Wie is de leukste? Wie is de beste? Is het John of is het Paul?
Een zwaarwegende kwestie voor een meisje van 15. Mijn voorkeur verandert wekelijks.
Het is Paul. Vanwege zijn melodieuze, romantische liedjes die je al na twee keer horen kunt meezingen. En natuurlijk vanwege zijn prachtige reebruine ogen, en zijn charmante en vrolijke optreden.
Nee, het is toch John. Vanwege de diepgang in zijn originele liedjes, zijn filosofische uitspraken, zijn compromisloze gedrag.
Als de Beatles in 1970 uit elkaar gaan, ben ik er nog steeds niet uit.
Zowel John als Paul gaan solo verder. John schrijft een lied waarin hij meedogenloos afrekent met zijn verleden: ‘I don’t believe in Beatles, the dream is over’.
En Paul bezingt, zoals altijd, de liefde in harmonieuze nieuwe songs.
Maar geen van beiden maken ze nog muziek die het geniale niveau haalt van toen ze nog samen liedjes schreven. Ze hadden elkaar nodig om tot grote hoogte te stijgen, ze vulden elkaar perfect aan.
Als John in 1980 wordt vermoord ben ik ontroostbaar.
Noodgedwongen word ik een nog grotere fan van Paul dan ik al was. Hij maakt plaat na plaat. Soms goed, soms slecht. Maar hij is er nog en hij blijft productief.
Dan is het 2009. Paul komt naar Nederland. Hij is 67, ik ben bijna 60.
Nog nooit heb ik een Beatle live gezien. Dit is waarschijnlijk mijn laatste kans.
Ik reis af naar Arnhem en wacht op een hard plastic Gelredomestoeltje totdat ik eindelijk mijn held in levende lijve kan zien en horen.
Om 8 uur is het zover. In de verte zie ik een vrolijk zwaaiende man het immense podium betreden. Met in zijn hand de Hofner-basgitaar waarmee hij bijna vijftig jaar geleden beroemd is geworden.
Gelukkig hangen er naast het podium gigantische videoschermen waarop hij voortdurend close-up te zien is. Hij ziet er nog zeer appetijtelijk uit voor een zestiger - nog steeds de vlotte charmeur uit de jaren ’60.
In zijn kielzog volgen vier bandleden die de rest van de avond zo getrouw mogelijk de sound van de overige Beatles zullen proberen te benaderen.
‘One, two, three, four!’, roept Paul.
Een oorverdovend lawaai barst los uit de speakers. Instinctief sla ik mijn handen voor mijn oren.
Maar het helpt niet. De lage dreun van Pauls Hofnerbas trilt door in mijn hele lijf.
Het volume is zo enorm dat de stemmen en de gitaren een grote dikke geluidsbrei vormen. Ze zijn niet van elkaar te onderscheiden.
Een stuk of tien ooit zo prachtige Beatlenummers worden de zaal ingeslingerd.
Mijn oren piepen en mijn rug gaat steeds meer pijn doen.
Paul doet zijn jasje uit, veegt het zweet van zijn gezicht, en zucht diep.
Te oud, te oud, gaat het door mij heen. We zijn allebei te oud. En te lang doorgegaan.
Dit zou John nooit hebben gedaan. Die was zijn eigen grootste criticus.
Maar Paul wil het publiek behagen, nog steeds. Ook al is dat met bijna alleen maar oude liedjes. Hij speelt dezelfde nummers als op een dvd van een concert uit 2002. En hij maakt dezelfde gebaartjes. En dezelfde ‘spontane’ grapjes.
Ooit zo creatief, ooit zo’n groot componist. Nu alleen nog een vakbekwame entertainer die teert op oude roem en routine.
Om mij heen wordt het publiek steeds enthousiaster. Men brult mee met ‘Hey Jude’, ‘Yesterday’ en het allerhardst met ‘Give Peace a Chance’. Een nummer van John Lennon.
‘This is a song for my friend John’, zegt Paul.
Helemaal alleen op het immense podium, zingt hij zachtjes een liefdeslied voor de man met wie hij altijd een haat-liefdeverhouding had.
De 30.000 fans zijn muisstil, je kunt een speld horen vallen.
‘I really loved you, and I am holding back the tears more’, zingt Paul.
En dan breek ik, toch nog.
Tranen, ook bij mij. Niet vanwege Paul, maar vanwege John.
Na meer dan veertig jaar ben ik er eindelijk uit.
Maar het verhaal is ook uit. Het is mooi geweest. Letterlijk en figuurlijk.
Dit was mijn laatste popconcert. The dream is over.
vrijdag 18 december 2009
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten