zondag 5 april 2009

Ver(r)assing

“Zo, hier zijn ze dan”. Met een plechtig gebaar zet meneer Van As van het crematorium twee grote plastic bussen op tafel. Zwart, met een lichtmetalen deksel.
In de deksels staan de namen van mijn ouders gegraveerd. Ik til de ene bus op, mijn broer de andere. Dan ruilen we. Ze wegen even zwaar, een kilo of vijf.
“Raar idee dat hier mijn vader in zit”, zeg ik, terwijl ik de bus tegen me aan klem.
“Tsja…”, zegt meneer Van As filosofisch.
“Ik zal u uw jas aanreiken”, vervolgt hij, “en als u me dan wilt volgen, dan gaan we de as bijzetten in de urnentuin.”

We gaan op weg. Mijn broer draagt de as van mijn vader, ik die van mijn moeder. Ik sla mijn armen om de asbus en druk mijn moeder stevig tegen me aan. Voor de allerlaatste keer.
Het is een aardig eindje lopen. En het weer is guur en koud, dus de heren zetten er flink de pas in. Ze hebben minder moeite dan ik met het gewicht dat ze moeten dragen.
Meneer Van As torst het zwaarste gewicht met zich mee: een lichtblauwe urn, een donkerblauwe urn, en er bungelt ook nog een plastic draagtas aan zijn linkerarm. Ook blauw, alsof hij hem speciaal heeft uitgezocht.
Wat zou daarin zitten?, vraag ik me af, terwijl we de strooiweide passeren.
Ik knijp mijn ogen samen om het opschrift te lezen. ‘Gall & Gall’, zie ik staan.
Ondanks mijn verdriet, ben ik aangenaam getroffen: dat is nou nog eens attent van het crematorium! Als straks de plechtigheid achter de rug is, worden we verrast met een lekkere fles wijn. Als troost.
Maar ook als dank voor de klandizie: uiteindelijk hebben we hier binnen een jaar twee ouders laten cremeren, twee dure urnen gekocht en twee plekjes in de urnentuin gehuurd. Daar mag inderdaad wel wat tegenover staan.

Als we zijn aangekomen in de urnentuin, zet meneer Van As de urnen voorzichtig op de grondplaten. De Gall & Gall-tas zet hij discreet een eindje verderop neer. Tactvol van hem, dit is niet het moment om vrolijk cadeautjes uit te delen.
Heel voorzichtig laat ik de asbus van mijn moeder in de lichtblauwe urn zakken. Tegelijkertijd deponeert mijn broer mijn vaders as in de donkerblauwe urn.
Dan komt het moeilijkste moment: de deksels moeten op de urnen. De definitieve afsluiting, letterlijk en figuurlijk. In een paar seconden trekt alles aan me voorbij: ziekenhuis, onheilstijdingen, paniek, operaties, twee sterfbedden, twee crematies.
Ik pak het lichtblauwe deksel en loop naar mijn moeders urn. Ik vecht tegen mijn tranen en houd mijn adem in. Met trillende handen laat ik het deksel zakken.

“Ho ho, wacht even!” hoor ik opeens achter me.Verbouwereerd kijk ik achterom. Het is meneer Van As. Hij staat voorover gebogen over zijn plastic draagtas. Hij pakt er iets uit en komt snel op ons aflopen.
In zijn hand houdt hij een lijmpistool, zo groot als een literfles.
‘Bisonbouwkit’, staat erop. En daaronder: ‘hoogwaardige universele polyurethaanlijm met vullende werking’.Behendig spuit meneer Van As vier grote dotten lijm op het deksel.
“Zo, nu mag u het erop doen. En goed aandrukken hoor, dan kan het er nooit meer af!”
Beduusd volg ik zijn orders op. Trillen doe ik niet meer en mijn tranen zijn verdwenen.
Mijn broer plakt het deksel van mijn vaders urn vast.
Als we ons omdraaien, zien we dat meneer Van As zijn lijmpistool alweer heeft opgeborgen.
Hij steekt zijn hand uit: “Zo, dat is klaar. Ik laat u nu maar alleen. Als u nog vragen heeft, bel dan maar op en vraag naar Marco van As, dan komt alles dik in orde.”
Haastig schudt hij ons de hand, haastig pakt hij zijn Gall & Gall-tas op, en haastig verdwijnt hij uit zicht. Snel terug naar zijn warme kantoor.

Beduusd kijken we elkaar aan, beduusd kijken we naar de twee muurvast gesloten urnen, omgeven door een kale vlakte van zand en modder.
Daar staan onze vader en moeder. Dit is alles wat er van hen over is.
We zouden best wat troost kunnen gebruiken. Een lekker glaasje wijn bijvoorbeeld.


Loes Gouweloos, maart 2009