Niks ‘Zoon van God’, niks ’Onbevlekte Ontvangenis’.
Ik was een simpele timmermanszoon, meer niet.
En mijn ouders waren doodgewone mensen. Ongeletterd en straatarm. Maar smoorverliefd, en zo kwam het dat ik ben geboren als liefdesbaby.
Mijn eerste jaren dribbelde ik vrolijk rond in de werkplaats van mijn vader. Een kind als alle anderen.
Maar toch niet helemaal, want, al zeg ik het zelf: ik was een slim ventje en ik nam me geen blad voor de mond.
Toen ik wat ouder werd, bleven mijn kritische opmerkingen over de Romeinse bezetter dan ook niet onopgemerkt.
Dat vinden de mensen prachtig, iemand die zegt wat hij denkt. En die vooral zegt wat zij zelf ook denken maar niet durven zeggen. Of je nou Pim heet of Jezus.
Voordat ik het wist, was ik hun held. Een volk dat onderdrukt wordt, zoekt nu eenmaal een leider. En als die er niet is, maken ze hem wel. Alles wat ik zei, namen ze voor zoete koek aan. Zelf nadenken deden ze niet, ik was hun voorganger. Erger nog: hun Verlosser.
Want om mij nog geloofwaardiger en onfeilbaarder te maken, dichtten ze me goddelijke krachten toe. Ik was de Zoon van God.
En dat is me fataal geworden. Door die hype begon de bezetter me serieus te nemen en werd hij bang voor me. Opeens was ik een officiële staatsvijand.
32 jaar ben ik maar geworden, en ik ben op een vreselijke manier aan mijn eind gekomen. Net zoals die andere messiassen-tegen-wil-en-dank: Ghandi, Martin Luther King, John Lennon, Pim.
De geschiedenis herhaalt zich, nog steeds.
Wat mij betreft, eindigt daar mijn verhaal.
Maar zoals altijd bij martelaars, werd er met terugwerkende kracht steeds meer gefantaseerd over mij en mijn leven.
Als ik de Bijbel lees, herken ik niets van mezelf terug en word ik kwaad over de barre verzinsels.
Neem nou dat verhaal van mijn geboorte. Niet alleen klopt het niet, maar als mijn volgelingen het zo goed met me voor hebben, waarom hebben ze dan bedacht dat ik in een vuile voederbak ben geboren?
Waarom niet gewoon thuis, in een warm bed?
Waarom moest mijn hoogzwangere moeder zo nodig op reis?
Waarom moest die herbergier de deur dichtslaan?
En waarom heeft mijn vader dat gepikt?
Waarom heeft hij zijn voet niet tussen de deur gezet?
Over Mijn andere zogenaamde Vader zal ik het maar helemáál niet hebben. Had Die in Zijn almacht niet iets beters kunnen regelen dan een smerige stal in een afgelegen gehucht?
Ik heb ook niet eens de tijd gekregen om eerst eens lekker bij mijn moeder aan de borst te liggen. Ik hing bij wijze van spreken nog aan de navelstreng, of er kwamen al horden mensen binnen.
Vieze stinkende herders met luid blatende schapen, die zelf ook niet leken te begrijpen wat ze kwamen doen. Als een stel sukkels waren ze achter een of andere vage engel aangelopen, zonder te vragen naar het doel van die nachtelijke wandeling.
En een paar oude mannen in glimmende jurken. Enge zwarte gezichten boven mijn wieg.
Ze legden vreemde cadeaus om me heen, niets voor een baby. Waarom geen lekkere knuffel of een leuke rammelaar?
En dan steeds maar die ster, die zo uitsloverig stond te stralen dat ik geen oog dicht deed.
Mijn volgelingen hebben het trouwens ook niet best voor met mijn arme moeder. In hun verhaal krijgt ze geen kans om bij te komen van de bevalling, het moet vreselijk voor haar zijn geweest. Daarom zal ze wel direct hebben gedacht: bij deze ene blijft het. Groot gelijk.
Maar ik had best een broertje of een zusje willen hebben…
Mijn korte leven is getekend door de heldenrol die me werd opgedrongen. Ik wérd geleefd. Iedereen kent het verhaal, maar niemand kent mij. Nog steeds niet.
Misschien wordt het tijd voor het echte verhaal, een autobiografie.
Voor al diegenen die in mij geloven.
Maar zij zullen mij niet geloven.
J. van Nazareth , december 2008 na mij
maandag 22 december 2008
Abonneren op:
Posts (Atom)