Wie is de leukste? Wie is de beste? Is het John of is het Paul?
Een zwaarwegende kwestie voor een meisje van 15. Mijn voorkeur verandert wekelijks.
Het is Paul. Vanwege zijn melodieuze, romantische liedjes die je al na twee keer horen kunt meezingen. En natuurlijk vanwege zijn prachtige reebruine ogen, en zijn charmante en vrolijke optreden.
Nee, het is toch John. Vanwege de diepgang in zijn originele liedjes, zijn filosofische uitspraken, zijn compromisloze gedrag.
Als de Beatles in 1970 uit elkaar gaan, ben ik er nog steeds niet uit.
Zowel John als Paul gaan solo verder. John schrijft een lied waarin hij meedogenloos afrekent met zijn verleden: ‘I don’t believe in Beatles, the dream is over’.
En Paul bezingt, zoals altijd, de liefde in harmonieuze nieuwe songs.
Maar geen van beiden maken ze nog muziek die het geniale niveau haalt van toen ze nog samen liedjes schreven. Ze hadden elkaar nodig om tot grote hoogte te stijgen, ze vulden elkaar perfect aan.
Als John in 1980 wordt vermoord ben ik ontroostbaar.
Noodgedwongen word ik een nog grotere fan van Paul dan ik al was. Hij maakt plaat na plaat. Soms goed, soms slecht. Maar hij is er nog en hij blijft productief.
Dan is het 2009. Paul komt naar Nederland. Hij is 67, ik ben bijna 60.
Nog nooit heb ik een Beatle live gezien. Dit is waarschijnlijk mijn laatste kans.
Ik reis af naar Arnhem en wacht op een hard plastic Gelredomestoeltje totdat ik eindelijk mijn held in levende lijve kan zien en horen.
Om 8 uur is het zover. In de verte zie ik een vrolijk zwaaiende man het immense podium betreden. Met in zijn hand de Hofner-basgitaar waarmee hij bijna vijftig jaar geleden beroemd is geworden.
Gelukkig hangen er naast het podium gigantische videoschermen waarop hij voortdurend close-up te zien is. Hij ziet er nog zeer appetijtelijk uit voor een zestiger - nog steeds de vlotte charmeur uit de jaren ’60.
In zijn kielzog volgen vier bandleden die de rest van de avond zo getrouw mogelijk de sound van de overige Beatles zullen proberen te benaderen.
‘One, two, three, four!’, roept Paul.
Een oorverdovend lawaai barst los uit de speakers. Instinctief sla ik mijn handen voor mijn oren.
Maar het helpt niet. De lage dreun van Pauls Hofnerbas trilt door in mijn hele lijf.
Het volume is zo enorm dat de stemmen en de gitaren een grote dikke geluidsbrei vormen. Ze zijn niet van elkaar te onderscheiden.
Een stuk of tien ooit zo prachtige Beatlenummers worden de zaal ingeslingerd.
Mijn oren piepen en mijn rug gaat steeds meer pijn doen.
Paul doet zijn jasje uit, veegt het zweet van zijn gezicht, en zucht diep.
Te oud, te oud, gaat het door mij heen. We zijn allebei te oud. En te lang doorgegaan.
Dit zou John nooit hebben gedaan. Die was zijn eigen grootste criticus.
Maar Paul wil het publiek behagen, nog steeds. Ook al is dat met bijna alleen maar oude liedjes. Hij speelt dezelfde nummers als op een dvd van een concert uit 2002. En hij maakt dezelfde gebaartjes. En dezelfde ‘spontane’ grapjes.
Ooit zo creatief, ooit zo’n groot componist. Nu alleen nog een vakbekwame entertainer die teert op oude roem en routine.
Om mij heen wordt het publiek steeds enthousiaster. Men brult mee met ‘Hey Jude’, ‘Yesterday’ en het allerhardst met ‘Give Peace a Chance’. Een nummer van John Lennon.
‘This is a song for my friend John’, zegt Paul.
Helemaal alleen op het immense podium, zingt hij zachtjes een liefdeslied voor de man met wie hij altijd een haat-liefdeverhouding had.
De 30.000 fans zijn muisstil, je kunt een speld horen vallen.
‘I really loved you, and I am holding back the tears more’, zingt Paul.
En dan breek ik, toch nog.
Tranen, ook bij mij. Niet vanwege Paul, maar vanwege John.
Na meer dan veertig jaar ben ik er eindelijk uit.
Maar het verhaal is ook uit. Het is mooi geweest. Letterlijk en figuurlijk.
Dit was mijn laatste popconcert. The dream is over.
vrijdag 18 december 2009
Plastic Heroes
Als kind al droomde ik ervan: held worden.
Is nooit gelukt. Maar nu ik de leeftijd van zestig angstwekkend dicht begin te naderen, krijg ik op de valreep alsnog een kans. Een uitnodiging zelfs. Van de gemeente Alphen aan den Rijn.
In mijn brievenbus ligt een zwart, wit en oranje gekleurde vuilniszak, begeleid door een glossy brochure. Natuurlijk weet de gemeente dat ik al héél oud ben. Daarom spreekt zij mij toe op een toon die zelfs een kind van zes kan begrijpen.
Ik mag vanaf nu een echte held worden, een heuse ‘plastic hero’.
Maar daar moet ik wel wat voor doen... Voortaan moet ik mijn afval nog meer gaan scheiden dan ik nu al doe.
Al mijn plastic afval moet in de bijgeleverde koningsgezinde zak. En die zak ‘mag’ ik deponeren in een speciale, net zo koningsgezinde afvalcontainer. Die wordt binnenkort geplaatst in een winkelcentrum op een kwartier lopen van mijn huis en zonder parkeer-plaatsen voor de deur.
Ik moet er dus wel iets voor over hebben om mijn plastic heldenzak daar te dumpen - áls dat al lukt, want in mijn hele wijk, met al zijn 15.000 inwoners, staat maar één zo’n kloeke oranje container.
Oók lastig: wat moet er zoal in deze designzak worden gestopt?
Gelukkig helpt de gemeente mij ook hiermee: ‘plastic tasjes’, meldt de brochure. En flacons van wasmiddelen. En plastic broodzakjes.
En vooral geen kartonnen verpakkingen. En (wat een tegenvaller) ook geen tuinstoelen. Tja, daar zou ik zelf niet opgekomen zijn…
Maar goed, zo kun je overal wel moeilijk over doen. Je moet er iets voor over hebben om held te worden. Dus: meedoen, want het is goed voor het milieu.
Toch vraag ik me wel eens af: voor wiens milieu? Nog vaker vraag ik me af: waar bemoeit dat milieu zich toch steeds weer mee?! Weet het wel wat het mij aandoet?
Ik woon in een tweekamerflat. Al jarenlang word ik van overheidswege aangespoord om mijn afval te scheiden. En dan is ‘aangespoord’ nog een eufemisme, sinds een gemeentesticker op de restafvalcontainer in mijn straat dreigend dat meldt iedereen die hier iets anders dumpt dan restafval, beboet wordt met minimaal 50 Euro.
Hoe spoort de gemeente deze onverlaten eigenlijk op? Als ik een (plastic!) bloempotje in mijn vuilniszak stop, hoe weet men dan dat dat potje en die zak van mij waren?
Maar goed: ik had het over mijn eigen milieuprobleem, in mijn eigen flatje.
Nu al heb ik een zak voor glas, een zak voor papier, een zak voor restafval, een bakje voor chemisch afval, en een bak voor tuin- (lees: balkon-)afval.
Maar wat ik niet heb, is ruimte voor al die zakken en bakken. Daarvoor is het huis letterlijk te klein.
Dus staan er twee zakken op mijn diepvrieskast, een bak op balkon en een bak in de slaapkamer. En een restafvalzak in de keuken.
Daarin verdwijnt vooral plastic. Maar dat mag nu dus niet meer.
Wat blijft er zo nog over voor de restafvalzak? Aardappelschillen, etensresten en kauwgom, meer kan ik niet bedenken. Op die manier duurt het zeker vier maanden voordat die zak vol is. Ruim baan dus voor schimmel, maden en andere onsmakelijkheden.
Bovendien: waar moet ik mijn fel oranje plastic herozak laten? Op de eettafel? Op de driezitsbank? In mijn bed? Een held in mijn bed: oké. Maar geen zak, zeker niet als die gevuld is met knijpflessen, tandpastatubes en tandenborstelblisters.
Nee, ik heb hier echt geen ruimte voor. En ook geen zin in. Het mag goed zijn voor het milieu maar niet voor mijn milieu.
Dan maar geen held. Ik doe niet mee.
Is nooit gelukt. Maar nu ik de leeftijd van zestig angstwekkend dicht begin te naderen, krijg ik op de valreep alsnog een kans. Een uitnodiging zelfs. Van de gemeente Alphen aan den Rijn.
In mijn brievenbus ligt een zwart, wit en oranje gekleurde vuilniszak, begeleid door een glossy brochure. Natuurlijk weet de gemeente dat ik al héél oud ben. Daarom spreekt zij mij toe op een toon die zelfs een kind van zes kan begrijpen.
Ik mag vanaf nu een echte held worden, een heuse ‘plastic hero’.
Maar daar moet ik wel wat voor doen... Voortaan moet ik mijn afval nog meer gaan scheiden dan ik nu al doe.
Al mijn plastic afval moet in de bijgeleverde koningsgezinde zak. En die zak ‘mag’ ik deponeren in een speciale, net zo koningsgezinde afvalcontainer. Die wordt binnenkort geplaatst in een winkelcentrum op een kwartier lopen van mijn huis en zonder parkeer-plaatsen voor de deur.
Ik moet er dus wel iets voor over hebben om mijn plastic heldenzak daar te dumpen - áls dat al lukt, want in mijn hele wijk, met al zijn 15.000 inwoners, staat maar één zo’n kloeke oranje container.
Oók lastig: wat moet er zoal in deze designzak worden gestopt?
Gelukkig helpt de gemeente mij ook hiermee: ‘plastic tasjes’, meldt de brochure. En flacons van wasmiddelen. En plastic broodzakjes.
En vooral geen kartonnen verpakkingen. En (wat een tegenvaller) ook geen tuinstoelen. Tja, daar zou ik zelf niet opgekomen zijn…
Maar goed, zo kun je overal wel moeilijk over doen. Je moet er iets voor over hebben om held te worden. Dus: meedoen, want het is goed voor het milieu.
Toch vraag ik me wel eens af: voor wiens milieu? Nog vaker vraag ik me af: waar bemoeit dat milieu zich toch steeds weer mee?! Weet het wel wat het mij aandoet?
Ik woon in een tweekamerflat. Al jarenlang word ik van overheidswege aangespoord om mijn afval te scheiden. En dan is ‘aangespoord’ nog een eufemisme, sinds een gemeentesticker op de restafvalcontainer in mijn straat dreigend dat meldt iedereen die hier iets anders dumpt dan restafval, beboet wordt met minimaal 50 Euro.
Hoe spoort de gemeente deze onverlaten eigenlijk op? Als ik een (plastic!) bloempotje in mijn vuilniszak stop, hoe weet men dan dat dat potje en die zak van mij waren?
Maar goed: ik had het over mijn eigen milieuprobleem, in mijn eigen flatje.
Nu al heb ik een zak voor glas, een zak voor papier, een zak voor restafval, een bakje voor chemisch afval, en een bak voor tuin- (lees: balkon-)afval.
Maar wat ik niet heb, is ruimte voor al die zakken en bakken. Daarvoor is het huis letterlijk te klein.
Dus staan er twee zakken op mijn diepvrieskast, een bak op balkon en een bak in de slaapkamer. En een restafvalzak in de keuken.
Daarin verdwijnt vooral plastic. Maar dat mag nu dus niet meer.
Wat blijft er zo nog over voor de restafvalzak? Aardappelschillen, etensresten en kauwgom, meer kan ik niet bedenken. Op die manier duurt het zeker vier maanden voordat die zak vol is. Ruim baan dus voor schimmel, maden en andere onsmakelijkheden.
Bovendien: waar moet ik mijn fel oranje plastic herozak laten? Op de eettafel? Op de driezitsbank? In mijn bed? Een held in mijn bed: oké. Maar geen zak, zeker niet als die gevuld is met knijpflessen, tandpastatubes en tandenborstelblisters.
Nee, ik heb hier echt geen ruimte voor. En ook geen zin in. Het mag goed zijn voor het milieu maar niet voor mijn milieu.
Dan maar geen held. Ik doe niet mee.
columns, verhalen, essays, gedichten
Maatschappelijke vraagstukken
Lekke band
Groen en geel. Oh, wat ergerden we ons!
Elk jaar voordat we met het gezinnetje op vakantie vertrokken, controleerde mijn vader alle banden van zijn Kevertje. Mijn moeder, mijn broertje en ik zaten al in de auto, de bagageruimte lag volgestouwd, het huis was hermetisch afgesloten. De pret kon beginnen.
Mijn vader stapte als laatste in, haalde de autosleuteltjes tevoorschijn, en dan – altijd – bedacht hij zich. Elk jaar opnieuw stapte hij weer uit en begon met zijn sleuteltje omstandig alle ongerechtigheden uit de vier banden te pulken.
Als we dachten dat hij eindelijk klaar was, reed hij de auto een klein stukje naar voren, totdat de wielen een halve slag gedraaid waren, en dan begon het neurotische ritueel opnieuw.
“Hou toch op Pa, zo’n paar steentjes, dat kan toch geen kwaad?!”, riepen wij.
“Hou je mond! Er hoeft maar een spijker tussen te zitten, of een schroef, of een erg scherp steentje, en we krijgen een lekke band. En dat is levensgevaarlijk in de bergen.”
“De bergen…”, snoven we minachtend. Mijn broer en ik wilden al jaren naar de Alpen, maar we kwamen nooit verder dan de Ardennen of hooguit het Zwarte Woud.
“Er is nog nooit wat gebeurd, hou er toch mee op. Die banden kunnen wel ergens tegen. We willen weg!”
Maar mijn vader ging onverstoorbaar en consciëntieus verder met zijn karwei. Zijn verantwoordelijkheid als huisvader drukte zwaar op hem.
“Ik houd meer in mijn handen dan het stuur alleen”, zei hij altijd plechtig.
Zeker een kwartier later, als mijn broertje en ik al half gaar waren gestoofd op de hete achterbank, vertrokken we eindelijk richting Ardennen. Maar niet dan nadat mijn vader ons op veelbetekenende toon het astronomische aantal steentjes had meegedeeld dat hij uit de banden had gewipt. Aan zijn toon konden we horen dat hij ons zodoende had gered van een gewisse dood op de Belgische snelweg.
* * *
Het is nu bijna vijftig jaar later, mijn ouders zijn vorig jaar overleden, en ik heb in een nostalgische bui besloten dat ik terug wil naar het jaarlijkse vakantiedoel uit mijn jeugd.
Ik ga met een vriendin naar een mooi chalet in de Ardennen.
De dag voor vertrek pak ik de auto alvast vol, dan kunnen we morgenochtend direct vertrekken.
Ik weet niet waarom - ik doe het anders nooit -, maar vanuit een soort automatisme kijk ik naar mijn banden. Die zitten vol kiezelsteentjes, want ik woon vlakbij en bouwterrein. Voordat ik het weet, wip ik ze met mijn autosleuteltje uit de groeven van de banden. Onzin natuurlijk, maar toch…
Als ik de tel al ben kwijtgeraakt, tref ik een ongerechtigheid die maar niet wil loslaten. Ik moet al mijn kracht gebruiken om er beweging in te krijgen.
Pssssssssssst!, hoor ik opeens.
Geschrokken druk ik de schroef – want dat is het – weer terug in de band.
Geschrokken rijd ik naar de garage. Het is nog net geen sluitingstijd.
Geschrokken hoor ik de monteur vertellen dat er niet één maar twee schroeven in mijn band zitten. Vakkundig dicht hij de gaatjes: “Het is maar goed dat u uw banden heeft gecontroleerd, want u was gegarandeerd met een lekke band langs de weg komen te staan. En of het u gelukt zou zijn om die zelf te repareren…”
Hij heeft helemaal gelijk.
En hij niet alleen. Na een halve eeuw moet ik het toegeven, ook al is het postuum:
Er is nog iemand die gelijk heeft…
Elk jaar voordat we met het gezinnetje op vakantie vertrokken, controleerde mijn vader alle banden van zijn Kevertje. Mijn moeder, mijn broertje en ik zaten al in de auto, de bagageruimte lag volgestouwd, het huis was hermetisch afgesloten. De pret kon beginnen.
Mijn vader stapte als laatste in, haalde de autosleuteltjes tevoorschijn, en dan – altijd – bedacht hij zich. Elk jaar opnieuw stapte hij weer uit en begon met zijn sleuteltje omstandig alle ongerechtigheden uit de vier banden te pulken.
Als we dachten dat hij eindelijk klaar was, reed hij de auto een klein stukje naar voren, totdat de wielen een halve slag gedraaid waren, en dan begon het neurotische ritueel opnieuw.
“Hou toch op Pa, zo’n paar steentjes, dat kan toch geen kwaad?!”, riepen wij.
“Hou je mond! Er hoeft maar een spijker tussen te zitten, of een schroef, of een erg scherp steentje, en we krijgen een lekke band. En dat is levensgevaarlijk in de bergen.”
“De bergen…”, snoven we minachtend. Mijn broer en ik wilden al jaren naar de Alpen, maar we kwamen nooit verder dan de Ardennen of hooguit het Zwarte Woud.
“Er is nog nooit wat gebeurd, hou er toch mee op. Die banden kunnen wel ergens tegen. We willen weg!”
Maar mijn vader ging onverstoorbaar en consciëntieus verder met zijn karwei. Zijn verantwoordelijkheid als huisvader drukte zwaar op hem.
“Ik houd meer in mijn handen dan het stuur alleen”, zei hij altijd plechtig.
Zeker een kwartier later, als mijn broertje en ik al half gaar waren gestoofd op de hete achterbank, vertrokken we eindelijk richting Ardennen. Maar niet dan nadat mijn vader ons op veelbetekenende toon het astronomische aantal steentjes had meegedeeld dat hij uit de banden had gewipt. Aan zijn toon konden we horen dat hij ons zodoende had gered van een gewisse dood op de Belgische snelweg.
* * *
Het is nu bijna vijftig jaar later, mijn ouders zijn vorig jaar overleden, en ik heb in een nostalgische bui besloten dat ik terug wil naar het jaarlijkse vakantiedoel uit mijn jeugd.
Ik ga met een vriendin naar een mooi chalet in de Ardennen.
De dag voor vertrek pak ik de auto alvast vol, dan kunnen we morgenochtend direct vertrekken.
Ik weet niet waarom - ik doe het anders nooit -, maar vanuit een soort automatisme kijk ik naar mijn banden. Die zitten vol kiezelsteentjes, want ik woon vlakbij en bouwterrein. Voordat ik het weet, wip ik ze met mijn autosleuteltje uit de groeven van de banden. Onzin natuurlijk, maar toch…
Als ik de tel al ben kwijtgeraakt, tref ik een ongerechtigheid die maar niet wil loslaten. Ik moet al mijn kracht gebruiken om er beweging in te krijgen.
Pssssssssssst!, hoor ik opeens.
Geschrokken druk ik de schroef – want dat is het – weer terug in de band.
Geschrokken rijd ik naar de garage. Het is nog net geen sluitingstijd.
Geschrokken hoor ik de monteur vertellen dat er niet één maar twee schroeven in mijn band zitten. Vakkundig dicht hij de gaatjes: “Het is maar goed dat u uw banden heeft gecontroleerd, want u was gegarandeerd met een lekke band langs de weg komen te staan. En of het u gelukt zou zijn om die zelf te repareren…”
Hij heeft helemaal gelijk.
En hij niet alleen. Na een halve eeuw moet ik het toegeven, ook al is het postuum:
Er is nog iemand die gelijk heeft…
Grijs
Grijs. Ondanks de tropische zomerwarmte is hij geheel gekleed in grijs. Grijze pantalon, grijs colbert, grijze das.
Zelf is hij ook grijs: emotieloos, saai, niet te peilen.
Hij is dan ook notaris: objectief, degelijk, onkreukbaar.
Op vlakke toon leest hij de tekst voor van het testament dat hij voor me heeft opgesteld.
Mijn vragen en opmerkingen over geldbedragen en beladen familierelaties hoort hij aan zonder een spier te vertrekken.
Het maakt hem allemaal niets uit, hij doet zijn werk. Zonder oordeel en zonder gevoel.
Als hij klaar is met de tekst van het testament, pakt hij het codicil dat ik op zijn aanraden heb gemaakt. Daarin staan mijn wensen met betrekking tot een aantal ‘roerende goederen’ en ook mijn uitvaart.
Meester Linterink leest snel de tekst door, en zegt op gezette tijden:
“Juist“.
“Ja”.
“Duidelijk”.
Plotseling stokt zijn stem. Zijn blik blijft hangen op het einde van de pagina - daar waar ik heb beschreven welke muziek er bij mijn uitvaart moet worden gespeeld.
Meester Linterink schraapt zijn keel, en zegt: “Duidelijk ja.
Uh, mooie muziek trouwens, dat stuk uit ‘Ein deutsches Requiem’ van Brahms.”
“Oh, wat leuk! Kent u het?”, vraag ik.
Voor het eerst richt hij zijn blik op en kijkt hij me aan. Zijn grijze ogen glimmen opeens.
Hij slikt even: “Ik heb het zelfs gezongen”, zegt hij zacht.
Er verschijnt zowaar een glimlach om zijn mond.
“Zo, dat is heel wat”, zeg ik.
“Nou ja, niet de solo hoor.”
“Nee, dat begrijp ik, die is voor een sopraan en dat bent u volgens mij niet...”
Het gezicht van de grijze meester Linterink kleurt rood.
“Ik zong in het koor”, zegt hij blozend, “het is echt een prachtig stuk”…
Zijn ogen gaan nog meer glimmen.
Zo erg, dat hij ervan lijkt te schrikken. Dit past niet bij zijn ambt, ik zie het hem denken.
“Ahum’, zegt hij. Hij trekt zijn das recht, schraapt zijn keel, slaat zijn blik weer neer, en leest verder.
Zijn rode kleur verdwijnt net zo snel als hij verschenen is.
Meester Linterink is weer grijs, zoals hij dat zelf het liefste heeft.
Maar ík heb genoeg gezien, al was het maar voor een paar seconden.
Dankzij Brahms heb ik een glimp opgevangen van de mens achter de meester.
Zelf is hij ook grijs: emotieloos, saai, niet te peilen.
Hij is dan ook notaris: objectief, degelijk, onkreukbaar.
Op vlakke toon leest hij de tekst voor van het testament dat hij voor me heeft opgesteld.
Mijn vragen en opmerkingen over geldbedragen en beladen familierelaties hoort hij aan zonder een spier te vertrekken.
Het maakt hem allemaal niets uit, hij doet zijn werk. Zonder oordeel en zonder gevoel.
Als hij klaar is met de tekst van het testament, pakt hij het codicil dat ik op zijn aanraden heb gemaakt. Daarin staan mijn wensen met betrekking tot een aantal ‘roerende goederen’ en ook mijn uitvaart.
Meester Linterink leest snel de tekst door, en zegt op gezette tijden:
“Juist“.
“Ja”.
“Duidelijk”.
Plotseling stokt zijn stem. Zijn blik blijft hangen op het einde van de pagina - daar waar ik heb beschreven welke muziek er bij mijn uitvaart moet worden gespeeld.
Meester Linterink schraapt zijn keel, en zegt: “Duidelijk ja.
Uh, mooie muziek trouwens, dat stuk uit ‘Ein deutsches Requiem’ van Brahms.”
“Oh, wat leuk! Kent u het?”, vraag ik.
Voor het eerst richt hij zijn blik op en kijkt hij me aan. Zijn grijze ogen glimmen opeens.
Hij slikt even: “Ik heb het zelfs gezongen”, zegt hij zacht.
Er verschijnt zowaar een glimlach om zijn mond.
“Zo, dat is heel wat”, zeg ik.
“Nou ja, niet de solo hoor.”
“Nee, dat begrijp ik, die is voor een sopraan en dat bent u volgens mij niet...”
Het gezicht van de grijze meester Linterink kleurt rood.
“Ik zong in het koor”, zegt hij blozend, “het is echt een prachtig stuk”…
Zijn ogen gaan nog meer glimmen.
Zo erg, dat hij ervan lijkt te schrikken. Dit past niet bij zijn ambt, ik zie het hem denken.
“Ahum’, zegt hij. Hij trekt zijn das recht, schraapt zijn keel, slaat zijn blik weer neer, en leest verder.
Zijn rode kleur verdwijnt net zo snel als hij verschenen is.
Meester Linterink is weer grijs, zoals hij dat zelf het liefste heeft.
Maar ík heb genoeg gezien, al was het maar voor een paar seconden.
Dankzij Brahms heb ik een glimp opgevangen van de mens achter de meester.
Crisis
Het gaat er niet om wát je zegt, het gaat erom hoe je het zegt.
Goed overkomen, daar draait het om.
Hij is beroepspoliticus, hij weet dat als geen ander.
En dus fronst hij zijn wenkbrauwen totdat er een recordaantal rimpels in zijn voorhoofd zijn verschenen. Hij schraapt zijn keel, wendt zich af van de interviewer en kijkt met een ernstige blik in de camera:
“De bankiers hebben de grootste fouten gemaakt. Maar zij zijn niet degenen die het moeilijk hebben. Dat zijn de gewone mensen. Mensen die hard werken, die schoolgaande kinderen hebben, die nauwelijks de huur kunnen betalen. Zij zijn de echte slachtoffers”.
En zij zijn ook mijn kiezers, zie je hem denken. En van hen zijn er meer dan van bankiers. Vandaar.
Een dag later meldt het nieuws dat een voormalig lid van de Raad van Bestuur van ABN AMRO zichzelf een paar kogels door het hoofd heeft geschoten in een bos buiten Londen.
En meesterzwendelaar Bernard Madoff wordt veroordeeld tot levenslang.
Diezelfde dag loop ik een tankstation binnen. Vanachter zijn toonbank, lacht de BP-medewerker mij al toe. Een vrolijk type, dat is duidelijk. Hij ontbloot een rij hagelwitte tanden en roept met een schitterend Surinaams accent: ‘Goedemiddag mevrrroh! Oewat een mooi oeweer he?’
Zoals elk zichzelf respecterend tankstation, verkoopt men ook hier veel meer dan benzine: dvd’s, cd’s, broodjes, ijsjes - en bloemen.
Ik wil een mooi boeket kopen, maar de emmers waarin de duurste boeketten stonden, zijn allemaal leeg.
‘Hoe kan dat nou? Het is toch crisis?’, zeg ik tegen de man achter de kassa.
‘Crisis? Ach mevrouw, dat moet u toch niet geloven? Ze proberen ons gek te maken! Ik heb genoeg te eten en het is mooi weer. Ik ben een gelukkig mens.’
‘Spaart u zegeltjes? Nee? En freebees? Ook niet? Dan geef ik u een kraslot mee. We weet wint u wat.’
'Dat zou fijn zijn’, zeg ik.
‘Ja. Maar anders is het toch ook goed? Ik win ook nooit wat. Maar ik blijf lachen. Mij maken ze niet gek’.
Met een zwierig gebaar en een stralende glimlach overhandigt hij me mijn kassabon en een kraslot: ‘Fijne dag mevrrrroh!’
Als ik wegrijd en nog even achterom kijk, zwaait hij. Weer tovert hij die stralende lach tevoorschijn.
Op de autoradio spreekt opnieuw de Minister van Financiën. Maar ik luister niet meer.
Ik laat me niet gek maken.
Goed overkomen, daar draait het om.
Hij is beroepspoliticus, hij weet dat als geen ander.
En dus fronst hij zijn wenkbrauwen totdat er een recordaantal rimpels in zijn voorhoofd zijn verschenen. Hij schraapt zijn keel, wendt zich af van de interviewer en kijkt met een ernstige blik in de camera:
“De bankiers hebben de grootste fouten gemaakt. Maar zij zijn niet degenen die het moeilijk hebben. Dat zijn de gewone mensen. Mensen die hard werken, die schoolgaande kinderen hebben, die nauwelijks de huur kunnen betalen. Zij zijn de echte slachtoffers”.
En zij zijn ook mijn kiezers, zie je hem denken. En van hen zijn er meer dan van bankiers. Vandaar.
Een dag later meldt het nieuws dat een voormalig lid van de Raad van Bestuur van ABN AMRO zichzelf een paar kogels door het hoofd heeft geschoten in een bos buiten Londen.
En meesterzwendelaar Bernard Madoff wordt veroordeeld tot levenslang.
Diezelfde dag loop ik een tankstation binnen. Vanachter zijn toonbank, lacht de BP-medewerker mij al toe. Een vrolijk type, dat is duidelijk. Hij ontbloot een rij hagelwitte tanden en roept met een schitterend Surinaams accent: ‘Goedemiddag mevrrroh! Oewat een mooi oeweer he?’
Zoals elk zichzelf respecterend tankstation, verkoopt men ook hier veel meer dan benzine: dvd’s, cd’s, broodjes, ijsjes - en bloemen.
Ik wil een mooi boeket kopen, maar de emmers waarin de duurste boeketten stonden, zijn allemaal leeg.
‘Hoe kan dat nou? Het is toch crisis?’, zeg ik tegen de man achter de kassa.
‘Crisis? Ach mevrouw, dat moet u toch niet geloven? Ze proberen ons gek te maken! Ik heb genoeg te eten en het is mooi weer. Ik ben een gelukkig mens.’
‘Spaart u zegeltjes? Nee? En freebees? Ook niet? Dan geef ik u een kraslot mee. We weet wint u wat.’
'Dat zou fijn zijn’, zeg ik.
‘Ja. Maar anders is het toch ook goed? Ik win ook nooit wat. Maar ik blijf lachen. Mij maken ze niet gek’.
Met een zwierig gebaar en een stralende glimlach overhandigt hij me mijn kassabon en een kraslot: ‘Fijne dag mevrrrroh!’
Als ik wegrijd en nog even achterom kijk, zwaait hij. Weer tovert hij die stralende lach tevoorschijn.
Op de autoradio spreekt opnieuw de Minister van Financiën. Maar ik luister niet meer.
Ik laat me niet gek maken.
columns, verhalen, essays, gedichten
Maatschappelijke vraagstukken
Dambreuk
Elke dag is ze als eerste aan het ontbijt. En elke dag vertrekt ze daar als laatste. Mevrouw Havelaer-Meerdervoort haalt alles uit haar culturele reis van een week. In de bus zit ze vooraan, in de musea staat ze vooraan, en tijdens de maaltijden heeft ze het hoogste woord. Vooral aan het ontbijt.
Als wij allemaal nog wat slaperig plaatsnemen aan de ontbijttafel, zit zij al fris gewassen en perfect opgemaakt op haar stoel. Haren onberispelijk gekamd, lippen gestift, grote, krokodillenleren tas op schoot, en fonkelende ogen die alles en iedereen in de gaten houden. Niets ontgaat mevrouw Havelaer-Meerdervoort:
De jam die een andere was dan in het vorige hotel. Een gaatje in het tafellaken. Een mes met een vlekje erop: “Ober! Breng u even een nieuw mes? En goed oppoetsen graag!”.
Ondanks haar deftige voorkomen, dure kleren en fonkelende juwelen, ziet ze er op toe dat er niets wordt verspild. En ze let goed op de gezondheid van al haar medereizigers:
“Laat die roomboter nou staan, kind”, zegt ze elke dag weer tegen mij. “Het is ongezond, slecht voor de lijn, en Becel smaakt net zo goed.”
“Neemt u nu nog meer jam?”, vraagt ze aan de dame naast haar. “Het is toch niet nodig het er zo dik op te smeren, één zo’n cupje is toch ruim voldoende?”
Al gauw durven we nauwelijks nog beleg te nemen. We kauwen op boterhammen met flinterdunne plakjes 20-pluskaas, drinken zwarte koffie en thee zonder suiker, en vooral ontwijken we de strenge, allesziende blik van mevrouw Havelaer-Meerdervoort.
Normaliter kom ik altijd een kilo aan tijdens mijn vakanties, maar als ik dit keer aan het eind van de week in de bus stap, vallen mijn kleren ruimer dan een week geleden.
Op de terugweg zit mevrouw Havelaer-Meerdervoort, zoals altijd, parmantig voorin. Op de voorste bank, pal achter de chauffeur. Vertelt hem ongevraagd wat volgens haar de kortste route is. Ziet erop toe dat hij tijdig vaart mindert als we een afslag naderen. Wijst hem erop dat hij ruim afstand moet houden van de auto’s voor hem.
Lange tijd hoort de chauffeur haar zwijgend aan. Maar dan, als we de Nederlandse grens naderen, wordt het hem te veel. Een hele week heeft hij, net als wij, al het commentaar van mevrouw Havelaer-Meerdervoort aangehoord zonder te reageren – zoals het een professionele buschauffeur betaamt. Geen ruzie in de vakantie. En de klant is koning.
Maar deze klant heeft té veel praatjes, hij kan zich niet meer beheersen. Als mevrouw Havelaer-Meerdervoort zich voor de zoveelste keer voorover buigt (“Denk erom hoor: we mogen hier nog 120, maar na de grens nog maar 100”), heeft hij er genoeg van. “U heeft gelijk mevrouw”, zegt hij met luide stem, zodat iedereen in de bus het kan horen. Dan trapt hij hard op de rem, veel harder dan nodig.
Mevrouw Havelaer-Meerdervoort schiet naar voren, haar bril vliegt van haar neus, en haar krokodillenleren tas valt met een harde klap in het middenpad. Zo’n harde klap dat hij open valt.
Wat we dan te zien krijgen, is spectaculairder dan alle bezienswaardigheden van de voorgaande week. Een dambreuk.
Cupjes roomboter, pakjes hagelslag, theezakjes, suikerzakjes, cups met aardbeienjam, kersenjam en frambozenjam, rollen van voor naar achter door de bus. Ze stuiteren over het middenpad en rollen onder de banken. Met honderden tegelijk.
Mevrouw Havelaer-Meerdervoort heeft haar bril inmiddels gevonden, zet hem op haar neus en aanschouwt met paniek in haar ogen het strijdtoneel.
Want dat is het: al haar medereizigers duiken op de buit. We vangen de rollende cups op, we liggen plat op de grond om suikerzakjes onder de banken vandaan te halen, we gooien pakjes hagelslag terug naar voren:
“Vangen, mevrouw Havelaer-Meerdervoort!”
“Hier is nog wat boter, we willen niet dat u straks thuis te weinig te eten heeft!”
“Oehoe! Mevrouw Havelaer-Meerdervoort, hier is nog een jammetje! Komt ie!”
Opeens hebben we allemaal het hoogste woord.
Op een na.
Tijdens de rest van de rit zit mevrouw Havelaer-Meerdervoort ineengedoken voorin de bus. Haar armen stijf om haar tas geklemd, blik omlaag, bleek. En zwijgend. Eindelijk.
Als wij allemaal nog wat slaperig plaatsnemen aan de ontbijttafel, zit zij al fris gewassen en perfect opgemaakt op haar stoel. Haren onberispelijk gekamd, lippen gestift, grote, krokodillenleren tas op schoot, en fonkelende ogen die alles en iedereen in de gaten houden. Niets ontgaat mevrouw Havelaer-Meerdervoort:
De jam die een andere was dan in het vorige hotel. Een gaatje in het tafellaken. Een mes met een vlekje erop: “Ober! Breng u even een nieuw mes? En goed oppoetsen graag!”.
Ondanks haar deftige voorkomen, dure kleren en fonkelende juwelen, ziet ze er op toe dat er niets wordt verspild. En ze let goed op de gezondheid van al haar medereizigers:
“Laat die roomboter nou staan, kind”, zegt ze elke dag weer tegen mij. “Het is ongezond, slecht voor de lijn, en Becel smaakt net zo goed.”
“Neemt u nu nog meer jam?”, vraagt ze aan de dame naast haar. “Het is toch niet nodig het er zo dik op te smeren, één zo’n cupje is toch ruim voldoende?”
Al gauw durven we nauwelijks nog beleg te nemen. We kauwen op boterhammen met flinterdunne plakjes 20-pluskaas, drinken zwarte koffie en thee zonder suiker, en vooral ontwijken we de strenge, allesziende blik van mevrouw Havelaer-Meerdervoort.
Normaliter kom ik altijd een kilo aan tijdens mijn vakanties, maar als ik dit keer aan het eind van de week in de bus stap, vallen mijn kleren ruimer dan een week geleden.
Op de terugweg zit mevrouw Havelaer-Meerdervoort, zoals altijd, parmantig voorin. Op de voorste bank, pal achter de chauffeur. Vertelt hem ongevraagd wat volgens haar de kortste route is. Ziet erop toe dat hij tijdig vaart mindert als we een afslag naderen. Wijst hem erop dat hij ruim afstand moet houden van de auto’s voor hem.
Lange tijd hoort de chauffeur haar zwijgend aan. Maar dan, als we de Nederlandse grens naderen, wordt het hem te veel. Een hele week heeft hij, net als wij, al het commentaar van mevrouw Havelaer-Meerdervoort aangehoord zonder te reageren – zoals het een professionele buschauffeur betaamt. Geen ruzie in de vakantie. En de klant is koning.
Maar deze klant heeft té veel praatjes, hij kan zich niet meer beheersen. Als mevrouw Havelaer-Meerdervoort zich voor de zoveelste keer voorover buigt (“Denk erom hoor: we mogen hier nog 120, maar na de grens nog maar 100”), heeft hij er genoeg van. “U heeft gelijk mevrouw”, zegt hij met luide stem, zodat iedereen in de bus het kan horen. Dan trapt hij hard op de rem, veel harder dan nodig.
Mevrouw Havelaer-Meerdervoort schiet naar voren, haar bril vliegt van haar neus, en haar krokodillenleren tas valt met een harde klap in het middenpad. Zo’n harde klap dat hij open valt.
Wat we dan te zien krijgen, is spectaculairder dan alle bezienswaardigheden van de voorgaande week. Een dambreuk.
Cupjes roomboter, pakjes hagelslag, theezakjes, suikerzakjes, cups met aardbeienjam, kersenjam en frambozenjam, rollen van voor naar achter door de bus. Ze stuiteren over het middenpad en rollen onder de banken. Met honderden tegelijk.
Mevrouw Havelaer-Meerdervoort heeft haar bril inmiddels gevonden, zet hem op haar neus en aanschouwt met paniek in haar ogen het strijdtoneel.
Want dat is het: al haar medereizigers duiken op de buit. We vangen de rollende cups op, we liggen plat op de grond om suikerzakjes onder de banken vandaan te halen, we gooien pakjes hagelslag terug naar voren:
“Vangen, mevrouw Havelaer-Meerdervoort!”
“Hier is nog wat boter, we willen niet dat u straks thuis te weinig te eten heeft!”
“Oehoe! Mevrouw Havelaer-Meerdervoort, hier is nog een jammetje! Komt ie!”
Opeens hebben we allemaal het hoogste woord.
Op een na.
Tijdens de rest van de rit zit mevrouw Havelaer-Meerdervoort ineengedoken voorin de bus. Haar armen stijf om haar tas geklemd, blik omlaag, bleek. En zwijgend. Eindelijk.
zaterdag 16 mei 2009
Prinsesje
Klein meisje met je blauwe spijkerjackje, hoe gaat het nu met je?
Hoe oud ben je? Vijf? Zes misschien?
Je moeder had je meegenomen naar Apeldoorn. Samen naar de koningin kijken. En vooral naar de prinsessen. Zelf wil jij later ook prinses worden, vandaar.
Mama had thuis je haren gevlochten. In beide vlechten droeg je nu een mooi oranje lint, met een roodwitblauw randje. Prachtig gestrikt.
Terwijl mama jouw haren vlocht, reed een man rond in de bossen bij Apeldoorn, op zoek naar een gat in het cordon.
Toen hij dat een paar uur later had gevonden, gaf hij vol gas en reed in een rechte lijn op de bus af waar de koningin en de prinsessen in zaten.
Klein meisje, jij stond klaar om te zwaaien. Naar Beatrix, naar Willem-Alexander, maar vooral naar Maxima, want haar vind je de liefste en de mooiste van allemaal.
De Koninklijke bus draaide de hoek om. Daar was Maxima, je ogen begonnen te glinsteren.
Je maakte een klein vreugdesprongetje en deed je handje omhoog om te zwaaien.
Toen hoorde je een paar harde klappen. En geschreeuw. Een zwarte auto knalde tegen een stenen monument.
Het drong niet tot je door. Gelukkig maar. Jij keek naar Maxima. Dit was het moment waarop je al uren had gewacht. Al weken eigenlijk, je had er zelfs van gedroomd. Daar was ze dan, jouw favoriete prinses. Je begon te zwaaien.
Maar Maxima zwaaide niet terug. Ze zag je niet eens. Ze lachte niet eens. En dat was gek, want Maxima lacht altijd. Maar nu niet. Ze sloeg haar hand voor haar mond en keek met grote schrikogen naar de zwarte auto. En naar waar de zwarte auto vandaan kwam.
Jij stopte met zwaaien en volgde de blik van Maxima.
Klein meisje, klein prinsesje, wat je toen zag, dat zul je nooit vergeten.
Vlak bij je lagen mensen op de grond. Kermend, bloedend, roerloos.
Grote mensen, maar ook kinderen. Een paar meter bij je vandaan lag een donker meisje met een roze jurkje aan. Net zo oud als jij. Het bloed gutste uit haar mond.
Mensen gilden, huilden, kreunden.
De bus met Maxima erin reed snel weg en verdween uit beeld.
En jij kwam ín beeld. Op de televisie. Heel Nederland kon je zien.
Je sloeg je handje voor je mond, net zoals Maxima. Je begon te huilen. Je keek doodsbang in het rond. Op zoek naar mama, op zoek naar een arm om je heen, op zoek naar troost. Maar niemand zag je staan, je was helemaal alleen.
En je begreep het niet. Je begreep niet dat Nederland zojuist zijn laatste restje onschuld was kwijtgeraakt. En jij misschien ook wel.
Je was alleen maar heel erg geschrokken en heel erg alleen.
Die dode mensen hebben nauwelijks beseft wat er gebeurde.
De koningin is oud en wijs, die heeft al veel meegemaakt, ze komt er wel overheen.
En Maxima krijgt vast veel hulp als ze niet snel weer rustig wordt.
Maar jij, klein meisje? Wie helpt jou? Wie troost jou als je niet kunt slapen?
Zul je hier nog van dromen als je geen vijf meer bent maar vijftien? Of vijftig?
Wie legt jou uit wat er is gebeurd?
Wie legt jou uit waarom je veel te jong moest zien dat sprookjes niet bestaan?
Loes Gouweloos, 1 mei 2009
Hoe oud ben je? Vijf? Zes misschien?
Je moeder had je meegenomen naar Apeldoorn. Samen naar de koningin kijken. En vooral naar de prinsessen. Zelf wil jij later ook prinses worden, vandaar.
Mama had thuis je haren gevlochten. In beide vlechten droeg je nu een mooi oranje lint, met een roodwitblauw randje. Prachtig gestrikt.
Terwijl mama jouw haren vlocht, reed een man rond in de bossen bij Apeldoorn, op zoek naar een gat in het cordon.
Toen hij dat een paar uur later had gevonden, gaf hij vol gas en reed in een rechte lijn op de bus af waar de koningin en de prinsessen in zaten.
Klein meisje, jij stond klaar om te zwaaien. Naar Beatrix, naar Willem-Alexander, maar vooral naar Maxima, want haar vind je de liefste en de mooiste van allemaal.
De Koninklijke bus draaide de hoek om. Daar was Maxima, je ogen begonnen te glinsteren.
Je maakte een klein vreugdesprongetje en deed je handje omhoog om te zwaaien.
Toen hoorde je een paar harde klappen. En geschreeuw. Een zwarte auto knalde tegen een stenen monument.
Het drong niet tot je door. Gelukkig maar. Jij keek naar Maxima. Dit was het moment waarop je al uren had gewacht. Al weken eigenlijk, je had er zelfs van gedroomd. Daar was ze dan, jouw favoriete prinses. Je begon te zwaaien.
Maar Maxima zwaaide niet terug. Ze zag je niet eens. Ze lachte niet eens. En dat was gek, want Maxima lacht altijd. Maar nu niet. Ze sloeg haar hand voor haar mond en keek met grote schrikogen naar de zwarte auto. En naar waar de zwarte auto vandaan kwam.
Jij stopte met zwaaien en volgde de blik van Maxima.
Klein meisje, klein prinsesje, wat je toen zag, dat zul je nooit vergeten.
Vlak bij je lagen mensen op de grond. Kermend, bloedend, roerloos.
Grote mensen, maar ook kinderen. Een paar meter bij je vandaan lag een donker meisje met een roze jurkje aan. Net zo oud als jij. Het bloed gutste uit haar mond.
Mensen gilden, huilden, kreunden.
De bus met Maxima erin reed snel weg en verdween uit beeld.
En jij kwam ín beeld. Op de televisie. Heel Nederland kon je zien.
Je sloeg je handje voor je mond, net zoals Maxima. Je begon te huilen. Je keek doodsbang in het rond. Op zoek naar mama, op zoek naar een arm om je heen, op zoek naar troost. Maar niemand zag je staan, je was helemaal alleen.
En je begreep het niet. Je begreep niet dat Nederland zojuist zijn laatste restje onschuld was kwijtgeraakt. En jij misschien ook wel.
Je was alleen maar heel erg geschrokken en heel erg alleen.
Die dode mensen hebben nauwelijks beseft wat er gebeurde.
De koningin is oud en wijs, die heeft al veel meegemaakt, ze komt er wel overheen.
En Maxima krijgt vast veel hulp als ze niet snel weer rustig wordt.
Maar jij, klein meisje? Wie helpt jou? Wie troost jou als je niet kunt slapen?
Zul je hier nog van dromen als je geen vijf meer bent maar vijftien? Of vijftig?
Wie legt jou uit wat er is gebeurd?
Wie legt jou uit waarom je veel te jong moest zien dat sprookjes niet bestaan?
Loes Gouweloos, 1 mei 2009
columns, verhalen, essays, gedichten
Geloof en ongeloof
zondag 5 april 2009
Ver(r)assing
“Zo, hier zijn ze dan”. Met een plechtig gebaar zet meneer Van As van het crematorium twee grote plastic bussen op tafel. Zwart, met een lichtmetalen deksel.
In de deksels staan de namen van mijn ouders gegraveerd. Ik til de ene bus op, mijn broer de andere. Dan ruilen we. Ze wegen even zwaar, een kilo of vijf.
“Raar idee dat hier mijn vader in zit”, zeg ik, terwijl ik de bus tegen me aan klem.
“Tsja…”, zegt meneer Van As filosofisch.
“Ik zal u uw jas aanreiken”, vervolgt hij, “en als u me dan wilt volgen, dan gaan we de as bijzetten in de urnentuin.”
We gaan op weg. Mijn broer draagt de as van mijn vader, ik die van mijn moeder. Ik sla mijn armen om de asbus en druk mijn moeder stevig tegen me aan. Voor de allerlaatste keer.
Het is een aardig eindje lopen. En het weer is guur en koud, dus de heren zetten er flink de pas in. Ze hebben minder moeite dan ik met het gewicht dat ze moeten dragen.
Meneer Van As torst het zwaarste gewicht met zich mee: een lichtblauwe urn, een donkerblauwe urn, en er bungelt ook nog een plastic draagtas aan zijn linkerarm. Ook blauw, alsof hij hem speciaal heeft uitgezocht.
Wat zou daarin zitten?, vraag ik me af, terwijl we de strooiweide passeren.
Ik knijp mijn ogen samen om het opschrift te lezen. ‘Gall & Gall’, zie ik staan.
Ondanks mijn verdriet, ben ik aangenaam getroffen: dat is nou nog eens attent van het crematorium! Als straks de plechtigheid achter de rug is, worden we verrast met een lekkere fles wijn. Als troost.
Maar ook als dank voor de klandizie: uiteindelijk hebben we hier binnen een jaar twee ouders laten cremeren, twee dure urnen gekocht en twee plekjes in de urnentuin gehuurd. Daar mag inderdaad wel wat tegenover staan.
Als we zijn aangekomen in de urnentuin, zet meneer Van As de urnen voorzichtig op de grondplaten. De Gall & Gall-tas zet hij discreet een eindje verderop neer. Tactvol van hem, dit is niet het moment om vrolijk cadeautjes uit te delen.
Heel voorzichtig laat ik de asbus van mijn moeder in de lichtblauwe urn zakken. Tegelijkertijd deponeert mijn broer mijn vaders as in de donkerblauwe urn.
Dan komt het moeilijkste moment: de deksels moeten op de urnen. De definitieve afsluiting, letterlijk en figuurlijk. In een paar seconden trekt alles aan me voorbij: ziekenhuis, onheilstijdingen, paniek, operaties, twee sterfbedden, twee crematies.
Ik pak het lichtblauwe deksel en loop naar mijn moeders urn. Ik vecht tegen mijn tranen en houd mijn adem in. Met trillende handen laat ik het deksel zakken.
“Ho ho, wacht even!” hoor ik opeens achter me.Verbouwereerd kijk ik achterom. Het is meneer Van As. Hij staat voorover gebogen over zijn plastic draagtas. Hij pakt er iets uit en komt snel op ons aflopen.
In zijn hand houdt hij een lijmpistool, zo groot als een literfles.
‘Bisonbouwkit’, staat erop. En daaronder: ‘hoogwaardige universele polyurethaanlijm met vullende werking’.Behendig spuit meneer Van As vier grote dotten lijm op het deksel.
“Zo, nu mag u het erop doen. En goed aandrukken hoor, dan kan het er nooit meer af!”
Beduusd volg ik zijn orders op. Trillen doe ik niet meer en mijn tranen zijn verdwenen.
Mijn broer plakt het deksel van mijn vaders urn vast.
Als we ons omdraaien, zien we dat meneer Van As zijn lijmpistool alweer heeft opgeborgen.
Hij steekt zijn hand uit: “Zo, dat is klaar. Ik laat u nu maar alleen. Als u nog vragen heeft, bel dan maar op en vraag naar Marco van As, dan komt alles dik in orde.”
Haastig schudt hij ons de hand, haastig pakt hij zijn Gall & Gall-tas op, en haastig verdwijnt hij uit zicht. Snel terug naar zijn warme kantoor.
Beduusd kijken we elkaar aan, beduusd kijken we naar de twee muurvast gesloten urnen, omgeven door een kale vlakte van zand en modder.
Daar staan onze vader en moeder. Dit is alles wat er van hen over is.
We zouden best wat troost kunnen gebruiken. Een lekker glaasje wijn bijvoorbeeld.
Loes Gouweloos, maart 2009
In de deksels staan de namen van mijn ouders gegraveerd. Ik til de ene bus op, mijn broer de andere. Dan ruilen we. Ze wegen even zwaar, een kilo of vijf.
“Raar idee dat hier mijn vader in zit”, zeg ik, terwijl ik de bus tegen me aan klem.
“Tsja…”, zegt meneer Van As filosofisch.
“Ik zal u uw jas aanreiken”, vervolgt hij, “en als u me dan wilt volgen, dan gaan we de as bijzetten in de urnentuin.”
We gaan op weg. Mijn broer draagt de as van mijn vader, ik die van mijn moeder. Ik sla mijn armen om de asbus en druk mijn moeder stevig tegen me aan. Voor de allerlaatste keer.
Het is een aardig eindje lopen. En het weer is guur en koud, dus de heren zetten er flink de pas in. Ze hebben minder moeite dan ik met het gewicht dat ze moeten dragen.
Meneer Van As torst het zwaarste gewicht met zich mee: een lichtblauwe urn, een donkerblauwe urn, en er bungelt ook nog een plastic draagtas aan zijn linkerarm. Ook blauw, alsof hij hem speciaal heeft uitgezocht.
Wat zou daarin zitten?, vraag ik me af, terwijl we de strooiweide passeren.
Ik knijp mijn ogen samen om het opschrift te lezen. ‘Gall & Gall’, zie ik staan.
Ondanks mijn verdriet, ben ik aangenaam getroffen: dat is nou nog eens attent van het crematorium! Als straks de plechtigheid achter de rug is, worden we verrast met een lekkere fles wijn. Als troost.
Maar ook als dank voor de klandizie: uiteindelijk hebben we hier binnen een jaar twee ouders laten cremeren, twee dure urnen gekocht en twee plekjes in de urnentuin gehuurd. Daar mag inderdaad wel wat tegenover staan.
Als we zijn aangekomen in de urnentuin, zet meneer Van As de urnen voorzichtig op de grondplaten. De Gall & Gall-tas zet hij discreet een eindje verderop neer. Tactvol van hem, dit is niet het moment om vrolijk cadeautjes uit te delen.
Heel voorzichtig laat ik de asbus van mijn moeder in de lichtblauwe urn zakken. Tegelijkertijd deponeert mijn broer mijn vaders as in de donkerblauwe urn.
Dan komt het moeilijkste moment: de deksels moeten op de urnen. De definitieve afsluiting, letterlijk en figuurlijk. In een paar seconden trekt alles aan me voorbij: ziekenhuis, onheilstijdingen, paniek, operaties, twee sterfbedden, twee crematies.
Ik pak het lichtblauwe deksel en loop naar mijn moeders urn. Ik vecht tegen mijn tranen en houd mijn adem in. Met trillende handen laat ik het deksel zakken.
“Ho ho, wacht even!” hoor ik opeens achter me.Verbouwereerd kijk ik achterom. Het is meneer Van As. Hij staat voorover gebogen over zijn plastic draagtas. Hij pakt er iets uit en komt snel op ons aflopen.
In zijn hand houdt hij een lijmpistool, zo groot als een literfles.
‘Bisonbouwkit’, staat erop. En daaronder: ‘hoogwaardige universele polyurethaanlijm met vullende werking’.Behendig spuit meneer Van As vier grote dotten lijm op het deksel.
“Zo, nu mag u het erop doen. En goed aandrukken hoor, dan kan het er nooit meer af!”
Beduusd volg ik zijn orders op. Trillen doe ik niet meer en mijn tranen zijn verdwenen.
Mijn broer plakt het deksel van mijn vaders urn vast.
Als we ons omdraaien, zien we dat meneer Van As zijn lijmpistool alweer heeft opgeborgen.
Hij steekt zijn hand uit: “Zo, dat is klaar. Ik laat u nu maar alleen. Als u nog vragen heeft, bel dan maar op en vraag naar Marco van As, dan komt alles dik in orde.”
Haastig schudt hij ons de hand, haastig pakt hij zijn Gall & Gall-tas op, en haastig verdwijnt hij uit zicht. Snel terug naar zijn warme kantoor.
Beduusd kijken we elkaar aan, beduusd kijken we naar de twee muurvast gesloten urnen, omgeven door een kale vlakte van zand en modder.
Daar staan onze vader en moeder. Dit is alles wat er van hen over is.
We zouden best wat troost kunnen gebruiken. Een lekker glaasje wijn bijvoorbeeld.
Loes Gouweloos, maart 2009
columns, verhalen, essays, gedichten
Klein leed,
Prive
dinsdag 3 maart 2009
High
Ik sta op de maan. Waar ik ook kijk, witgrijze hellingen. Hier groeit niets. Hier woont geen mens.
Dit is The Burren: een heuvellandschap van kalksteen, in het meest westelijke, meest verlaten deel van Ierland. Het is niet warm, maar wel heel helder. Stralende zon, strakblauwe lucht, en een daglicht zo fel als je dat alleen maar aan de Oceaankust aantreft. Mijn ogen doen er pijn van.
Vanaf een landweggetje kijk ik uit over de onafzienbare, kale hellingen. De weinige koeien hier zijn angstaanjagend mager, hun ribben steken bijna door hun ingevallen huid heen.
Dan gebeurt het. Vanaf de oceaan komt één wolk aandrijven. Zijn schaduw schuift langzaam over dit verlaten maanlandschap. Vanaf de kust reist hij statig landinwaarts, als een zwarte vlek over de witte heuvels.
Een magisch moment. Zelfs de vogels zwijgen, ik hoor de stilte.
Dit overstijgt mijn bevattingsvermogen. Ik ril. Niet van de kou, maar van - ja, wat is het precies? Een soort oergevoel, een besef van 'er is veel meer'. Het komt door die totale stilte en door het aanschouwen van die diepblauwe lucht met daaronder een mystiek, adembenemend schouwspel. Ik heb het gevoel dat ik contact heb met iets hogers. Ik ben high.Een paar jaar later beklim ik met een groep reisgenoten een berg in Wales. Halverwege dwingt mijn slechte conditie mij om de tocht omhoog te staken. Ik laat de anderen verder zwoegen en zijg neer op een rotsblok. Nog nahijgend van de inspanning, kijk ik om me heen. Ik ben toch al hoger gekomen dan ik had gedacht. Wat een uitzicht...En het gebeurt voor de tweede keer. Achter me zie ik mijn reisgenoten als steeds kleiner wordende stipjes in de verte verdwijnen. Ze naderen de top, ze zullen het wel halen.Maar toch ben ik blij dat ik ben afgehaakt. Als hier klimt, kom je ongetwijfeld hoog. Maar als je hier kijkt, wordt je high.Voor me, aan de voet van de berg, raast de woeste branding van de blauwgroene Ierse Zee. Daarboven weer zo'n strakblauwe lucht. En als ik mijn handen neerleg, rusten ze op een reusachtig, bruin rotsblok. Waarschijnlijk ligt dat hier al eeuwen lang, misschien wel al duizenden jaren.Dat rotsblok, dat uitzicht, de zoute geur van de zee, het machtige geraas van de branding, dat gevoel van absolute nietigheid - het wordt me weer te veel. Weer die rillingen, weer dat zweverige.Na deze twee ervaringen weet ik zeker dat ik dit gevoel alleen maar kan krijgen in de meest verlaten streken van Ierland, Wales, Schotland. Het hoort bij de sfeer daar. Bij de totale verlatenheid. Bij de rauwe, uitgestrekte vlakten, de harde wind, de woeste zee. Bij de volslagen stilte. En bij het besef dat hier alles nog vrijwel hetzelfde is als duizenden jaren geleden, toen de Kelten er nog woonden.Maar dan is het weer een paar jaar later. Ik ben op weg naar de Zwarte Haan, het meest afgelegen puntje van Friesland, daar waar de weg langs de Waddenzee doodloopt.Het is bloedheet, ik snak naar een flink harde wind, dus ik klim snel de dijk op.Het is hoogseizoen. Maar bovenop de dijk laat ik de vakantiedrukte ver achter me.Moederziel alleen sta ik aan de rand van het einde van de wereld.Voor me strekt zich de Waddenzee uit, glinsterend in de zon. Een blauwzwarte spiegel, zover het oog reikt. Daarboven een heldere lucht, zonder wolken, zonder vogels. In de verte de vage contouren van Ameland en Terschelling, als twee grijze strepen aan de horizon.Het is windstil en doodstil. De lucht boven de dampende modderbanken lijkt te trillen.Ik weet wat er gaat gebeuren. Dit gevoel is zo langzamerhand als een oude vriend, die niet vaak maar wel trouw om de paar jaar op bezoek komt.Ik sluit mijn ogen en begroet hem: 'high'.Loes Gouweloos
High
Ik sta op de maan. Waar ik ook kijk, witgrijze hellingen. Hier groeit niets. Hier woont geen mens.
Dit is The Burren: een heuvellandschap van kalksteen, in het meest westelijke, meest verlaten deel van Ierland. Het is niet warm, maar wel heel helder. Stralende zon, strakblauwe lucht, en een daglicht zo fel als je dat alleen maar aan de Oceaankust aantreft. Mijn ogen doen er pijn van.
Vanaf een landweggetje kijk ik uit over de onafzienbare, kale hellingen. De weinige koeien hier zijn angstaanjagend mager, hun ribben steken bijna door hun ingevallen huid heen.
Dan gebeurt het. Vanaf de oceaan komt één wolk aandrijven. Zijn schaduw schuift langzaam over dit verlaten maanlandschap. Vanaf de kust reist hij statig landinwaarts, als een zwarte vlek over de witte heuvels.
Een magisch moment. Zelfs de vogels zwijgen, ik hoor de stilte.
Dit overstijgt mijn bevattingsvermogen. Ik ril. Niet van de kou, maar van - ja, wat is het precies? Een soort oergevoel, een besef van 'er is veel meer'. Het komt door die totale stilte en door het aanschouwen van die diepblauwe lucht met daaronder een mystiek, adembenemend schouwspel. Ik heb het gevoel dat ik contact heb met iets hogers. Ik ben high.
Een paar jaar later beklim ik met een groep reisgenoten een berg in Wales. Halverwege dwingt mijn slechte conditie mij om de tocht omhoog te staken. Ik laat de anderen verder zwoegen en zijg neer op een rotsblok. Nog nahijgend van de inspanning, kijk ik om me heen. Ik ben toch al hoger gekomen dan ik had gedacht. Wat een uitzicht...
En het gebeurt voor de tweede keer. Achter me zie ik mijn reisgenoten als steeds kleiner wordende stipjes in de verte verdwijnen. Ze naderen de top, ze zullen het wel halen.
Maar toch ben ik blij dat ik ben afgehaakt. Als je hier klimt, kom je ongetwijfeld hoog. Maar als je hier kijkt, word je high.
Voor me, aan de voet van de berg, raast de woeste branding van de blauwgroene Ierse Zee. Daarboven weer zo'n strakblauwe lucht. En als ik mijn handen neerleg, rusten ze op een reusachtig, bruin rotsblok. Waarschijnlijk ligt dat hier al eeuwen lang, misschien wel al duizenden jaren.
Dat rotsblok, dat uitzicht, de zoute geur van de zee, het machtige geraas van de branding, dat gevoel van absolute nietigheid - het wordt me weer te veel. Weer die rillingen, weer dat zweverige.
Na deze twee ervaringen weet ik zeker dat ik dit gevoel alleen maar kan krijgen in de meest verlaten streken van Ierland, Wales, Schotland. Het hoort bij de sfeer daar. Bij de totale verlatenheid. Bij de rauwe, uitgestrekte vlakten, de harde wind, de woeste zee. Bij de volslagen stilte. En bij het besef dat hier alles nog vrijwel hetzelfde is als duizenden jaren geleden, toen de Kelten er nog woonden.
Maar dan is het weer een paar jaar later. Ik ben op weg naar de Zwarte Haan, het meest afgelegen puntje van Friesland, daar waar de weg langs de Waddenzee doodloopt.
Het is bloedheet, ik snak naar een flink harde wind, dus ik klim snel de dijk op.
Het is hoogseizoen. Maar bovenop de dijk laat ik de vakantiedrukte ver achter me.
Moederziel alleen sta ik aan de rand van het einde van de wereld.
Voor me strekt zich de Waddenzee uit, glinsterend in de zon. Een blauwzwarte spiegel, zover het oog reikt. Daarboven een heldere lucht, zonder wolken, zonder vogels. In de verte de vage contouren van Ameland en Terschelling, als twee grijze strepen aan de horizon.
Het is windstil en doodstil. De lucht boven de dampende modderbanken lijkt te trillen.
Ik weet wat er gaat gebeuren. Dit gevoel is zo langzamerhand als een oude vriend, die niet vaak maar wel trouw om de paar jaar op bezoek komt.
Ik sluit mijn ogen en begroet hem: 'high'.
Loes Gouweloos
Dit is The Burren: een heuvellandschap van kalksteen, in het meest westelijke, meest verlaten deel van Ierland. Het is niet warm, maar wel heel helder. Stralende zon, strakblauwe lucht, en een daglicht zo fel als je dat alleen maar aan de Oceaankust aantreft. Mijn ogen doen er pijn van.
Vanaf een landweggetje kijk ik uit over de onafzienbare, kale hellingen. De weinige koeien hier zijn angstaanjagend mager, hun ribben steken bijna door hun ingevallen huid heen.
Dan gebeurt het. Vanaf de oceaan komt één wolk aandrijven. Zijn schaduw schuift langzaam over dit verlaten maanlandschap. Vanaf de kust reist hij statig landinwaarts, als een zwarte vlek over de witte heuvels.
Een magisch moment. Zelfs de vogels zwijgen, ik hoor de stilte.
Dit overstijgt mijn bevattingsvermogen. Ik ril. Niet van de kou, maar van - ja, wat is het precies? Een soort oergevoel, een besef van 'er is veel meer'. Het komt door die totale stilte en door het aanschouwen van die diepblauwe lucht met daaronder een mystiek, adembenemend schouwspel. Ik heb het gevoel dat ik contact heb met iets hogers. Ik ben high.
Een paar jaar later beklim ik met een groep reisgenoten een berg in Wales. Halverwege dwingt mijn slechte conditie mij om de tocht omhoog te staken. Ik laat de anderen verder zwoegen en zijg neer op een rotsblok. Nog nahijgend van de inspanning, kijk ik om me heen. Ik ben toch al hoger gekomen dan ik had gedacht. Wat een uitzicht...
En het gebeurt voor de tweede keer. Achter me zie ik mijn reisgenoten als steeds kleiner wordende stipjes in de verte verdwijnen. Ze naderen de top, ze zullen het wel halen.
Maar toch ben ik blij dat ik ben afgehaakt. Als je hier klimt, kom je ongetwijfeld hoog. Maar als je hier kijkt, word je high.
Voor me, aan de voet van de berg, raast de woeste branding van de blauwgroene Ierse Zee. Daarboven weer zo'n strakblauwe lucht. En als ik mijn handen neerleg, rusten ze op een reusachtig, bruin rotsblok. Waarschijnlijk ligt dat hier al eeuwen lang, misschien wel al duizenden jaren.
Dat rotsblok, dat uitzicht, de zoute geur van de zee, het machtige geraas van de branding, dat gevoel van absolute nietigheid - het wordt me weer te veel. Weer die rillingen, weer dat zweverige.
Na deze twee ervaringen weet ik zeker dat ik dit gevoel alleen maar kan krijgen in de meest verlaten streken van Ierland, Wales, Schotland. Het hoort bij de sfeer daar. Bij de totale verlatenheid. Bij de rauwe, uitgestrekte vlakten, de harde wind, de woeste zee. Bij de volslagen stilte. En bij het besef dat hier alles nog vrijwel hetzelfde is als duizenden jaren geleden, toen de Kelten er nog woonden.
Maar dan is het weer een paar jaar later. Ik ben op weg naar de Zwarte Haan, het meest afgelegen puntje van Friesland, daar waar de weg langs de Waddenzee doodloopt.
Het is bloedheet, ik snak naar een flink harde wind, dus ik klim snel de dijk op.
Het is hoogseizoen. Maar bovenop de dijk laat ik de vakantiedrukte ver achter me.
Moederziel alleen sta ik aan de rand van het einde van de wereld.
Voor me strekt zich de Waddenzee uit, glinsterend in de zon. Een blauwzwarte spiegel, zover het oog reikt. Daarboven een heldere lucht, zonder wolken, zonder vogels. In de verte de vage contouren van Ameland en Terschelling, als twee grijze strepen aan de horizon.
Het is windstil en doodstil. De lucht boven de dampende modderbanken lijkt te trillen.
Ik weet wat er gaat gebeuren. Dit gevoel is zo langzamerhand als een oude vriend, die niet vaak maar wel trouw om de paar jaar op bezoek komt.
Ik sluit mijn ogen en begroet hem: 'high'.
Loes Gouweloos
columns, verhalen, essays, gedichten
Geloof en ongeloof
vrijdag 6 februari 2009
Door de bank genomen
Door de bank genomen
“Ik laat me niet in mijn nek kijken!”.
Een van de vele kenmerkende uitspraken van mijn vader. Hij werd woedend als hij het gevoel had dat hij werd opgelicht, als hij bijvoorbeeld in de ene winkel meer moest betalen voor hetzelfde artikel dan in de andere.Daarom ging hij tot op zijn 87ste jaar halsstarrig naar twee supermarkten voor de wekelijkse boodschappen. Want bij de ene was het brood goedkoper en bij de andere was de melk goedkoper. Met zijn laatste levenskracht slofte hij voetje voor voetje door de Edah, om daar uiteindelijk bij de kassa triomfantelijk drie cent minder te betalen voor een pak vanillevla dan bij Albert Heijn. Hijgend van uitputting kwam hij thuis, te moe om zelf nog zijn jas te kunnen uittrekken. Maar terwijl mijn moeder hem hielp met die jas, toonde hij haar de kassabon, met ogen die glinsterden van trots: hij had de goedkoopste vanillevla gekocht, hij had zich niet laten flessen door Albert Heijn, hij had zich niet in zijn nek laten kijken. Het ging hem niet om het geld, want daarvan had hij genoeg. Het was een kwestie van trots, van principes. Die waren mijn vader meer waard dan geld.Dankzij die compromisloosheid, zijn intelligentie en zijn doorzettingsvermogen had mijn vader het in de loop van zijn leven geschopt van loopjongen tot bankdirecteur. Met het daarbij behorende, riante salaris.Zijn spaarzaamheid en sobere levensstijl zorgden er vervolgens voor dat hij een aardig vermogentje opbouwde. Op het eind van hun leven konden mijn moeder en hij bijna leven van de rente.Vorig jaar zijn mijn ouders allebei overleden. Dus kan ik nu opeens een erfenis tegemoet zien, een bedrag waarvan ik in mijn stoutste dromen niet had durven dromen. Het staat op mijn vaders spaarrekening bij ABN-AMRO. Ik moet alleen nog even een paar formulieren ondertekenen, en dan kan ik het geld overschrijven naar mijn eigen spaarrekening. Dan word ik van arme WAO’er opeens een vermogende dame.Ik stap het chique ABN-AMROfiliaal binnen en meld me bij de baliemedewerker. Krijt-streeppak, hagelwit overhemd, zijden das. Met een hooghartige blik bekijkt hij mij, mijn vale spijkerbroek en mijn rode uitverkoopjack. Hij zegt niets, niet eens “goedemiddag”.“Goedemiddag”, zeg ík dus maar, “ik kom een paar formulieren tekenen in verband met een erfenis.” Zwijgend tikt de Krijtstreep het rekeningnummer van mijn vader in. Op de automatische piloot, zoals hij dagelijks honderden rekeningnummers intikt. Zijn blik dwaalt af, zijn gedachten dwalen af.Maar dan. Dan verschijnt op de monitor, die zorgvuldig zo is opgesteld dat alleen hij het scherm kan lezen, het saldo van mijn vaders rekening. Ik zie het niet, maar ik zie wel dat de Krijtstreep krijtwit wordt. Zonder een woord te zeggen, rent hij achter zijn balie vandaan en spurt hij de gang in.De lange rij wachtenden achter mij kijkt verbouwereerd toe.Na een paar minuten komt de Krijtstreep weer tevoorschijn. Hij stelt zich weer op achter zijn balie. Nu kan hij opeens wél praten. Hij schraapt zijn keel en zegt:“Mevrouw Gouweloos, mijn collega de accountmanager zal u zo direct ontvangen in haar spreekkamer. Heeft u alstublieft nog een minuutje geduld? Zal ik uw jas aannemen? En mag ik u alvast een kopje koffie aanbieden?” Snel daarna loodst hij me het kantoor van de accountmanager binnen: een jongedame met een marineblauw mantelpakje en een zijden sjaaltje. Op beide mouwen en op het sjaaltje staat met strakke letters: ‘ABN-AMRO’.
Met een net zo strak mondje vraagt ze: “Heeft u zelf ook een rekening bij de ABN-AMRO?”“Nee”, zeg ik, “ik heb ergens anders een spaarrekening. En ik ga mijn erfenis daar zo snel mogelijk naar overschrijven, want daar krijg ik veel meer rente dan bij u.”Het ABN-AMROmondje wordt nog strakker. In haar stem klinken schrik en woede tegelijk:“Nou, nou, nou, mevrouw Gouweloos… De rente die uw vader kreeg, is natuurlijk wel erg laag. Daar is echt wel meer van te maken hoor, ook bij onze bank!” Wat? Wat?! Als dat echt zo is, waarom hebben jullie dat dan nooit aan mijn oude vader verteld? Waarom nu pas, nu jullie bang zijn dat ik zijn geld bij jullie weg zal halen?”Als mijn vader dit zou weten, zou hij zich omdraaien in zijn urn. Als hij al kilometers verderop ging winkelen om drie cent te verdienen op een pak vanillevla, want zou hij dan wel niet denken als hij wist dat hij jarenlang honderden Euro’s rente had misgelopen?Ik zet snel de benodigde handtekeningen, laat de koffie onaangeroerd staan, trek mijn jack aan, en loop met grote passen de bank uit.Zodra mijn handtekening is opgenomen in ‘de systemen’ van ABN-AMRO, ga ik al het geld van mijn vader op een rekening zetten waar de rente veel hoger is. Liefst vandaag nog. Ze hebben erom gevraagd. Mijn vader kan niets meer doen, dus doe ik het nu vóór hem. Onze wraak zal zoet zijn.Het geld kan me niets schelen. Maar ik heb niet alleen mijn vaders geld geërfd, ook zijn trots en zijn principes. En dat zullen ze weten, die oplichters van ABN-AMRO. Ik laat me niet in mijn nek kijken!
Loes Gouweloos
“Ik laat me niet in mijn nek kijken!”.
Een van de vele kenmerkende uitspraken van mijn vader. Hij werd woedend als hij het gevoel had dat hij werd opgelicht, als hij bijvoorbeeld in de ene winkel meer moest betalen voor hetzelfde artikel dan in de andere.Daarom ging hij tot op zijn 87ste jaar halsstarrig naar twee supermarkten voor de wekelijkse boodschappen. Want bij de ene was het brood goedkoper en bij de andere was de melk goedkoper. Met zijn laatste levenskracht slofte hij voetje voor voetje door de Edah, om daar uiteindelijk bij de kassa triomfantelijk drie cent minder te betalen voor een pak vanillevla dan bij Albert Heijn. Hijgend van uitputting kwam hij thuis, te moe om zelf nog zijn jas te kunnen uittrekken. Maar terwijl mijn moeder hem hielp met die jas, toonde hij haar de kassabon, met ogen die glinsterden van trots: hij had de goedkoopste vanillevla gekocht, hij had zich niet laten flessen door Albert Heijn, hij had zich niet in zijn nek laten kijken. Het ging hem niet om het geld, want daarvan had hij genoeg. Het was een kwestie van trots, van principes. Die waren mijn vader meer waard dan geld.Dankzij die compromisloosheid, zijn intelligentie en zijn doorzettingsvermogen had mijn vader het in de loop van zijn leven geschopt van loopjongen tot bankdirecteur. Met het daarbij behorende, riante salaris.Zijn spaarzaamheid en sobere levensstijl zorgden er vervolgens voor dat hij een aardig vermogentje opbouwde. Op het eind van hun leven konden mijn moeder en hij bijna leven van de rente.Vorig jaar zijn mijn ouders allebei overleden. Dus kan ik nu opeens een erfenis tegemoet zien, een bedrag waarvan ik in mijn stoutste dromen niet had durven dromen. Het staat op mijn vaders spaarrekening bij ABN-AMRO. Ik moet alleen nog even een paar formulieren ondertekenen, en dan kan ik het geld overschrijven naar mijn eigen spaarrekening. Dan word ik van arme WAO’er opeens een vermogende dame.Ik stap het chique ABN-AMROfiliaal binnen en meld me bij de baliemedewerker. Krijt-streeppak, hagelwit overhemd, zijden das. Met een hooghartige blik bekijkt hij mij, mijn vale spijkerbroek en mijn rode uitverkoopjack. Hij zegt niets, niet eens “goedemiddag”.“Goedemiddag”, zeg ík dus maar, “ik kom een paar formulieren tekenen in verband met een erfenis.” Zwijgend tikt de Krijtstreep het rekeningnummer van mijn vader in. Op de automatische piloot, zoals hij dagelijks honderden rekeningnummers intikt. Zijn blik dwaalt af, zijn gedachten dwalen af.Maar dan. Dan verschijnt op de monitor, die zorgvuldig zo is opgesteld dat alleen hij het scherm kan lezen, het saldo van mijn vaders rekening. Ik zie het niet, maar ik zie wel dat de Krijtstreep krijtwit wordt. Zonder een woord te zeggen, rent hij achter zijn balie vandaan en spurt hij de gang in.De lange rij wachtenden achter mij kijkt verbouwereerd toe.Na een paar minuten komt de Krijtstreep weer tevoorschijn. Hij stelt zich weer op achter zijn balie. Nu kan hij opeens wél praten. Hij schraapt zijn keel en zegt:“Mevrouw Gouweloos, mijn collega de accountmanager zal u zo direct ontvangen in haar spreekkamer. Heeft u alstublieft nog een minuutje geduld? Zal ik uw jas aannemen? En mag ik u alvast een kopje koffie aanbieden?” Snel daarna loodst hij me het kantoor van de accountmanager binnen: een jongedame met een marineblauw mantelpakje en een zijden sjaaltje. Op beide mouwen en op het sjaaltje staat met strakke letters: ‘ABN-AMRO’.
Met een net zo strak mondje vraagt ze: “Heeft u zelf ook een rekening bij de ABN-AMRO?”“Nee”, zeg ik, “ik heb ergens anders een spaarrekening. En ik ga mijn erfenis daar zo snel mogelijk naar overschrijven, want daar krijg ik veel meer rente dan bij u.”Het ABN-AMROmondje wordt nog strakker. In haar stem klinken schrik en woede tegelijk:“Nou, nou, nou, mevrouw Gouweloos… De rente die uw vader kreeg, is natuurlijk wel erg laag. Daar is echt wel meer van te maken hoor, ook bij onze bank!” Wat? Wat?! Als dat echt zo is, waarom hebben jullie dat dan nooit aan mijn oude vader verteld? Waarom nu pas, nu jullie bang zijn dat ik zijn geld bij jullie weg zal halen?”Als mijn vader dit zou weten, zou hij zich omdraaien in zijn urn. Als hij al kilometers verderop ging winkelen om drie cent te verdienen op een pak vanillevla, want zou hij dan wel niet denken als hij wist dat hij jarenlang honderden Euro’s rente had misgelopen?Ik zet snel de benodigde handtekeningen, laat de koffie onaangeroerd staan, trek mijn jack aan, en loop met grote passen de bank uit.Zodra mijn handtekening is opgenomen in ‘de systemen’ van ABN-AMRO, ga ik al het geld van mijn vader op een rekening zetten waar de rente veel hoger is. Liefst vandaag nog. Ze hebben erom gevraagd. Mijn vader kan niets meer doen, dus doe ik het nu vóór hem. Onze wraak zal zoet zijn.Het geld kan me niets schelen. Maar ik heb niet alleen mijn vaders geld geërfd, ook zijn trots en zijn principes. En dat zullen ze weten, die oplichters van ABN-AMRO. Ik laat me niet in mijn nek kijken!
Loes Gouweloos
Abonneren op:
Posts (Atom)