later is mijn nichtje alleen bij me op bezoek, en besluit ik het haar zelf eens te vragen. En omdat ze inmiddels een klein beetje kan schrijven, vraag ik of ze haar Italiaanse vakantieverhaal voor me wil opschrijven. Zonder een moment te aarzelen, grijpt ze een vuurrood kleurpotlood en schrijft met reusachtige hanepoten:
'Ik hep elke dag gezwome. Groetjes van Femke.'
Ze staart nog even voor zich uit, maar weet verder kennelijk niets te bedenken. Ze legt het potlood neer.
'Dat was het eigenlijk', verduidelijkt ze nog ten overvloede. Niets over schitte-rende gebouwen, geen woord over beroemde Italiaanse musea.
Ik doe nóg een poging. Ze heeft met een weggooicameraatje haar eerste rol foto's volgeschoten, en die wil ik graag zien.
Ze komt gezellig naast me zitten en haalt een stapeltje groezelige foto's met ezelsoren en heel veel kindervingertjesafdrukken tevoorschijn.
Een voor een worden ze met een plechtig boogje op mijn schoot gelegd.
Ik zie een foto van de etalage van een snoepwinkel, een van een speelgoedwinkel, een van een roze fotolijstje, van haar paarse hoelahoep en van haar gifgroene zwemband. Nergens is aan te zien dat ze in het verre Italië is geweest.
Of ja, tóch. Er landt een foto op mijn schoot van een vergezicht De onderkant vertoont slechts een stuk muur, ongetwijfeld tengevolge van de nog zeer ondermaatse fotograaf. Toch is duidelijk te zien dat de opname is gemaakt vanaf een uitkijk-toren. Dus tóch oog voor het Toscaanse natuurschoon?
'Heb je die genomen vanwege de mooie bergen?', vraag ik.
'Nee joh', antwoordt ze bijna beledigd, 'dit is het bewijs dat ik heel hoog ben geklommen. Alleen met pappa, want mamma is beneden gebleven. Dus ík ben omhoog geklommen, en mamma kon het niet. Kijk maar.'
Ze plant een priemend wijsvingertje middenop de foto. Ik buig me voorover, en inderdaad, nu zie ik het: daar, in de diepte, wel 50 meter lager dan haar stoere dochtertje, staat mijn schoonzus.
Uiteraard prijs ik de klimkwaliteiten van mijn trotse nichtje bijzonder uitgebreid. En dat terwijl haar moeder níet zo hoog kon komen! 'Nou ja, mamma kón niet klimmen, want ze had pijn in haar hiel', klinkt het vergoelijkend.
Ook interessant om te horen, maar we waren bezig de vakantie te bespreken.
Na enig aandringen volgt er nog een verslag van een onweersbui aan het Gardameer, maar dan heeft ze er genoeg van, haar Italiaanse verhalen zijn op. Ze heeft elke dag 'gezwome' en daarmee basta.
'Volgend jaar gaan we naar Egypte', vertelt mijn broer als hij haar komt ophalen, 'Femke is reuze gefascineerd door pyramides.'
Loes Gouweloos
'Die musea in Florence, de gebouwen in Venetië, ze was echt geïnteresseerd'.
Een week later is mijn nichtje alleen bij me op bezoek, en besluit ik het haar zelf eens te vragen. En omdat ze inmiddels een klein beetje kan schrijven, vraag ik of ze haar Italiaanse vakantieverhaal voor me wil opschrijven. Zonder een moment te aarzelen, grijpt ze een vuurrood kleurpotlood en schrijft met reusachtige hanepoten:
'Ik hep elke dag gezwome. Groetjes van Femke.'
Ze staart nog even voor zich uit, maar weet verder kennelijk niets te bedenken. Ze legt het potlood neer.
'Dat was het eigenlijk', verduidelijkt ze nog ten overvloede. Niets over schitte-rende gebouwen, geen woord over beroemde Italiaanse musea.
Ik doe nóg een poging. Ze heeft met een weggooicameraatje haar eerste rol foto's volgeschoten, en die wil ik graag zien.
Ze komt gezellig naast me zitten en haalt een stapeltje groezelige foto's met ezelsoren en heel veel kindervingertjesafdrukken tevoorschijn.
Een voor een worden ze met een plechtig boogje op mijn schoot gelegd.
Ik zie een foto van de etalage van een snoepwinkel, een van een speelgoedwinkel, een van een roze fotolijstje, van haar paarse hoelahoep en van haar gifgroene zwemband. Nergens is aan te zien dat ze in het verre Italië is geweest.
Of ja, tóch. Er landt een foto op mijn schoot van een vergezicht De onderkant vertoont slechts een stuk muur, ongetwijfeld tengevolge van de nog zeer ondermaatse fotograaf. Toch is duidelijk te zien dat de opname is gemaakt vanaf een uitkijk-toren. Dus tóch oog voor het Toscaanse natuurschoon?
'Heb je die genomen vanwege de mooie bergen?', vraag ik.
'Nee joh', antwoordt ze bijna beledigd, 'dit is het bewijs dat ik heel hoog ben geklommen. Alleen met pappa, want mamma is beneden gebleven. Dus ík ben omhoog geklommen, en mamma kon het niet. Kijk maar.'
Ze plant een priemend wijsvingertje middenop de foto. Ik buig me voorover, en inderdaad, nu zie ik het: daar, in de diepte, wel 50 meter lager dan haar stoere dochtertje, staat mijn schoonzus.
Uiteraard prijs ik de klimkwaliteiten van mijn trotse nichtje bijzonder uitgebreid. En dat terwijl haar moeder níet zo hoog kon komen! 'Nou ja, mamma kón niet klimmen, want ze had pijn in haar hiel', klinkt het vergoelijkend.
Ook interessant om te horen, maar we waren bezig de vakantie te bespreken.
Na enig aandringen volgt er nog een verslag van een onweersbui aan het Gardameer, maar dan heeft ze er genoeg van, haar Italiaanse verhalen zijn op. Ze heeft elke dag 'gezwome' en daarmee basta.
'Volgend jaar gaan we naar Egypte', vertelt mijn broer als hij haar komt ophalen, 'Femke is reuze gefascineerd door pyramides.'
Loes Gouweloos
Steile bosduvel
'Maakt ú er maar iets van, want ik weet het niet meer!', verzucht mijn moeder ten einde raad tegen de kapper. En niet tegen zomaar een kapper, nee: tegen John Posthmus, de allerduurste kapper van Rotterdam. Ons bezoek aan zijn luxe kapsalon is het laatste redmiddel, de laatste hoop van mijn wanhopige moeder.
Al vanaf mijn peuterjaren voert zij een strijd op leven en dood. Tegen mijn haar. Zelf heeft ze krullend haar, dat prachtig in model valt.
Hoe anders is dat bij haar eerstgeborene… Ze had gedroomd van een schattig dochtertje met goudblonde krullen. In plaats daarvan kreeg ze mij…
Niet schattig maar kattig. En kippig, dus al vanaf heel jong met bril. En met dik, steil haar - niets mee te beginnen.
'Een steile bosduvel', zegt ze altijd. Of: melkboerenhondenhaar'.
Ze maakt staartjes in mijn haar. Doet er levensgrote, gekleurde strikken in. Maar zodra ik wegrijd op mijn autoped, vallen de strikken eraf.
Ze probeert het jarenlang met vlechten. Elke ochtend moet ik doodstil zitten terwijl mijn moeder lange vlechten in mijn haar maakt. Mijn 'pony-met-kruintjes' wordt met fixatief stijf naar achteren geplakt.
Elke avond wordt mijn haar weer uitgeborsteld. Dankzij de vlechten, de elastiekjes en het fixatief, zit het vol klitten. Hele plukken verdwijnen in de borstel. Au!
En: O, wat haat ik die truttige vlechten! Ik wil niet lijken op Heidi, ik wil los haar, dat wappert in de wind, zonder strikken, speldjes en diademen. Ook al zie ik er dan uit als 'Polletje Piekhaar' - aldus mijn vader, die hartstochtelijk met mijn moeder meelijdt.
Maar mijn haar in model knippen is een onmogelijke opgave voor de gemiddelde buurt-kapper.
Vandaar onze gang naar John Posthmus.
John kijkt fronsend naar mijn haren. Hij haalt er zijn vingers doorheen en laat mijn zware haardos dan weer misprijzend omlaag vallen.
Mismoedig schudt hij zijn hoofd: 'Veel te dik, en ik heb nog nooit zo'n steile haarbos gezien'. Mijn moeder veert op: Heeft zij het niet altijd al gezegd? Haar jarenlange lijden krijgt eindelijk een gewillig oor.
'Ik zal zien wat ik kan doen', zegt de high-society kapper, 'maar ik garandeer niets. Ik weet van bijna alle soorten haar wel iets te maken, maar er zijn grenzen…'
Dan neemt John de schaar ter hand.
Een uur later staan we weer buiten. Mijn hoofd is een stuk lichter. Mijn moeders portemonnee ook.
Thuis bestuderen we mijn nieuwe coupe. Dankzij een halve spuitbus Schwarzkopf-lak is elke krul op zijn plaats gebleven. Ik stink adembenemend. Maar mijn moeder is tevreden:
'Zie je nou wel: het kost wat, maar nu durf ik me eindelijk met je te vertonen'.
's Nachts moet ik een haarnetje om. Maar mijn 'bosduvel' laat zich niet zo gauw klein krijgen!
Als ik de volgende ochtend de huiskamer binnenkom, slaat mijn moeder haar handen voor haar mond van ontzetting:
'Al je krullen zijn verdwenen! En je pony is scheef afgeknipt. Heb ik dáár nou 50 gulden voor betaald? Trek je jas aan, ik breng je terug!'
Loes Gouweloos
Al vanaf mijn peuterjaren voert zij een strijd op leven en dood. Tegen mijn haar. Zelf heeft ze krullend haar, dat prachtig in model valt.
Hoe anders is dat bij haar eerstgeborene… Ze had gedroomd van een schattig dochtertje met goudblonde krullen. In plaats daarvan kreeg ze mij…
Niet schattig maar kattig. En kippig, dus al vanaf heel jong met bril. En met dik, steil haar - niets mee te beginnen.
'Een steile bosduvel', zegt ze altijd. Of: melkboerenhondenhaar'.
Ze maakt staartjes in mijn haar. Doet er levensgrote, gekleurde strikken in. Maar zodra ik wegrijd op mijn autoped, vallen de strikken eraf.
Ze probeert het jarenlang met vlechten. Elke ochtend moet ik doodstil zitten terwijl mijn moeder lange vlechten in mijn haar maakt. Mijn 'pony-met-kruintjes' wordt met fixatief stijf naar achteren geplakt.
Elke avond wordt mijn haar weer uitgeborsteld. Dankzij de vlechten, de elastiekjes en het fixatief, zit het vol klitten. Hele plukken verdwijnen in de borstel. Au!
En: O, wat haat ik die truttige vlechten! Ik wil niet lijken op Heidi, ik wil los haar, dat wappert in de wind, zonder strikken, speldjes en diademen. Ook al zie ik er dan uit als 'Polletje Piekhaar' - aldus mijn vader, die hartstochtelijk met mijn moeder meelijdt.
Maar mijn haar in model knippen is een onmogelijke opgave voor de gemiddelde buurt-kapper.
Vandaar onze gang naar John Posthmus.
John kijkt fronsend naar mijn haren. Hij haalt er zijn vingers doorheen en laat mijn zware haardos dan weer misprijzend omlaag vallen.
Mismoedig schudt hij zijn hoofd: 'Veel te dik, en ik heb nog nooit zo'n steile haarbos gezien'. Mijn moeder veert op: Heeft zij het niet altijd al gezegd? Haar jarenlange lijden krijgt eindelijk een gewillig oor.
'Ik zal zien wat ik kan doen', zegt de high-society kapper, 'maar ik garandeer niets. Ik weet van bijna alle soorten haar wel iets te maken, maar er zijn grenzen…'
Dan neemt John de schaar ter hand.
Een uur later staan we weer buiten. Mijn hoofd is een stuk lichter. Mijn moeders portemonnee ook.
Thuis bestuderen we mijn nieuwe coupe. Dankzij een halve spuitbus Schwarzkopf-lak is elke krul op zijn plaats gebleven. Ik stink adembenemend. Maar mijn moeder is tevreden:
'Zie je nou wel: het kost wat, maar nu durf ik me eindelijk met je te vertonen'.
's Nachts moet ik een haarnetje om. Maar mijn 'bosduvel' laat zich niet zo gauw klein krijgen!
Als ik de volgende ochtend de huiskamer binnenkom, slaat mijn moeder haar handen voor haar mond van ontzetting:
'Al je krullen zijn verdwenen! En je pony is scheef afgeknipt. Heb ik dáár nou 50 gulden voor betaald? Trek je jas aan, ik breng je terug!'
Loes Gouweloos
columns, verhalen, essays, gedichten
Klein leed,
Maatschappelijke vraagstukken
Spotvogel
'Ik word gek van dat beest!’
Mijn moeder heeft het precies een dag volgehouden.
Maar nu is het genoeg. Ze klimt op een stoel en grijpt de houten koekoek vast.
‘Ik zal hem even uitschakelen, dan hebben we tenminste rust. Als we hier weggaan, zet ik hem wel weer aan.’
Ze verricht wat onduidelijke handelingen, maar inderdaad: vanaf dat moment hebben we geen last meer van de koekoeksklok, die elk kwartier oorverdovend tekeer ging.
We genieten van de rust in dit prachtige vakantiehuisje in Oostenrijk. Die rust wordt alleen verstoord door de verhuurster, die regelmatig argwanend poolshoogte komt nemen.
Haar argwaan is wel begrijpelijk: toen Frau Müller op de tweede dag van ons verblijf een zelfgebakken welkomst-appeltaart kwam brengen, had ze een hysterie-aanval nog net kunnen bedwingen. Dat kwam doordat mijn vader een tafelkleed op het dak had gelegd van zijn splinternieuwe Fiat 128, om de lak te beschermen tegen de brandende Tiroolse zon.
‘Mein Gott! Dat is mijn Perzische tafelkleed!’, had Frau Müller uitgeroepen. Ik kon nog net de appeltaart opvangen die ze van schrik uit haar handen liet vallen.
Mijn vader beloofde beterschap, maar haar argwaan was gewekt. En die bleef, tot de laatste dag.
Die laatste dag zou ze langskomen om de huur te innen en om te controleren of het huisje nog net zo was als voordat de familie Gouweloos er zijn intrek in had genomen.
Mijn ouders, mijn broer en ik hadden het hele huis schoongemaakt, alles netjes opgeruimd, en de Pers gladgestreken op tafel gelegd. We hadden niets te vrezen.
Behalve van de koekoeksklok. Want wat we ook probeerden, het lukte niet meer om hem in zijn oude staat te herstellen. Sinds mijn moeders ingreep, ging elk kwartier het deurtje veelbelovend open en deed de houten koekoek aarzelend een stapje naar voren. Vervolgens schraapte hij zijn keel, produceerde een licht kreunend geluid, en bleef dan als aan de grond genageld staan, met wijd opengesperde ogen.
We waren er aan gewend geraakt: er stond een stoel onder de klok en elk kwartier klom een van ons daarop en duwde het beestje geroutineerd terug naar binnen. Deurtje dicht, klaar.
Maar nu komt Frau Müller dus voor haar eindinspectie. Wat zal er gebeuren als de koekoek tijdens haar bezoek weer kreunend uit zijn hokje komt en vervolgens als door de bliksem getroffen stil blijft staan?
Zullen we een nieuwe klok moeten betalen? Zal Frau Müller flauw vallen? Zal ze de politie waarschuwen?
Het ene scenario is nog angstaanjagender dan het andere. We móeten voorkomen dat zij ontdekt dat haar klok kapot is.
Ze zal om kwart voor tien komen. En wij willen vóór tien uur vertrekken.
Het begint goed: ze is een minuut te laat, dus de koekoek is net weer veilig in zijn hok teruggeduwd. Nu moeten we er alleen nog voor zorgen dat ze voor tien uur weer weg is. Het verschuldigde bedrag ligt al precies gepast klaar. Frau Müller telt net nog even na: het klopt. Dan begint ze aan haar inspectieronde.
De tijd tikt weg.
Tien voor tien: Oh, wat hebben we de badkamer mooi schoongemaakt, wat zijn Hollanders toch ‘saubere’ mensen.
Vijf voor tien: De keuken ziet er ook piekfijn uit. En al het bestek is er nog, er ontbreekt niets.
Oké, wegwezen!
Maar nee hoor, Frau Müller begint eindelijk te ontdooien. Tevreden knijpt ze in haar gevulde portemonnee en poeslief informeert ze of we een fijne vakantie hebben gehad.
En of we nog eens terug willen komen.
Alle vier knikken we ijverig: ja, het was geweldig, ja, we komen vast nog eens terug.
Ik kijk op mijn horloge: het is één minuut voor tien. Naar de koekoeksklok durf ik niet eens te kijken.
Met een ferme handdruk neemt Frau Müller afscheid. Ze trekt de deur achter zich dicht en loopt het tuinpad af.
Opgelucht vallen we alle vier neer op de bank: even bijkomen voordat we vertrekken.
Dan gaat het deurtje van de koekoeksklok open. De koekoek stapt vastberaden naar buiten, schraapt zijn keel, en dan klinkt het tien keer achter elkaar - glashelder en triomfantelijk: ‘Koekoek’!
Loes Gouweloos
Mijn moeder heeft het precies een dag volgehouden.
Maar nu is het genoeg. Ze klimt op een stoel en grijpt de houten koekoek vast.
‘Ik zal hem even uitschakelen, dan hebben we tenminste rust. Als we hier weggaan, zet ik hem wel weer aan.’
Ze verricht wat onduidelijke handelingen, maar inderdaad: vanaf dat moment hebben we geen last meer van de koekoeksklok, die elk kwartier oorverdovend tekeer ging.
We genieten van de rust in dit prachtige vakantiehuisje in Oostenrijk. Die rust wordt alleen verstoord door de verhuurster, die regelmatig argwanend poolshoogte komt nemen.
Haar argwaan is wel begrijpelijk: toen Frau Müller op de tweede dag van ons verblijf een zelfgebakken welkomst-appeltaart kwam brengen, had ze een hysterie-aanval nog net kunnen bedwingen. Dat kwam doordat mijn vader een tafelkleed op het dak had gelegd van zijn splinternieuwe Fiat 128, om de lak te beschermen tegen de brandende Tiroolse zon.
‘Mein Gott! Dat is mijn Perzische tafelkleed!’, had Frau Müller uitgeroepen. Ik kon nog net de appeltaart opvangen die ze van schrik uit haar handen liet vallen.
Mijn vader beloofde beterschap, maar haar argwaan was gewekt. En die bleef, tot de laatste dag.
Die laatste dag zou ze langskomen om de huur te innen en om te controleren of het huisje nog net zo was als voordat de familie Gouweloos er zijn intrek in had genomen.
Mijn ouders, mijn broer en ik hadden het hele huis schoongemaakt, alles netjes opgeruimd, en de Pers gladgestreken op tafel gelegd. We hadden niets te vrezen.
Behalve van de koekoeksklok. Want wat we ook probeerden, het lukte niet meer om hem in zijn oude staat te herstellen. Sinds mijn moeders ingreep, ging elk kwartier het deurtje veelbelovend open en deed de houten koekoek aarzelend een stapje naar voren. Vervolgens schraapte hij zijn keel, produceerde een licht kreunend geluid, en bleef dan als aan de grond genageld staan, met wijd opengesperde ogen.
We waren er aan gewend geraakt: er stond een stoel onder de klok en elk kwartier klom een van ons daarop en duwde het beestje geroutineerd terug naar binnen. Deurtje dicht, klaar.
Maar nu komt Frau Müller dus voor haar eindinspectie. Wat zal er gebeuren als de koekoek tijdens haar bezoek weer kreunend uit zijn hokje komt en vervolgens als door de bliksem getroffen stil blijft staan?
Zullen we een nieuwe klok moeten betalen? Zal Frau Müller flauw vallen? Zal ze de politie waarschuwen?
Het ene scenario is nog angstaanjagender dan het andere. We móeten voorkomen dat zij ontdekt dat haar klok kapot is.
Ze zal om kwart voor tien komen. En wij willen vóór tien uur vertrekken.
Het begint goed: ze is een minuut te laat, dus de koekoek is net weer veilig in zijn hok teruggeduwd. Nu moeten we er alleen nog voor zorgen dat ze voor tien uur weer weg is. Het verschuldigde bedrag ligt al precies gepast klaar. Frau Müller telt net nog even na: het klopt. Dan begint ze aan haar inspectieronde.
De tijd tikt weg.
Tien voor tien: Oh, wat hebben we de badkamer mooi schoongemaakt, wat zijn Hollanders toch ‘saubere’ mensen.
Vijf voor tien: De keuken ziet er ook piekfijn uit. En al het bestek is er nog, er ontbreekt niets.
Oké, wegwezen!
Maar nee hoor, Frau Müller begint eindelijk te ontdooien. Tevreden knijpt ze in haar gevulde portemonnee en poeslief informeert ze of we een fijne vakantie hebben gehad.
En of we nog eens terug willen komen.
Alle vier knikken we ijverig: ja, het was geweldig, ja, we komen vast nog eens terug.
Ik kijk op mijn horloge: het is één minuut voor tien. Naar de koekoeksklok durf ik niet eens te kijken.
Met een ferme handdruk neemt Frau Müller afscheid. Ze trekt de deur achter zich dicht en loopt het tuinpad af.
Opgelucht vallen we alle vier neer op de bank: even bijkomen voordat we vertrekken.
Dan gaat het deurtje van de koekoeksklok open. De koekoek stapt vastberaden naar buiten, schraapt zijn keel, en dan klinkt het tien keer achter elkaar - glashelder en triomfantelijk: ‘Koekoek’!
Loes Gouweloos
Sigarentrauma
Als kind had ik zware bronchitis. Altijd kwam ik lucht te kort, ik werd 's nachts vaak wakker van het gepiep in mijn luchtwegen. Elke maand was ik minstens een week ziek: hoge koorts, verplichte bedrust, ademnood. Maar ook als ik niet ziek was, had ik het voortdurend benauwd.
Het ergste was dat als mijn Oom Chiel op bezoek kwam. Die rookte heel dikke Churchill-sigarenl. Zodra hij zijn jas en hoed had opgehangen, haalde hij zijn sigarenkoker tevoorschijn.
'Jij ook een?', vraagt hij aan mijn vader. Die neemt dat aanbod gretig aan. Zelf rookt hij gewone huis-tuin-en-keukensigaren, dus deze zondagse feestsigaren van zijn oudste broer zijn een echte traktatie voor hem.
Dan volgt het Heilige Ritueel, en dat zal die middag nog talloze keren herhaald worden:
Eerst voorzichtig het bandje losmaken. Dan de sigaar dwars onder de neus houden, en met gesloten ogen verlekkerd de geur van het tabaksblad opsnuiven. Dan een onderling knikje van verstandhouding: wat ruikt ie weer heerlijk, wat zal ie ons weer smaken! Dan halen Oom Chiel en mijn vader allebei hun sigarentangetje tevoorschijn. Omzichtig wordt het puntje van de sigaar afgeknipt en in de asbak gelegd. Tenslotte worden de twee sigaren uiterst gecon-centreerd en precies tegelijk aangestoken. Met een lucifer - aanstekers zijn heiligschennis.
En dan begint het Grote Mannengenot. Terwijl hun vrouwen koffie drinken en koekjes eten, houden de heren zich bezig met hogere zaken. Ze spreken over politiek, over de valutakoersen, over schaken en over klassieke muziek. Interessant, maar hun echte genot halen ze uit hun sigaren. Af en toe wordt er voorzichtig wat as afgeklopt, dat dan verdwijnt in een voor die tijd hypermoderne draaiasbak, die ze de beide broers broederlijk tussen zich in hebben neergezet.
Ik zit erbij en kijk ernaar. Naar hoe het in onze huiskamer steeds blauwer gaat staan van de rook. Naar mijn moeder en tante die zich de brandende ogen uitwrijven maar die niets zeggen. Ze zouden niet durven!
Ik durf ook niet. Mijn toch al zwakke bronchiën krijgen het nog meer te kwaad. Ik word kortademig, ik moet steeds meer moeite doen om een hoestbui te onderdrukken, mijn ogen doen pijn, en ik word almaar kwader omdat mijn bronchitis en ik zo wreed worden genegeerd.
Maar ik zeg niets: de sigaren van Oom Chiel kosten een kapitaal en ik weet dat ook ik hoor te genieten van de exquise geur van deze peperdure sigaren. Daarom doe ik mijn uiterste best om niet te laten zien hoeveel pijn mijn ogen doen. Ik hoest zo gedempt mogelijk. Nog even volhouden, dat gaat mijn oom naar huis en zal mijn moeder onmiddellijk alle ramen openzetten.
Maar dan, op een zondag in maart, houd ik het echt niet meer uit: mijn benauwdheid en woede winnen het van mijn beleefdheid: ik sta op, ren de kamer uit, sla demonstratief keihard de deur achter me dicht en vlucht naar mijn kamer. Ik val neer op mijn bed, probeer letterlijk en figuurlijk op adem te komen, en laat mijn tranen
de vrije loop.
Dan komt mijn moeder binnen. Ze negeert mijn tranen en bijt me toe:
'Doe niet zo onbeleefd! We hebben visite, dan hoor jij niet weg te lopen!'
Ze pakt me bij mijn arm en brengt me weer terug naar beneden:
'Loesje moest even wat aan haar huiswerk doen. Maar nu komt ze er weer gezellig bij zitten. Hè, Loesje?'
Ze wendt zich tot mij en vervolgt: 'Oom Chiel blijft eten, gezellig he? Dan kunnen we vanavond nog een paar potjes scrabble spelen. En jij mag meedoen!'
Loes Gouweloos
Het ergste was dat als mijn Oom Chiel op bezoek kwam. Die rookte heel dikke Churchill-sigarenl. Zodra hij zijn jas en hoed had opgehangen, haalde hij zijn sigarenkoker tevoorschijn.
'Jij ook een?', vraagt hij aan mijn vader. Die neemt dat aanbod gretig aan. Zelf rookt hij gewone huis-tuin-en-keukensigaren, dus deze zondagse feestsigaren van zijn oudste broer zijn een echte traktatie voor hem.
Dan volgt het Heilige Ritueel, en dat zal die middag nog talloze keren herhaald worden:
Eerst voorzichtig het bandje losmaken. Dan de sigaar dwars onder de neus houden, en met gesloten ogen verlekkerd de geur van het tabaksblad opsnuiven. Dan een onderling knikje van verstandhouding: wat ruikt ie weer heerlijk, wat zal ie ons weer smaken! Dan halen Oom Chiel en mijn vader allebei hun sigarentangetje tevoorschijn. Omzichtig wordt het puntje van de sigaar afgeknipt en in de asbak gelegd. Tenslotte worden de twee sigaren uiterst gecon-centreerd en precies tegelijk aangestoken. Met een lucifer - aanstekers zijn heiligschennis.
En dan begint het Grote Mannengenot. Terwijl hun vrouwen koffie drinken en koekjes eten, houden de heren zich bezig met hogere zaken. Ze spreken over politiek, over de valutakoersen, over schaken en over klassieke muziek. Interessant, maar hun echte genot halen ze uit hun sigaren. Af en toe wordt er voorzichtig wat as afgeklopt, dat dan verdwijnt in een voor die tijd hypermoderne draaiasbak, die ze de beide broers broederlijk tussen zich in hebben neergezet.
Ik zit erbij en kijk ernaar. Naar hoe het in onze huiskamer steeds blauwer gaat staan van de rook. Naar mijn moeder en tante die zich de brandende ogen uitwrijven maar die niets zeggen. Ze zouden niet durven!
Ik durf ook niet. Mijn toch al zwakke bronchiën krijgen het nog meer te kwaad. Ik word kortademig, ik moet steeds meer moeite doen om een hoestbui te onderdrukken, mijn ogen doen pijn, en ik word almaar kwader omdat mijn bronchitis en ik zo wreed worden genegeerd.
Maar ik zeg niets: de sigaren van Oom Chiel kosten een kapitaal en ik weet dat ook ik hoor te genieten van de exquise geur van deze peperdure sigaren. Daarom doe ik mijn uiterste best om niet te laten zien hoeveel pijn mijn ogen doen. Ik hoest zo gedempt mogelijk. Nog even volhouden, dat gaat mijn oom naar huis en zal mijn moeder onmiddellijk alle ramen openzetten.
Maar dan, op een zondag in maart, houd ik het echt niet meer uit: mijn benauwdheid en woede winnen het van mijn beleefdheid: ik sta op, ren de kamer uit, sla demonstratief keihard de deur achter me dicht en vlucht naar mijn kamer. Ik val neer op mijn bed, probeer letterlijk en figuurlijk op adem te komen, en laat mijn tranen
de vrije loop.
Dan komt mijn moeder binnen. Ze negeert mijn tranen en bijt me toe:
'Doe niet zo onbeleefd! We hebben visite, dan hoor jij niet weg te lopen!'
Ze pakt me bij mijn arm en brengt me weer terug naar beneden:
'Loesje moest even wat aan haar huiswerk doen. Maar nu komt ze er weer gezellig bij zitten. Hè, Loesje?'
Ze wendt zich tot mij en vervolgt: 'Oom Chiel blijft eten, gezellig he? Dan kunnen we vanavond nog een paar potjes scrabble spelen. En jij mag meedoen!'
Loes Gouweloos
Ruilobject
Stikjaloers was ik! Op mijn vriendinnetje Noortje. Trots zag ik haar rondrijden op haar gloed-nieuwe, glimmende fiets. Een prachtig ding: blinkend zwart, met een Mickey Mouse-bel en zelfs met een echte bagagedrager met echte snelbinders.
Voor gek stond ik! Als ik met Noortje naar het eind van onze straat reed. Zij op haar schitterend mooie fiets, ik op die stomme autoped van me.
Een zeurpiet was ik! Volgens mijn ouders. Want al jaren zeurde ik bij hen om een eigen fiets. Maar die was te duur en bovendien was ik nog te jong, zeiden ze. Dat kwam later wel.
Te jong? Ik was al zes!
Maar mijn ouders hadden weinig geld, dus een fiets kon er niet af.
Zeker niet na de geboorte van mijn kleine broertje.
'Noortje is enig kind, daarom kunnen haar ouders van die dure dingen voor haar kopen,' legde mijn vader uit. 'Maar wij moeten eten en kleren kopen voor jou en voor Rientje, dus daarom krijg jij niet van die dure dingen als Noortje'.
Morrend schik in me in mijn lot. Voorlopig kan ik alleen maar dromen van een eigen fiets.
Maar dan, vlak voor mijn zevende verjaardag, komt opeens de kans om mijn droom te verwezenlijken.
Ik ben lekker aan het buiten spelen, met Noortje. Het is mooi weer, veel te mooi om binnen te zitten.
Dan roept mijn moeder me vanaf het balkon. Ze moet even weg en ik krijg de opdracht om op mijn kleine broertje te passen.
'Denk erom, je moet steeds bij hem blijven en goed opletten', drukt mijn moeder me op het hart. 'Jij bent de oudste, jij bent verantwoordelijk.'
En weg is ze.
'Verantwoordelijk'? Wat is dat?
Ik begrijp het niet. En ik vind het maar niks dat ik met dat mooie weer binnen moet blijven. Mijn broertje slaapt, er valt helemaal niets op te passen.
Verveeld ga ik voor het open raam staan. Buiten rijdt Noortje. Het enig kind. Op haar jaloeziewekkende gitzwarte fietsje.
'Kom je ook?' roept ze.
'Dat kan niet', roep ik terug, 'ik moet op Rientje passen!'
Noortje knijpt in de remmen en vraagt: 'Mag ik boven komen? Ik vind babietjes zo leuk! Ik wil naar jouw broertje komen kijken.'
En dan, terwijl ik 'ja' roep, krijg ik een idee.
Vijf minuten later pedalleer ik glimmend van trots door de straat. Op een prachtig, gitzwart fietsje.
Noortje is in geen velden of wegen te bekennen, van haar zal ik voorlopig geen last hebben. Want ook zíj geniet.
Het was zo gebeurd: even een deken om een slapende baby wikkelen is geen kunst voor twee meisjes van zes. En hem eendrachtig naar de overkant van de straat dragen ook niet. 'Gelijk oversteken', heet dat geloof ik.
Daar, op drie hoog, slaapt Rientje gewoon verder. Op het grote bed van Noortje. Die zit stralend naast hem, ze kan haar ogen niet afhouden van mijn broertje. Ze droomt dat het voortaan haar eígen broertje is en ze heeft de middag van haar leven.
Ik ook. Onvermoeibaar rijd ik rondjes om ons flatgebouw. Ik stuur met één hand. Ik ga op de bagagedrager zitten. En elke voorbijganger trakteer ik vol overgave op een vrolijke riedel van mijn Mickey Mouse-bel.
Kijk, daar in de verte komt wéér iemand aan, een mevrouw. Enthousiast begin ik te bellen, trots ga ik op de trappers staan, ik maak nog even extra veel vaart.
De mevrouw is mijn moeder.
'Wat doe jíj hier? Waar is Rientje?!'
Ik heb haar nog nooit zo hard horen schreeuwen.
'Die heb ik aan Noortje gegeven', antwoord ik.
Vijf minuten later zit ik in mijn kamertje. Ik mag er de hele dag niet meer uit komen en ik moet zonder eten naar bed.
Buiten voert mijn moeder een verhit gesprek met de moeder van Noortje.
Ik begrijp er niets van.
Noortje ook niet.
We hadden toch eerlijk geruild?!
Loes Gouweloos
Voor gek stond ik! Als ik met Noortje naar het eind van onze straat reed. Zij op haar schitterend mooie fiets, ik op die stomme autoped van me.
Een zeurpiet was ik! Volgens mijn ouders. Want al jaren zeurde ik bij hen om een eigen fiets. Maar die was te duur en bovendien was ik nog te jong, zeiden ze. Dat kwam later wel.
Te jong? Ik was al zes!
Maar mijn ouders hadden weinig geld, dus een fiets kon er niet af.
Zeker niet na de geboorte van mijn kleine broertje.
'Noortje is enig kind, daarom kunnen haar ouders van die dure dingen voor haar kopen,' legde mijn vader uit. 'Maar wij moeten eten en kleren kopen voor jou en voor Rientje, dus daarom krijg jij niet van die dure dingen als Noortje'.
Morrend schik in me in mijn lot. Voorlopig kan ik alleen maar dromen van een eigen fiets.
Maar dan, vlak voor mijn zevende verjaardag, komt opeens de kans om mijn droom te verwezenlijken.
Ik ben lekker aan het buiten spelen, met Noortje. Het is mooi weer, veel te mooi om binnen te zitten.
Dan roept mijn moeder me vanaf het balkon. Ze moet even weg en ik krijg de opdracht om op mijn kleine broertje te passen.
'Denk erom, je moet steeds bij hem blijven en goed opletten', drukt mijn moeder me op het hart. 'Jij bent de oudste, jij bent verantwoordelijk.'
En weg is ze.
'Verantwoordelijk'? Wat is dat?
Ik begrijp het niet. En ik vind het maar niks dat ik met dat mooie weer binnen moet blijven. Mijn broertje slaapt, er valt helemaal niets op te passen.
Verveeld ga ik voor het open raam staan. Buiten rijdt Noortje. Het enig kind. Op haar jaloeziewekkende gitzwarte fietsje.
'Kom je ook?' roept ze.
'Dat kan niet', roep ik terug, 'ik moet op Rientje passen!'
Noortje knijpt in de remmen en vraagt: 'Mag ik boven komen? Ik vind babietjes zo leuk! Ik wil naar jouw broertje komen kijken.'
En dan, terwijl ik 'ja' roep, krijg ik een idee.
Vijf minuten later pedalleer ik glimmend van trots door de straat. Op een prachtig, gitzwart fietsje.
Noortje is in geen velden of wegen te bekennen, van haar zal ik voorlopig geen last hebben. Want ook zíj geniet.
Het was zo gebeurd: even een deken om een slapende baby wikkelen is geen kunst voor twee meisjes van zes. En hem eendrachtig naar de overkant van de straat dragen ook niet. 'Gelijk oversteken', heet dat geloof ik.
Daar, op drie hoog, slaapt Rientje gewoon verder. Op het grote bed van Noortje. Die zit stralend naast hem, ze kan haar ogen niet afhouden van mijn broertje. Ze droomt dat het voortaan haar eígen broertje is en ze heeft de middag van haar leven.
Ik ook. Onvermoeibaar rijd ik rondjes om ons flatgebouw. Ik stuur met één hand. Ik ga op de bagagedrager zitten. En elke voorbijganger trakteer ik vol overgave op een vrolijke riedel van mijn Mickey Mouse-bel.
Kijk, daar in de verte komt wéér iemand aan, een mevrouw. Enthousiast begin ik te bellen, trots ga ik op de trappers staan, ik maak nog even extra veel vaart.
De mevrouw is mijn moeder.
'Wat doe jíj hier? Waar is Rientje?!'
Ik heb haar nog nooit zo hard horen schreeuwen.
'Die heb ik aan Noortje gegeven', antwoord ik.
Vijf minuten later zit ik in mijn kamertje. Ik mag er de hele dag niet meer uit komen en ik moet zonder eten naar bed.
Buiten voert mijn moeder een verhit gesprek met de moeder van Noortje.
Ik begrijp er niets van.
Noortje ook niet.
We hadden toch eerlijk geruild?!
Loes Gouweloos
Relief
‘Niets is meer zoals vroeger’, hoor ik achter me zeggen. ‘Toen waren hier vaak symposia van een hele dag, georganiseerd door de Filosofische Faculteit. Zo heb ik hier prachtige lezingen gehoord over Martin Buber.
En dan die concerten! Ik herinner me een schitterende Schumann-recital, en er waren veel meer dergelijke zaken. Maar dat is nu allemaal verdwenen, die tijden komen nooit weerom.’
Het is niet eens wát de man achter me zegt, het is vooral zijn archaïsche taalgebruik en zijn zeer deftige accent. Zijn woorden zijn niet voor mij bestemd, maar voor de vrouw naast hem. Maar ik kan het niet laten, ik móet meeluisteren.
‘Ik herinner me ook nog het Holland Festival, dat zich destijds grotendeels op straat afspeelde. Prachtig! Maar dat is nu niet meer zo, al dergelijke zaken zijn getroffen door de bezuinigingen. En bovendien laten de studenten het afweten. Wat een culturele verarming!’ Hij slaakt een diepe zucht.
De vrouw probeert af en toe ook wat te zeggen, maar veel kans krijgt ze niet. En ze praat ook aanmerkelijk zachter dan de man. Het enige dat ik versta is: ‘Er zijn veel dingen van vroeger die jij mist hè?’
‘Inderdaad Mies, en daarom ben ik ook zo bijzonder verheugd dat je op mijn uitnodiging bent ingegaan. Dat geeft reliëf aan mijn dagelijks leven.’
Na deze poëtische volzin kan ik mijn nieuwsgierigheid niet langer bedwingen. Ik moet hem zien. Ik draai me om en kijk een paar seconden naar het stel achter me.
Zij is een onopvallende vrouw van een jaar of 55. Maar hij ziet er net zo bijzonder uit als hij klinkt: lange, golvende wit-grijze haren, diepliggende lichtblauwe ogen, een mager, ingevallen gezicht met scherpe lijnen, en een vuurrode wollen sjaal, die hij zorgvuldig – carefully nonchalant - over zijn schouders heeft gedrapeerd. Hij lijkt op een verlopen baron. Misschien ís hij wel baron. Hij ziet er in elk geval net te nadrukkelijk uit als bohémien om er echt een te zijn.
Tijdens het programma in de aula van de universiteit houdt de man keurig zijn mond dicht – zoals het een heer van stand betaamt.
Maar vlak voor het hoogtepunt van de middag zegt hij zacht iets tegen zijn buurvrouw. Ik hoor de klapstoelen omhoog gaan. Muisstil verlaten ze de zaal. Voor het zingen de kerk uit. Vreemd.
Als het programma afgelopen is, loop ik als een van de eersten de zaal uit. In de grote hal tegenover de aula zie ik hem weer. Hij zit op een houten stoel, en hij heeft alvast een glas sherry en een zalmtoastje gepakt, hoewel de receptie nog niet is begonnen. Hij doet alsof hij het programmaboekje bestudeert.
De stoel naast hem is leeg. Mies is weg.
Hebben ze ruzie gekregen? Had ze genoeg van zijn sombere monologen? En: waarom is hij zelf ook niet weggegaan?
Ik zie dat hij stiekem boven zijn programmaboekje uit zit te gluren naar de mensen die de zaal verlaten. Op zoek naar een nieuw slachtoffer? Een nieuwe Mies?
Als zijn blik de mijne bijna ontmoet, trek ik mijn kraag omhoog en loop snel naar buiten.
Mij niet gezien. Hoe zou ik, die nog nooit naar een Schumann-recital ben geweest, ooit reliëf kunnen geven aan zijn dagelijks leven?
Loes Gouweloos
En dan die concerten! Ik herinner me een schitterende Schumann-recital, en er waren veel meer dergelijke zaken. Maar dat is nu allemaal verdwenen, die tijden komen nooit weerom.’
Het is niet eens wát de man achter me zegt, het is vooral zijn archaïsche taalgebruik en zijn zeer deftige accent. Zijn woorden zijn niet voor mij bestemd, maar voor de vrouw naast hem. Maar ik kan het niet laten, ik móet meeluisteren.
‘Ik herinner me ook nog het Holland Festival, dat zich destijds grotendeels op straat afspeelde. Prachtig! Maar dat is nu niet meer zo, al dergelijke zaken zijn getroffen door de bezuinigingen. En bovendien laten de studenten het afweten. Wat een culturele verarming!’ Hij slaakt een diepe zucht.
De vrouw probeert af en toe ook wat te zeggen, maar veel kans krijgt ze niet. En ze praat ook aanmerkelijk zachter dan de man. Het enige dat ik versta is: ‘Er zijn veel dingen van vroeger die jij mist hè?’
‘Inderdaad Mies, en daarom ben ik ook zo bijzonder verheugd dat je op mijn uitnodiging bent ingegaan. Dat geeft reliëf aan mijn dagelijks leven.’
Na deze poëtische volzin kan ik mijn nieuwsgierigheid niet langer bedwingen. Ik moet hem zien. Ik draai me om en kijk een paar seconden naar het stel achter me.
Zij is een onopvallende vrouw van een jaar of 55. Maar hij ziet er net zo bijzonder uit als hij klinkt: lange, golvende wit-grijze haren, diepliggende lichtblauwe ogen, een mager, ingevallen gezicht met scherpe lijnen, en een vuurrode wollen sjaal, die hij zorgvuldig – carefully nonchalant - over zijn schouders heeft gedrapeerd. Hij lijkt op een verlopen baron. Misschien ís hij wel baron. Hij ziet er in elk geval net te nadrukkelijk uit als bohémien om er echt een te zijn.
Tijdens het programma in de aula van de universiteit houdt de man keurig zijn mond dicht – zoals het een heer van stand betaamt.
Maar vlak voor het hoogtepunt van de middag zegt hij zacht iets tegen zijn buurvrouw. Ik hoor de klapstoelen omhoog gaan. Muisstil verlaten ze de zaal. Voor het zingen de kerk uit. Vreemd.
Als het programma afgelopen is, loop ik als een van de eersten de zaal uit. In de grote hal tegenover de aula zie ik hem weer. Hij zit op een houten stoel, en hij heeft alvast een glas sherry en een zalmtoastje gepakt, hoewel de receptie nog niet is begonnen. Hij doet alsof hij het programmaboekje bestudeert.
De stoel naast hem is leeg. Mies is weg.
Hebben ze ruzie gekregen? Had ze genoeg van zijn sombere monologen? En: waarom is hij zelf ook niet weggegaan?
Ik zie dat hij stiekem boven zijn programmaboekje uit zit te gluren naar de mensen die de zaal verlaten. Op zoek naar een nieuw slachtoffer? Een nieuwe Mies?
Als zijn blik de mijne bijna ontmoet, trek ik mijn kraag omhoog en loop snel naar buiten.
Mij niet gezien. Hoe zou ik, die nog nooit naar een Schumann-recital ben geweest, ooit reliëf kunnen geven aan zijn dagelijks leven?
Loes Gouweloos
columns, verhalen, essays, gedichten
Klein leed
Reintegratie
Net als ik sta te koken, wordt er aangebeld.
‘Dag mevrouw. Ik ben van de KPN en ik wil u graag helpen.’
‘Helpen? Maar ik heb helemaal geen probleem...’
‘Wel als u hoort wat ik u kan aanbieden. Mag ik eens vragen: belt u via KPN?’
Ik kan niet anders dan dat beamen.
‘En heeft u ADSL?’
Tsja, ook dat is waar.
‘Dan mag ik u een prachtige aanbieding doen: bellen en surfen in één.
Als ik even mag binnenkomen, zal ik het rekensommetje voor u maken.’
‘Daar voel ik weinig voor, het is etenstijd.’
‘Dat is waar mevrouw. Maar het duurt echt niet langer dan tien minuten’.
Ik zwicht. Waarom weet ik niet. Meestal kan ik telemarketeers en colporteurs prima afpoeieren. Maar iets in me kan deze slungelachtige, kale zestiger niet afwijzen.
Hij ziet eruit alsof hij de hele dag nog bij niemand is binnengelaten: moegestreden, wat kromgebogen, zweetvlekken onder de oksels van zijn KNP-overhemd. En toch probeert hij vrolijk en zelfverzekerd over te komen, als de onverslaanbare, succesvolle verkoper die zelfs een blinde analfabeet een 32-delige encyclopedie kan aanpraten.
Als hij aan mijn keukentafel zit, slaakt hij een bijna onhoorbare zucht:
de eerste horde is genomen. Hij haalt zijn zwart omrande bril van zijn neus en poetst de vlekken zorgvuldig weg met een geblokte jaren ’50-zakdoek.
Tijd voor horde nummer twee:
Uit zijn skaileren tas haalt hij een ordner tevoorschijn met beduimelde
KPN-brochures. Dan volgt een vers ingestudeerd verhaal over surfen, modems, basisbellen, daltarieven en megabytes.
Regelmatig knijpt hij zijn ogen dicht of werpt juist zijn blik ten hemel.
Dan is hij even een paar seconden stil, spiekt over de rand van zijn bril op een van zijn brochures, en spuwt vervolgens met licht trillende stem de volgende vakterm uit:
‘Bij een… uh… abonnement instapsurfen en bellen, en een download-snelheid van 1500 Kb, betaalt u slechts € 29.95 per maand. Of nee, pardon: € 19.95 per maand, zie ik hier zelfs staan. Met gratis spamfilter. Even kijken hoor… uh… ja, dat klopt geloof ik wel.’
Hij drukt zijn bril weer terug naar achteren:
‘Mag ik misschien uw meest recente telefoonrekening even zien?’
Natuurlijk mag ie dat.
‘Ja ja, ik zie het al’, klinkt het gewichtig, ‘ik kan u wel degelijk helpen mevrouw.’
Hij pakt pen en papier en begint met een rekensom die uiteindelijk een compleet A4’tje beslaat.
Telkens als hij klaar denkt te zijn, ontdekt hij weer een fout in zijn berekening, en begint hij – steeds heviger zwetend – opnieuw.
Hij ziet mijn meewarige blik en bekent blozend: ‘Ik doe dit werk pas twee maanden’.
Ineens begrijp ik het: dit is vast een voormalig monteur die boventallig is geworden en die nu via een perfect doortimmerd reïntegratieprogramma een half jaar de tijd heeft om te bewijzen dat hij op straat moet worden gezet.
De tien minuten zijn er al twintig als hij eindelijk tot de conclusie komt dat ik maar liefst € 4,05 per maand goedkoper af ben als ik op zijn aanbod inga.
Dat vind ik letterlijk de moeite niet waard. Maar ik durf het hem niet te vertellen. Laf zeg ik dat ik erover na zal denken.
Zijn gezicht klaart op, dit is kennelijk al meer dan hij gewend is:
‘Dan bel ik u over twee dagen op. En als u nog vragen hebt, bel mij dan gerust.’
Met een weids gebaar schuift hij me plechtig zijn vers gedrukte kaartje toe:
‘Ad Mak, KPN Sales’.
Als hij weg is, lees ik de brochure die hij heeft achtergelaten.
Daar staat: ‘Aansluiting: gratis!’
En daaronder in heel kleine lettertjes: Montagekosten: € 99.
Het gaat dus 25 maanden duren voordat dit geweldige KPN-aanbod me geld gaat opleveren. Bovendien heb ik helemaal geen zin in een monteur over de vloer, en evenmin in de onvermijdelijke technische problemen die altijd met zo’n overstap gepaard gaan.
Ik leef echt mee met Ad, maar als hij me terugbelt zal ik hem toch heus zeggen dat het feest niet doorgaat.
Twee dagen later staat hij opnieuw voor de deur, om acht uur ‘s avonds. Hij draagt nog steeds hetzelfde gekreukte overhemd. Zijn KPN-badge bungelt ondersteboven aan zijn borstzakje.
Hij veegt het zweet van zijn voorhoofd en en zegt vermoeid vrolijk:
‘Dag mevrouw. Ik had gezegd dat ik u terug zou bellen. Maar ik was toch in de buurt, dus ik dacht: ik ga maar even persoonlijk langs om te horen wat u heeft besloten.’
Met ogen die glinsteren van verwachting kijkt hij me hoopvol aan vanachter zijn opnieuw besmeurde brillenglazen.
Gelukkig ben ik nu voorbereid. Om te voorkomen dat ik me weer laat leiden door medelijden, bijt ik hem – harder dan de bedoeling is – toe:
‘Ik doe het niet. En het heeft geen zin erover in discussie te gaan. Mijn besluit staat vast.’
Hij knakt voorover, hapt naar adem, alsof ik hem zojuist hard in zijn kruis heb getrapt. Dan stamelt hij:
‘Maar ik kan u toch helpen?...’
Ik vertel hem over de kleine lettertjes en de € 99 montagekosten.
‘Oh, dat hebben ze er niet bij gezegd’, zegt hij zacht – meer tegen zichzelf dan tegen mij.
Kennelijk een hiaat in de KPN-reïntegratiecursus.
‘U kunt er niets aan doen hoor, u heeft echt uw best gedaan’, slijm ik, om mijn geweten te sussen.
Maar Ad luistert al niet meer. Met gebogen schouders sjokt hij de gang van de flat uit.
Nog even, dan staat hij op straat.
Loes Gouweloos
‘Dag mevrouw. Ik ben van de KPN en ik wil u graag helpen.’
‘Helpen? Maar ik heb helemaal geen probleem...’
‘Wel als u hoort wat ik u kan aanbieden. Mag ik eens vragen: belt u via KPN?’
Ik kan niet anders dan dat beamen.
‘En heeft u ADSL?’
Tsja, ook dat is waar.
‘Dan mag ik u een prachtige aanbieding doen: bellen en surfen in één.
Als ik even mag binnenkomen, zal ik het rekensommetje voor u maken.’
‘Daar voel ik weinig voor, het is etenstijd.’
‘Dat is waar mevrouw. Maar het duurt echt niet langer dan tien minuten’.
Ik zwicht. Waarom weet ik niet. Meestal kan ik telemarketeers en colporteurs prima afpoeieren. Maar iets in me kan deze slungelachtige, kale zestiger niet afwijzen.
Hij ziet eruit alsof hij de hele dag nog bij niemand is binnengelaten: moegestreden, wat kromgebogen, zweetvlekken onder de oksels van zijn KNP-overhemd. En toch probeert hij vrolijk en zelfverzekerd over te komen, als de onverslaanbare, succesvolle verkoper die zelfs een blinde analfabeet een 32-delige encyclopedie kan aanpraten.
Als hij aan mijn keukentafel zit, slaakt hij een bijna onhoorbare zucht:
de eerste horde is genomen. Hij haalt zijn zwart omrande bril van zijn neus en poetst de vlekken zorgvuldig weg met een geblokte jaren ’50-zakdoek.
Tijd voor horde nummer twee:
Uit zijn skaileren tas haalt hij een ordner tevoorschijn met beduimelde
KPN-brochures. Dan volgt een vers ingestudeerd verhaal over surfen, modems, basisbellen, daltarieven en megabytes.
Regelmatig knijpt hij zijn ogen dicht of werpt juist zijn blik ten hemel.
Dan is hij even een paar seconden stil, spiekt over de rand van zijn bril op een van zijn brochures, en spuwt vervolgens met licht trillende stem de volgende vakterm uit:
‘Bij een… uh… abonnement instapsurfen en bellen, en een download-snelheid van 1500 Kb, betaalt u slechts € 29.95 per maand. Of nee, pardon: € 19.95 per maand, zie ik hier zelfs staan. Met gratis spamfilter. Even kijken hoor… uh… ja, dat klopt geloof ik wel.’
Hij drukt zijn bril weer terug naar achteren:
‘Mag ik misschien uw meest recente telefoonrekening even zien?’
Natuurlijk mag ie dat.
‘Ja ja, ik zie het al’, klinkt het gewichtig, ‘ik kan u wel degelijk helpen mevrouw.’
Hij pakt pen en papier en begint met een rekensom die uiteindelijk een compleet A4’tje beslaat.
Telkens als hij klaar denkt te zijn, ontdekt hij weer een fout in zijn berekening, en begint hij – steeds heviger zwetend – opnieuw.
Hij ziet mijn meewarige blik en bekent blozend: ‘Ik doe dit werk pas twee maanden’.
Ineens begrijp ik het: dit is vast een voormalig monteur die boventallig is geworden en die nu via een perfect doortimmerd reïntegratieprogramma een half jaar de tijd heeft om te bewijzen dat hij op straat moet worden gezet.
De tien minuten zijn er al twintig als hij eindelijk tot de conclusie komt dat ik maar liefst € 4,05 per maand goedkoper af ben als ik op zijn aanbod inga.
Dat vind ik letterlijk de moeite niet waard. Maar ik durf het hem niet te vertellen. Laf zeg ik dat ik erover na zal denken.
Zijn gezicht klaart op, dit is kennelijk al meer dan hij gewend is:
‘Dan bel ik u over twee dagen op. En als u nog vragen hebt, bel mij dan gerust.’
Met een weids gebaar schuift hij me plechtig zijn vers gedrukte kaartje toe:
‘Ad Mak, KPN Sales’.
Als hij weg is, lees ik de brochure die hij heeft achtergelaten.
Daar staat: ‘Aansluiting: gratis!’
En daaronder in heel kleine lettertjes: Montagekosten: € 99.
Het gaat dus 25 maanden duren voordat dit geweldige KPN-aanbod me geld gaat opleveren. Bovendien heb ik helemaal geen zin in een monteur over de vloer, en evenmin in de onvermijdelijke technische problemen die altijd met zo’n overstap gepaard gaan.
Ik leef echt mee met Ad, maar als hij me terugbelt zal ik hem toch heus zeggen dat het feest niet doorgaat.
Twee dagen later staat hij opnieuw voor de deur, om acht uur ‘s avonds. Hij draagt nog steeds hetzelfde gekreukte overhemd. Zijn KPN-badge bungelt ondersteboven aan zijn borstzakje.
Hij veegt het zweet van zijn voorhoofd en en zegt vermoeid vrolijk:
‘Dag mevrouw. Ik had gezegd dat ik u terug zou bellen. Maar ik was toch in de buurt, dus ik dacht: ik ga maar even persoonlijk langs om te horen wat u heeft besloten.’
Met ogen die glinsteren van verwachting kijkt hij me hoopvol aan vanachter zijn opnieuw besmeurde brillenglazen.
Gelukkig ben ik nu voorbereid. Om te voorkomen dat ik me weer laat leiden door medelijden, bijt ik hem – harder dan de bedoeling is – toe:
‘Ik doe het niet. En het heeft geen zin erover in discussie te gaan. Mijn besluit staat vast.’
Hij knakt voorover, hapt naar adem, alsof ik hem zojuist hard in zijn kruis heb getrapt. Dan stamelt hij:
‘Maar ik kan u toch helpen?...’
Ik vertel hem over de kleine lettertjes en de € 99 montagekosten.
‘Oh, dat hebben ze er niet bij gezegd’, zegt hij zacht – meer tegen zichzelf dan tegen mij.
Kennelijk een hiaat in de KPN-reïntegratiecursus.
‘U kunt er niets aan doen hoor, u heeft echt uw best gedaan’, slijm ik, om mijn geweten te sussen.
Maar Ad luistert al niet meer. Met gebogen schouders sjokt hij de gang van de flat uit.
Nog even, dan staat hij op straat.
Loes Gouweloos
columns, verhalen, essays, gedichten
Klein leed,
Maatschappelijke vraagstukken
Raku
‘Parkkunst’ op Koninginnedag: altijd hetzelfde. Hordes Alphenaren die zich laten bekijken en die elkaar bekijken terwijl ze in slakkentempo langs de kramen schuifelen. Kijken, kijken, en niks kopen.
Bekenden die elkaar tegengekomen, blijven stilstaan alsof ze door de bliksem zijn getroffen, en te midden van de voortsjokkende mensenmassa een lang, filevormend gesprek beginnen.
Flyers en pamfletten die iedereen thuis ongelezen weggooit, gratis reclame-snuisterijen (dit jaar een geel zadeldekje), troosteloze kramen van gesubsidieerde instanties, en natuurlijk de crème de la crème van het Alphense kunstenaarsgilde.
Kraam na kraam zitten dames van middelbare leeftijd te blauwbekken op een wiebelig plastic stoeltje. Achter hen een luidkeels klapperend zeildoek. Naast hen een thermoskan met koffie die ze een halve dag geleden, toen ze nog lekker warm thuis zaten, vers hebben gezet.
En voor hen hun menopauzale kunstwerken. Ook altijd hetzelfde: te dure aquarellen, prullaria van een tientje, en boetseerwerkjes in alle prijsklassen.
Het enige nieuwe dit jaar: raku-gestookt. Als boetseerder hoor je er niet meer bij als je je vaasjes en hoofdloze vrouwenfiguren gewoon in een oven hebt gebakken. Nee, ‘raku-gestookt’, dat is het helemaal. Geen idee wat het is, maar het is een absolute must voor elke rechtgeaarde boetseerkunstenares.
‘Dit is toch gewoon een bloempot?’, hoor ik een bezoeker vragen.
‘Nee… dat lijkt maar zo’, antwoordt de licht beledigde schepster van de bloempot, ‘hij is raku-gestookt!
Twee kramen verderop zit er nog een, en aan de andere kant van het te smalle looppad ook: kort, grijs haar, een felrood gekleurde bril, een vaal gewatteerd jack over een artistieke turquoise blouse, en een boomdikke halsketting van eigen makelij – in net een andere rode tint dan haar montuur.
Ook hier rijen vol objecten die net geen snuisterijen zijn maar ook net geen kunst. Maar…: wel raku-gestookt.
Dan ontwaar ik zowaar een kraam waar iets anders te zien is. Felgekleurde, vormloze lappen. Daarnaast een scheefgedrukt foldertje met de intrigerende kop: ‘Ook altijd willen vilten en nanuvilten?’
Welnu, dat kan vanaf heden in Alphen aan den Rijn. Daartoe dient een 06-nummer te worden gebeld. Van wie dat nummer is, vertelt het verhaal niet.
Maar geen nood: de eigenares staat hoogstpersoonlijk achter de met lappen bedekte kraamtafel, klaar om uitleg te geven.
Vóór die tafel staat een ietwat geagiteerde dame in fel gekleurde kleren, die beurtelings een roze en een turquoise viltlap betast. Na lang wikken en wegen, wenkt ze haar echtgenoot: hij mag betalen, zij slaat trots en vastberaden de turquoise lap om haar schouders.
Hè hè, eindelijk iemand die niet alleen kijkt maar ook koopt. Een echte nanugevilte lap. Maar helaas: niet raku-gestookt.
Loes Gouweloos
Bekenden die elkaar tegengekomen, blijven stilstaan alsof ze door de bliksem zijn getroffen, en te midden van de voortsjokkende mensenmassa een lang, filevormend gesprek beginnen.
Flyers en pamfletten die iedereen thuis ongelezen weggooit, gratis reclame-snuisterijen (dit jaar een geel zadeldekje), troosteloze kramen van gesubsidieerde instanties, en natuurlijk de crème de la crème van het Alphense kunstenaarsgilde.
Kraam na kraam zitten dames van middelbare leeftijd te blauwbekken op een wiebelig plastic stoeltje. Achter hen een luidkeels klapperend zeildoek. Naast hen een thermoskan met koffie die ze een halve dag geleden, toen ze nog lekker warm thuis zaten, vers hebben gezet.
En voor hen hun menopauzale kunstwerken. Ook altijd hetzelfde: te dure aquarellen, prullaria van een tientje, en boetseerwerkjes in alle prijsklassen.
Het enige nieuwe dit jaar: raku-gestookt. Als boetseerder hoor je er niet meer bij als je je vaasjes en hoofdloze vrouwenfiguren gewoon in een oven hebt gebakken. Nee, ‘raku-gestookt’, dat is het helemaal. Geen idee wat het is, maar het is een absolute must voor elke rechtgeaarde boetseerkunstenares.
‘Dit is toch gewoon een bloempot?’, hoor ik een bezoeker vragen.
‘Nee… dat lijkt maar zo’, antwoordt de licht beledigde schepster van de bloempot, ‘hij is raku-gestookt!
Twee kramen verderop zit er nog een, en aan de andere kant van het te smalle looppad ook: kort, grijs haar, een felrood gekleurde bril, een vaal gewatteerd jack over een artistieke turquoise blouse, en een boomdikke halsketting van eigen makelij – in net een andere rode tint dan haar montuur.
Ook hier rijen vol objecten die net geen snuisterijen zijn maar ook net geen kunst. Maar…: wel raku-gestookt.
Dan ontwaar ik zowaar een kraam waar iets anders te zien is. Felgekleurde, vormloze lappen. Daarnaast een scheefgedrukt foldertje met de intrigerende kop: ‘Ook altijd willen vilten en nanuvilten?’
Welnu, dat kan vanaf heden in Alphen aan den Rijn. Daartoe dient een 06-nummer te worden gebeld. Van wie dat nummer is, vertelt het verhaal niet.
Maar geen nood: de eigenares staat hoogstpersoonlijk achter de met lappen bedekte kraamtafel, klaar om uitleg te geven.
Vóór die tafel staat een ietwat geagiteerde dame in fel gekleurde kleren, die beurtelings een roze en een turquoise viltlap betast. Na lang wikken en wegen, wenkt ze haar echtgenoot: hij mag betalen, zij slaat trots en vastberaden de turquoise lap om haar schouders.
Hè hè, eindelijk iemand die niet alleen kijkt maar ook koopt. Een echte nanugevilte lap. Maar helaas: niet raku-gestookt.
Loes Gouweloos
Op medisch advies
Op weg naar mijn werk, rijd ik op de provinciale sluipweg.
Opeens zie ik in een flits een oude vrouw oversteken, zonder op of om te kijken.
De bestelwagen voor mij kan haar maar half ontwijken, en raakt het voorwiel van haar fiets. Ze valt. Middenop de rijweg, hooguit 50 meter voor mijn auto.
Nog nooit heb ik zo hard geremd. Ik hoor het oorverdovende gepiep van rubber op asfalt, ik schiet naar voren in de gordels. De vrouw ligt roerloos onder haar fiets en komt steeds dichterbij, als in een slowmotion-scène.
Ik zie witte permanentkrulletjes. En een beige mantel. Allerlei irrelevante details boren zich in mijn netvlies.
Zal ik op tijd stil staan? Of rijd ik zo meteen een hulpeloze oude vrouw dood?
Hoe zal dat voelen? Allerlei gedachten schieten door mijn hoofd. Intussen komt de vrouw steeds angstaanjagender dichterbij. Ik zie nu zelfs haar verschrikte blik.
Nog even…
Met een schok komt mijn auto tot stilstand. Ik ren naar voren. Mijn bumper hangt boven het draaiende voorwiel van de fiets. Daaronder ligt nog steeds de oude dame. Ik heb haar niet geraakt, Goddank. Het heeft hooguit 20 centimeter gescheeld.
Ik help haar opstaan.
"Ken je niet uitkijken?!" schreeuwt ze woedend.
Mijn opluchting maakt plaats voor verbijstering.
"Er is geen respect meer voor oude mensen", tiert ze verder. "Ik fiets omdat dat moet van de dokter, voor mijn gezondheid. Maar jij, jij rijdt me bijna dood en je biedt geeneens je excuses aan!"
Ik ga steeds harder trillen, na de schrik nu ook van woede.
De vrouw opent opnieuw haar mond, ongetwijfeld voor het volgende verwijt.
Ik stap in mijn auto en rijd weg. In mijn achteruitkijkspiegel zie ik haar nog steeds middenop de weg staan. Wijdbeens. Met een gebalde vuist in mijn richting.
Loes Gouweloos
Opeens zie ik in een flits een oude vrouw oversteken, zonder op of om te kijken.
De bestelwagen voor mij kan haar maar half ontwijken, en raakt het voorwiel van haar fiets. Ze valt. Middenop de rijweg, hooguit 50 meter voor mijn auto.
Nog nooit heb ik zo hard geremd. Ik hoor het oorverdovende gepiep van rubber op asfalt, ik schiet naar voren in de gordels. De vrouw ligt roerloos onder haar fiets en komt steeds dichterbij, als in een slowmotion-scène.
Ik zie witte permanentkrulletjes. En een beige mantel. Allerlei irrelevante details boren zich in mijn netvlies.
Zal ik op tijd stil staan? Of rijd ik zo meteen een hulpeloze oude vrouw dood?
Hoe zal dat voelen? Allerlei gedachten schieten door mijn hoofd. Intussen komt de vrouw steeds angstaanjagender dichterbij. Ik zie nu zelfs haar verschrikte blik.
Nog even…
Met een schok komt mijn auto tot stilstand. Ik ren naar voren. Mijn bumper hangt boven het draaiende voorwiel van de fiets. Daaronder ligt nog steeds de oude dame. Ik heb haar niet geraakt, Goddank. Het heeft hooguit 20 centimeter gescheeld.
Ik help haar opstaan.
"Ken je niet uitkijken?!" schreeuwt ze woedend.
Mijn opluchting maakt plaats voor verbijstering.
"Er is geen respect meer voor oude mensen", tiert ze verder. "Ik fiets omdat dat moet van de dokter, voor mijn gezondheid. Maar jij, jij rijdt me bijna dood en je biedt geeneens je excuses aan!"
Ik ga steeds harder trillen, na de schrik nu ook van woede.
De vrouw opent opnieuw haar mond, ongetwijfeld voor het volgende verwijt.
Ik stap in mijn auto en rijd weg. In mijn achteruitkijkspiegel zie ik haar nog steeds middenop de weg staan. Wijdbeens. Met een gebalde vuist in mijn richting.
Loes Gouweloos
columns, verhalen, essays, gedichten
Klein leed
Oostenrijk
Iedereen in mijn klas had natuurlijk allang een brommer. De jongens een Puch, de meisjes een Mobylette. Alleen ik had nog steeds alleen maar een fiets.
Noch voor mijn zestiende, noch voor mijn zeventiende verjaardag kreeg ik het door mij zo fel begeerde motorrijwiel.
'Te duur', zeiden mijn ouders. Maar ik wist beter: ze vertrouwden me niet.
Ooit was ik van een schommel af gevallen. Gevolg: een gebroken arm. Sindsdien had ik de naam wild en roekeloos te zijn. En daarom moest ik blijven fietsen. Elke dag heen en weer naar school, meer dan 30 kilometer.
Pas toen ik al ruim 17 was, brak de weerstand van mijn ouders. Als ik zou slagen voor mijn eindexamen, zou ik van hen een (nieuwe!) brommer krijgen.
Dus in de zomer na mijn examen ging mijn droom eindelijk in vervulling. Ik kreeg een prachtige, glimmende brommer. Niet zo'n saaie grijze Mobylette zoals mijn vriendinnen hadden, maar een stijlvolle Batavette. Donkerblauw, met een prachtige zilveren metalen schijf die ronddraaide als je gas gaf. Ik weet niet waartoe hij diende, maar hij zat vlakbij de trappers en hij schitterde in het zonlicht. Maar jammer genoeg was ik net van school, dus ik kon er niet de ogen van mijn vrienden en vriendinnen mee uitsteken.
Gelukkig was mijn beste vriendin bereid de vernedering aan te gaan: direct nadat mijn brommer was afgeleverd, zouden we samen een lange tocht gaan maken. Zij op haar dertien-in-een-dozijn Mobylette, ik op mijn luxe blauw-met-zilveren Batavette.
Terwijl we ons startklaar maken, dribbelt mijn moeder nerveus om me heen:
'Kijk alsjeblieft uit dat je niet valt!'
'Ga niet te ver uit de buurt!'
'O o, wat zal ik blij zijn als je weer heelhuids thuis bent!'
Blij van mijn moeders gezeur bevrijd te zijn, scheur ik demonstratief zo hard mogelijk de straat uit.
Eindelijk begint het Grote Genieten. Het is stralend weer. Ik maak zo veel snelheid dat mijn haren strak naar achteren worden geblazen. Leontien van Moorsel is er niets bij. Ik scheer schuin hangend door de bochten.
Ik ben vrij - eindelijk vrij! Zelfs op zeventienjarige leeftijd besef ik de symboliek van deze vlucht vanuit mijn ouderlijk huis.
Bovendien ben ik vastberaden om voor eens en altijd het ongelijk van mijn ouders te bewijzen en mijn roekeloze imago voor goed van me af te werpen. Vanaf vandaag zullen ze me serieus nemen en respect voor me hebben!
Voordat we het weten, zijn we in de buurt van Gouda beland. Toch een pittig eindje, vanuit Rotterdam. We besluiten om Gouda onveilig te gaan maken. Bij een driesprong midden in de polders staan een paar wegwijzers.
Zonder te stoppen, speuren we naar de aanwijzing 'Gouda'. Ik test mijn behendigheid: het bord lezen, bijna stilstaan, maar toch mijn voeten niet op de grond zetten. Dit wordt het hoogtepunt van mijn debuutrit: een glorieuze sur-place.
'Kijk uit!', roept mijn vriendin.
Te laat.
Mijn blauwe Batavette glijdt onder me weg. Als in een slow-motion opname, zijg ik neer. In een greppel. Bovenop mijn brommer. Met mijn been bovenop die nog steeds ronddraaiende zilverkleurige metalen schijf.
Aanvankelijk hoor ik alleen een vreemd, slurpend geluid. Ik voel niets. Nog niet…
Maar als ik weer sta, begin ik wel wat te voelen. En vooral wat te zien. Een enorme ontvelde plek op mijn rechterdij, zeker 10 bij 15 centimeter groot. Het vel zit vastgeplakt op de draaischijf van mijn brommer.
Het eerste dat door me heen gaat is: Verdorie, nou heeft mijn moeder toch gelijk gekregen!
Pas daarna gaat de eerste pijnscheut door me heen. Een scherpe, schrijnende pijn, alsof er met scheermesjes in mijn dij wordt gesneden. Langzaam verschijnen ook de eerste bloeddruppels.
Ik bijt mijn tanden op elkaar. We rijden naar Gouda. Vandaar gaan we naar Haastrecht. Steeds weer verzin ik een nieuw doel, ik durf niet naar huis.
Tijdens het rijden inspecteer ik regelmatig mijn Batavette-been. De wond wordt steeds roder, gaat steeds meer pijn doen. Het lijkt ook net alsof hij steeds groter wordt.
'Hij heeft de vorm van Oostenrijk', zegt mijn bijdehante vriendin. 'Kijk, daar ligt Wenen, bij die grote bloeddruppel.'
Even later zegt ze dat ze genoeg heeft van onze eindeloze tocht. Ze heeft honger en ze wil naar huis.
Het is al bijna donker als ik mijn brommer in de kelder stal en vervolgens probeer om snel mijn kamer te bereiken, en - vooral - mijn moeder te ontlopen.
Maar zij staat breeduit in de deuropening, met de armen in de zij. En ook al probeer ik niet kreupel te lopen, ze ruikt al op tien meter afstand dat er iets niet pluis is. Voordat ik het weet, heeft ze mijn been te pakken.
Bij de aanblik van 'Oostenrijk', geeft ze een schreeuw van ontzetting. 'Zíe je nou wel?!'
Ik heb geen keus, ik kan niets terugzeggen, ze heeft gelijk gekregen.
Voor het eerst die dag krijg ik tranen in mijn ogen: de pijn van mijn ongelijk is veel schrijnender dan de pijn in mijn been.
Loes Gouweloos
Noch voor mijn zestiende, noch voor mijn zeventiende verjaardag kreeg ik het door mij zo fel begeerde motorrijwiel.
'Te duur', zeiden mijn ouders. Maar ik wist beter: ze vertrouwden me niet.
Ooit was ik van een schommel af gevallen. Gevolg: een gebroken arm. Sindsdien had ik de naam wild en roekeloos te zijn. En daarom moest ik blijven fietsen. Elke dag heen en weer naar school, meer dan 30 kilometer.
Pas toen ik al ruim 17 was, brak de weerstand van mijn ouders. Als ik zou slagen voor mijn eindexamen, zou ik van hen een (nieuwe!) brommer krijgen.
Dus in de zomer na mijn examen ging mijn droom eindelijk in vervulling. Ik kreeg een prachtige, glimmende brommer. Niet zo'n saaie grijze Mobylette zoals mijn vriendinnen hadden, maar een stijlvolle Batavette. Donkerblauw, met een prachtige zilveren metalen schijf die ronddraaide als je gas gaf. Ik weet niet waartoe hij diende, maar hij zat vlakbij de trappers en hij schitterde in het zonlicht. Maar jammer genoeg was ik net van school, dus ik kon er niet de ogen van mijn vrienden en vriendinnen mee uitsteken.
Gelukkig was mijn beste vriendin bereid de vernedering aan te gaan: direct nadat mijn brommer was afgeleverd, zouden we samen een lange tocht gaan maken. Zij op haar dertien-in-een-dozijn Mobylette, ik op mijn luxe blauw-met-zilveren Batavette.
Terwijl we ons startklaar maken, dribbelt mijn moeder nerveus om me heen:
'Kijk alsjeblieft uit dat je niet valt!'
'Ga niet te ver uit de buurt!'
'O o, wat zal ik blij zijn als je weer heelhuids thuis bent!'
Blij van mijn moeders gezeur bevrijd te zijn, scheur ik demonstratief zo hard mogelijk de straat uit.
Eindelijk begint het Grote Genieten. Het is stralend weer. Ik maak zo veel snelheid dat mijn haren strak naar achteren worden geblazen. Leontien van Moorsel is er niets bij. Ik scheer schuin hangend door de bochten.
Ik ben vrij - eindelijk vrij! Zelfs op zeventienjarige leeftijd besef ik de symboliek van deze vlucht vanuit mijn ouderlijk huis.
Bovendien ben ik vastberaden om voor eens en altijd het ongelijk van mijn ouders te bewijzen en mijn roekeloze imago voor goed van me af te werpen. Vanaf vandaag zullen ze me serieus nemen en respect voor me hebben!
Voordat we het weten, zijn we in de buurt van Gouda beland. Toch een pittig eindje, vanuit Rotterdam. We besluiten om Gouda onveilig te gaan maken. Bij een driesprong midden in de polders staan een paar wegwijzers.
Zonder te stoppen, speuren we naar de aanwijzing 'Gouda'. Ik test mijn behendigheid: het bord lezen, bijna stilstaan, maar toch mijn voeten niet op de grond zetten. Dit wordt het hoogtepunt van mijn debuutrit: een glorieuze sur-place.
'Kijk uit!', roept mijn vriendin.
Te laat.
Mijn blauwe Batavette glijdt onder me weg. Als in een slow-motion opname, zijg ik neer. In een greppel. Bovenop mijn brommer. Met mijn been bovenop die nog steeds ronddraaiende zilverkleurige metalen schijf.
Aanvankelijk hoor ik alleen een vreemd, slurpend geluid. Ik voel niets. Nog niet…
Maar als ik weer sta, begin ik wel wat te voelen. En vooral wat te zien. Een enorme ontvelde plek op mijn rechterdij, zeker 10 bij 15 centimeter groot. Het vel zit vastgeplakt op de draaischijf van mijn brommer.
Het eerste dat door me heen gaat is: Verdorie, nou heeft mijn moeder toch gelijk gekregen!
Pas daarna gaat de eerste pijnscheut door me heen. Een scherpe, schrijnende pijn, alsof er met scheermesjes in mijn dij wordt gesneden. Langzaam verschijnen ook de eerste bloeddruppels.
Ik bijt mijn tanden op elkaar. We rijden naar Gouda. Vandaar gaan we naar Haastrecht. Steeds weer verzin ik een nieuw doel, ik durf niet naar huis.
Tijdens het rijden inspecteer ik regelmatig mijn Batavette-been. De wond wordt steeds roder, gaat steeds meer pijn doen. Het lijkt ook net alsof hij steeds groter wordt.
'Hij heeft de vorm van Oostenrijk', zegt mijn bijdehante vriendin. 'Kijk, daar ligt Wenen, bij die grote bloeddruppel.'
Even later zegt ze dat ze genoeg heeft van onze eindeloze tocht. Ze heeft honger en ze wil naar huis.
Het is al bijna donker als ik mijn brommer in de kelder stal en vervolgens probeer om snel mijn kamer te bereiken, en - vooral - mijn moeder te ontlopen.
Maar zij staat breeduit in de deuropening, met de armen in de zij. En ook al probeer ik niet kreupel te lopen, ze ruikt al op tien meter afstand dat er iets niet pluis is. Voordat ik het weet, heeft ze mijn been te pakken.
Bij de aanblik van 'Oostenrijk', geeft ze een schreeuw van ontzetting. 'Zíe je nou wel?!'
Ik heb geen keus, ik kan niets terugzeggen, ze heeft gelijk gekregen.
Voor het eerst die dag krijg ik tranen in mijn ogen: de pijn van mijn ongelijk is veel schrijnender dan de pijn in mijn been.
Loes Gouweloos
columns, verhalen, essays, gedichten
Klein leed,
Memories
Abonneren op:
Posts (Atom)