Wie is de leukste? Wie is de beste? Is het John of is het Paul?
Een zwaarwegende kwestie voor een meisje van 15. Mijn voorkeur verandert wekelijks.
Het is Paul. Vanwege zijn melodieuze, romantische liedjes die je al na twee keer horen kunt meezingen. En natuurlijk vanwege zijn prachtige reebruine ogen, en zijn charmante en vrolijke optreden.
Nee, het is toch John. Vanwege de diepgang in zijn originele liedjes, zijn filosofische uitspraken, zijn compromisloze gedrag.
Als de Beatles in 1970 uit elkaar gaan, ben ik er nog steeds niet uit.
Zowel John als Paul gaan solo verder. John schrijft een lied waarin hij meedogenloos afrekent met zijn verleden: ‘I don’t believe in Beatles, the dream is over’.
En Paul bezingt, zoals altijd, de liefde in harmonieuze nieuwe songs.
Maar geen van beiden maken ze nog muziek die het geniale niveau haalt van toen ze nog samen liedjes schreven. Ze hadden elkaar nodig om tot grote hoogte te stijgen, ze vulden elkaar perfect aan.
Als John in 1980 wordt vermoord ben ik ontroostbaar.
Noodgedwongen word ik een nog grotere fan van Paul dan ik al was. Hij maakt plaat na plaat. Soms goed, soms slecht. Maar hij is er nog en hij blijft productief.
Dan is het 2009. Paul komt naar Nederland. Hij is 67, ik ben bijna 60.
Nog nooit heb ik een Beatle live gezien. Dit is waarschijnlijk mijn laatste kans.
Ik reis af naar Arnhem en wacht op een hard plastic Gelredomestoeltje totdat ik eindelijk mijn held in levende lijve kan zien en horen.
Om 8 uur is het zover. In de verte zie ik een vrolijk zwaaiende man het immense podium betreden. Met in zijn hand de Hofner-basgitaar waarmee hij bijna vijftig jaar geleden beroemd is geworden.
Gelukkig hangen er naast het podium gigantische videoschermen waarop hij voortdurend close-up te zien is. Hij ziet er nog zeer appetijtelijk uit voor een zestiger - nog steeds de vlotte charmeur uit de jaren ’60.
In zijn kielzog volgen vier bandleden die de rest van de avond zo getrouw mogelijk de sound van de overige Beatles zullen proberen te benaderen.
‘One, two, three, four!’, roept Paul.
Een oorverdovend lawaai barst los uit de speakers. Instinctief sla ik mijn handen voor mijn oren.
Maar het helpt niet. De lage dreun van Pauls Hofnerbas trilt door in mijn hele lijf.
Het volume is zo enorm dat de stemmen en de gitaren een grote dikke geluidsbrei vormen. Ze zijn niet van elkaar te onderscheiden.
Een stuk of tien ooit zo prachtige Beatlenummers worden de zaal ingeslingerd.
Mijn oren piepen en mijn rug gaat steeds meer pijn doen.
Paul doet zijn jasje uit, veegt het zweet van zijn gezicht, en zucht diep.
Te oud, te oud, gaat het door mij heen. We zijn allebei te oud. En te lang doorgegaan.
Dit zou John nooit hebben gedaan. Die was zijn eigen grootste criticus.
Maar Paul wil het publiek behagen, nog steeds. Ook al is dat met bijna alleen maar oude liedjes. Hij speelt dezelfde nummers als op een dvd van een concert uit 2002. En hij maakt dezelfde gebaartjes. En dezelfde ‘spontane’ grapjes.
Ooit zo creatief, ooit zo’n groot componist. Nu alleen nog een vakbekwame entertainer die teert op oude roem en routine.
Om mij heen wordt het publiek steeds enthousiaster. Men brult mee met ‘Hey Jude’, ‘Yesterday’ en het allerhardst met ‘Give Peace a Chance’. Een nummer van John Lennon.
‘This is a song for my friend John’, zegt Paul.
Helemaal alleen op het immense podium, zingt hij zachtjes een liefdeslied voor de man met wie hij altijd een haat-liefdeverhouding had.
De 30.000 fans zijn muisstil, je kunt een speld horen vallen.
‘I really loved you, and I am holding back the tears more’, zingt Paul.
En dan breek ik, toch nog.
Tranen, ook bij mij. Niet vanwege Paul, maar vanwege John.
Na meer dan veertig jaar ben ik er eindelijk uit.
Maar het verhaal is ook uit. Het is mooi geweest. Letterlijk en figuurlijk.
Dit was mijn laatste popconcert. The dream is over.
vrijdag 18 december 2009
Plastic Heroes
Als kind al droomde ik ervan: held worden.
Is nooit gelukt. Maar nu ik de leeftijd van zestig angstwekkend dicht begin te naderen, krijg ik op de valreep alsnog een kans. Een uitnodiging zelfs. Van de gemeente Alphen aan den Rijn.
In mijn brievenbus ligt een zwart, wit en oranje gekleurde vuilniszak, begeleid door een glossy brochure. Natuurlijk weet de gemeente dat ik al héél oud ben. Daarom spreekt zij mij toe op een toon die zelfs een kind van zes kan begrijpen.
Ik mag vanaf nu een echte held worden, een heuse ‘plastic hero’.
Maar daar moet ik wel wat voor doen... Voortaan moet ik mijn afval nog meer gaan scheiden dan ik nu al doe.
Al mijn plastic afval moet in de bijgeleverde koningsgezinde zak. En die zak ‘mag’ ik deponeren in een speciale, net zo koningsgezinde afvalcontainer. Die wordt binnenkort geplaatst in een winkelcentrum op een kwartier lopen van mijn huis en zonder parkeer-plaatsen voor de deur.
Ik moet er dus wel iets voor over hebben om mijn plastic heldenzak daar te dumpen - áls dat al lukt, want in mijn hele wijk, met al zijn 15.000 inwoners, staat maar één zo’n kloeke oranje container.
Oók lastig: wat moet er zoal in deze designzak worden gestopt?
Gelukkig helpt de gemeente mij ook hiermee: ‘plastic tasjes’, meldt de brochure. En flacons van wasmiddelen. En plastic broodzakjes.
En vooral geen kartonnen verpakkingen. En (wat een tegenvaller) ook geen tuinstoelen. Tja, daar zou ik zelf niet opgekomen zijn…
Maar goed, zo kun je overal wel moeilijk over doen. Je moet er iets voor over hebben om held te worden. Dus: meedoen, want het is goed voor het milieu.
Toch vraag ik me wel eens af: voor wiens milieu? Nog vaker vraag ik me af: waar bemoeit dat milieu zich toch steeds weer mee?! Weet het wel wat het mij aandoet?
Ik woon in een tweekamerflat. Al jarenlang word ik van overheidswege aangespoord om mijn afval te scheiden. En dan is ‘aangespoord’ nog een eufemisme, sinds een gemeentesticker op de restafvalcontainer in mijn straat dreigend dat meldt iedereen die hier iets anders dumpt dan restafval, beboet wordt met minimaal 50 Euro.
Hoe spoort de gemeente deze onverlaten eigenlijk op? Als ik een (plastic!) bloempotje in mijn vuilniszak stop, hoe weet men dan dat dat potje en die zak van mij waren?
Maar goed: ik had het over mijn eigen milieuprobleem, in mijn eigen flatje.
Nu al heb ik een zak voor glas, een zak voor papier, een zak voor restafval, een bakje voor chemisch afval, en een bak voor tuin- (lees: balkon-)afval.
Maar wat ik niet heb, is ruimte voor al die zakken en bakken. Daarvoor is het huis letterlijk te klein.
Dus staan er twee zakken op mijn diepvrieskast, een bak op balkon en een bak in de slaapkamer. En een restafvalzak in de keuken.
Daarin verdwijnt vooral plastic. Maar dat mag nu dus niet meer.
Wat blijft er zo nog over voor de restafvalzak? Aardappelschillen, etensresten en kauwgom, meer kan ik niet bedenken. Op die manier duurt het zeker vier maanden voordat die zak vol is. Ruim baan dus voor schimmel, maden en andere onsmakelijkheden.
Bovendien: waar moet ik mijn fel oranje plastic herozak laten? Op de eettafel? Op de driezitsbank? In mijn bed? Een held in mijn bed: oké. Maar geen zak, zeker niet als die gevuld is met knijpflessen, tandpastatubes en tandenborstelblisters.
Nee, ik heb hier echt geen ruimte voor. En ook geen zin in. Het mag goed zijn voor het milieu maar niet voor mijn milieu.
Dan maar geen held. Ik doe niet mee.
Is nooit gelukt. Maar nu ik de leeftijd van zestig angstwekkend dicht begin te naderen, krijg ik op de valreep alsnog een kans. Een uitnodiging zelfs. Van de gemeente Alphen aan den Rijn.
In mijn brievenbus ligt een zwart, wit en oranje gekleurde vuilniszak, begeleid door een glossy brochure. Natuurlijk weet de gemeente dat ik al héél oud ben. Daarom spreekt zij mij toe op een toon die zelfs een kind van zes kan begrijpen.
Ik mag vanaf nu een echte held worden, een heuse ‘plastic hero’.
Maar daar moet ik wel wat voor doen... Voortaan moet ik mijn afval nog meer gaan scheiden dan ik nu al doe.
Al mijn plastic afval moet in de bijgeleverde koningsgezinde zak. En die zak ‘mag’ ik deponeren in een speciale, net zo koningsgezinde afvalcontainer. Die wordt binnenkort geplaatst in een winkelcentrum op een kwartier lopen van mijn huis en zonder parkeer-plaatsen voor de deur.
Ik moet er dus wel iets voor over hebben om mijn plastic heldenzak daar te dumpen - áls dat al lukt, want in mijn hele wijk, met al zijn 15.000 inwoners, staat maar één zo’n kloeke oranje container.
Oók lastig: wat moet er zoal in deze designzak worden gestopt?
Gelukkig helpt de gemeente mij ook hiermee: ‘plastic tasjes’, meldt de brochure. En flacons van wasmiddelen. En plastic broodzakjes.
En vooral geen kartonnen verpakkingen. En (wat een tegenvaller) ook geen tuinstoelen. Tja, daar zou ik zelf niet opgekomen zijn…
Maar goed, zo kun je overal wel moeilijk over doen. Je moet er iets voor over hebben om held te worden. Dus: meedoen, want het is goed voor het milieu.
Toch vraag ik me wel eens af: voor wiens milieu? Nog vaker vraag ik me af: waar bemoeit dat milieu zich toch steeds weer mee?! Weet het wel wat het mij aandoet?
Ik woon in een tweekamerflat. Al jarenlang word ik van overheidswege aangespoord om mijn afval te scheiden. En dan is ‘aangespoord’ nog een eufemisme, sinds een gemeentesticker op de restafvalcontainer in mijn straat dreigend dat meldt iedereen die hier iets anders dumpt dan restafval, beboet wordt met minimaal 50 Euro.
Hoe spoort de gemeente deze onverlaten eigenlijk op? Als ik een (plastic!) bloempotje in mijn vuilniszak stop, hoe weet men dan dat dat potje en die zak van mij waren?
Maar goed: ik had het over mijn eigen milieuprobleem, in mijn eigen flatje.
Nu al heb ik een zak voor glas, een zak voor papier, een zak voor restafval, een bakje voor chemisch afval, en een bak voor tuin- (lees: balkon-)afval.
Maar wat ik niet heb, is ruimte voor al die zakken en bakken. Daarvoor is het huis letterlijk te klein.
Dus staan er twee zakken op mijn diepvrieskast, een bak op balkon en een bak in de slaapkamer. En een restafvalzak in de keuken.
Daarin verdwijnt vooral plastic. Maar dat mag nu dus niet meer.
Wat blijft er zo nog over voor de restafvalzak? Aardappelschillen, etensresten en kauwgom, meer kan ik niet bedenken. Op die manier duurt het zeker vier maanden voordat die zak vol is. Ruim baan dus voor schimmel, maden en andere onsmakelijkheden.
Bovendien: waar moet ik mijn fel oranje plastic herozak laten? Op de eettafel? Op de driezitsbank? In mijn bed? Een held in mijn bed: oké. Maar geen zak, zeker niet als die gevuld is met knijpflessen, tandpastatubes en tandenborstelblisters.
Nee, ik heb hier echt geen ruimte voor. En ook geen zin in. Het mag goed zijn voor het milieu maar niet voor mijn milieu.
Dan maar geen held. Ik doe niet mee.
columns, verhalen, essays, gedichten
Maatschappelijke vraagstukken
Lekke band
Groen en geel. Oh, wat ergerden we ons!
Elk jaar voordat we met het gezinnetje op vakantie vertrokken, controleerde mijn vader alle banden van zijn Kevertje. Mijn moeder, mijn broertje en ik zaten al in de auto, de bagageruimte lag volgestouwd, het huis was hermetisch afgesloten. De pret kon beginnen.
Mijn vader stapte als laatste in, haalde de autosleuteltjes tevoorschijn, en dan – altijd – bedacht hij zich. Elk jaar opnieuw stapte hij weer uit en begon met zijn sleuteltje omstandig alle ongerechtigheden uit de vier banden te pulken.
Als we dachten dat hij eindelijk klaar was, reed hij de auto een klein stukje naar voren, totdat de wielen een halve slag gedraaid waren, en dan begon het neurotische ritueel opnieuw.
“Hou toch op Pa, zo’n paar steentjes, dat kan toch geen kwaad?!”, riepen wij.
“Hou je mond! Er hoeft maar een spijker tussen te zitten, of een schroef, of een erg scherp steentje, en we krijgen een lekke band. En dat is levensgevaarlijk in de bergen.”
“De bergen…”, snoven we minachtend. Mijn broer en ik wilden al jaren naar de Alpen, maar we kwamen nooit verder dan de Ardennen of hooguit het Zwarte Woud.
“Er is nog nooit wat gebeurd, hou er toch mee op. Die banden kunnen wel ergens tegen. We willen weg!”
Maar mijn vader ging onverstoorbaar en consciëntieus verder met zijn karwei. Zijn verantwoordelijkheid als huisvader drukte zwaar op hem.
“Ik houd meer in mijn handen dan het stuur alleen”, zei hij altijd plechtig.
Zeker een kwartier later, als mijn broertje en ik al half gaar waren gestoofd op de hete achterbank, vertrokken we eindelijk richting Ardennen. Maar niet dan nadat mijn vader ons op veelbetekenende toon het astronomische aantal steentjes had meegedeeld dat hij uit de banden had gewipt. Aan zijn toon konden we horen dat hij ons zodoende had gered van een gewisse dood op de Belgische snelweg.
* * *
Het is nu bijna vijftig jaar later, mijn ouders zijn vorig jaar overleden, en ik heb in een nostalgische bui besloten dat ik terug wil naar het jaarlijkse vakantiedoel uit mijn jeugd.
Ik ga met een vriendin naar een mooi chalet in de Ardennen.
De dag voor vertrek pak ik de auto alvast vol, dan kunnen we morgenochtend direct vertrekken.
Ik weet niet waarom - ik doe het anders nooit -, maar vanuit een soort automatisme kijk ik naar mijn banden. Die zitten vol kiezelsteentjes, want ik woon vlakbij en bouwterrein. Voordat ik het weet, wip ik ze met mijn autosleuteltje uit de groeven van de banden. Onzin natuurlijk, maar toch…
Als ik de tel al ben kwijtgeraakt, tref ik een ongerechtigheid die maar niet wil loslaten. Ik moet al mijn kracht gebruiken om er beweging in te krijgen.
Pssssssssssst!, hoor ik opeens.
Geschrokken druk ik de schroef – want dat is het – weer terug in de band.
Geschrokken rijd ik naar de garage. Het is nog net geen sluitingstijd.
Geschrokken hoor ik de monteur vertellen dat er niet één maar twee schroeven in mijn band zitten. Vakkundig dicht hij de gaatjes: “Het is maar goed dat u uw banden heeft gecontroleerd, want u was gegarandeerd met een lekke band langs de weg komen te staan. En of het u gelukt zou zijn om die zelf te repareren…”
Hij heeft helemaal gelijk.
En hij niet alleen. Na een halve eeuw moet ik het toegeven, ook al is het postuum:
Er is nog iemand die gelijk heeft…
Elk jaar voordat we met het gezinnetje op vakantie vertrokken, controleerde mijn vader alle banden van zijn Kevertje. Mijn moeder, mijn broertje en ik zaten al in de auto, de bagageruimte lag volgestouwd, het huis was hermetisch afgesloten. De pret kon beginnen.
Mijn vader stapte als laatste in, haalde de autosleuteltjes tevoorschijn, en dan – altijd – bedacht hij zich. Elk jaar opnieuw stapte hij weer uit en begon met zijn sleuteltje omstandig alle ongerechtigheden uit de vier banden te pulken.
Als we dachten dat hij eindelijk klaar was, reed hij de auto een klein stukje naar voren, totdat de wielen een halve slag gedraaid waren, en dan begon het neurotische ritueel opnieuw.
“Hou toch op Pa, zo’n paar steentjes, dat kan toch geen kwaad?!”, riepen wij.
“Hou je mond! Er hoeft maar een spijker tussen te zitten, of een schroef, of een erg scherp steentje, en we krijgen een lekke band. En dat is levensgevaarlijk in de bergen.”
“De bergen…”, snoven we minachtend. Mijn broer en ik wilden al jaren naar de Alpen, maar we kwamen nooit verder dan de Ardennen of hooguit het Zwarte Woud.
“Er is nog nooit wat gebeurd, hou er toch mee op. Die banden kunnen wel ergens tegen. We willen weg!”
Maar mijn vader ging onverstoorbaar en consciëntieus verder met zijn karwei. Zijn verantwoordelijkheid als huisvader drukte zwaar op hem.
“Ik houd meer in mijn handen dan het stuur alleen”, zei hij altijd plechtig.
Zeker een kwartier later, als mijn broertje en ik al half gaar waren gestoofd op de hete achterbank, vertrokken we eindelijk richting Ardennen. Maar niet dan nadat mijn vader ons op veelbetekenende toon het astronomische aantal steentjes had meegedeeld dat hij uit de banden had gewipt. Aan zijn toon konden we horen dat hij ons zodoende had gered van een gewisse dood op de Belgische snelweg.
* * *
Het is nu bijna vijftig jaar later, mijn ouders zijn vorig jaar overleden, en ik heb in een nostalgische bui besloten dat ik terug wil naar het jaarlijkse vakantiedoel uit mijn jeugd.
Ik ga met een vriendin naar een mooi chalet in de Ardennen.
De dag voor vertrek pak ik de auto alvast vol, dan kunnen we morgenochtend direct vertrekken.
Ik weet niet waarom - ik doe het anders nooit -, maar vanuit een soort automatisme kijk ik naar mijn banden. Die zitten vol kiezelsteentjes, want ik woon vlakbij en bouwterrein. Voordat ik het weet, wip ik ze met mijn autosleuteltje uit de groeven van de banden. Onzin natuurlijk, maar toch…
Als ik de tel al ben kwijtgeraakt, tref ik een ongerechtigheid die maar niet wil loslaten. Ik moet al mijn kracht gebruiken om er beweging in te krijgen.
Pssssssssssst!, hoor ik opeens.
Geschrokken druk ik de schroef – want dat is het – weer terug in de band.
Geschrokken rijd ik naar de garage. Het is nog net geen sluitingstijd.
Geschrokken hoor ik de monteur vertellen dat er niet één maar twee schroeven in mijn band zitten. Vakkundig dicht hij de gaatjes: “Het is maar goed dat u uw banden heeft gecontroleerd, want u was gegarandeerd met een lekke band langs de weg komen te staan. En of het u gelukt zou zijn om die zelf te repareren…”
Hij heeft helemaal gelijk.
En hij niet alleen. Na een halve eeuw moet ik het toegeven, ook al is het postuum:
Er is nog iemand die gelijk heeft…
Grijs
Grijs. Ondanks de tropische zomerwarmte is hij geheel gekleed in grijs. Grijze pantalon, grijs colbert, grijze das.
Zelf is hij ook grijs: emotieloos, saai, niet te peilen.
Hij is dan ook notaris: objectief, degelijk, onkreukbaar.
Op vlakke toon leest hij de tekst voor van het testament dat hij voor me heeft opgesteld.
Mijn vragen en opmerkingen over geldbedragen en beladen familierelaties hoort hij aan zonder een spier te vertrekken.
Het maakt hem allemaal niets uit, hij doet zijn werk. Zonder oordeel en zonder gevoel.
Als hij klaar is met de tekst van het testament, pakt hij het codicil dat ik op zijn aanraden heb gemaakt. Daarin staan mijn wensen met betrekking tot een aantal ‘roerende goederen’ en ook mijn uitvaart.
Meester Linterink leest snel de tekst door, en zegt op gezette tijden:
“Juist“.
“Ja”.
“Duidelijk”.
Plotseling stokt zijn stem. Zijn blik blijft hangen op het einde van de pagina - daar waar ik heb beschreven welke muziek er bij mijn uitvaart moet worden gespeeld.
Meester Linterink schraapt zijn keel, en zegt: “Duidelijk ja.
Uh, mooie muziek trouwens, dat stuk uit ‘Ein deutsches Requiem’ van Brahms.”
“Oh, wat leuk! Kent u het?”, vraag ik.
Voor het eerst richt hij zijn blik op en kijkt hij me aan. Zijn grijze ogen glimmen opeens.
Hij slikt even: “Ik heb het zelfs gezongen”, zegt hij zacht.
Er verschijnt zowaar een glimlach om zijn mond.
“Zo, dat is heel wat”, zeg ik.
“Nou ja, niet de solo hoor.”
“Nee, dat begrijp ik, die is voor een sopraan en dat bent u volgens mij niet...”
Het gezicht van de grijze meester Linterink kleurt rood.
“Ik zong in het koor”, zegt hij blozend, “het is echt een prachtig stuk”…
Zijn ogen gaan nog meer glimmen.
Zo erg, dat hij ervan lijkt te schrikken. Dit past niet bij zijn ambt, ik zie het hem denken.
“Ahum’, zegt hij. Hij trekt zijn das recht, schraapt zijn keel, slaat zijn blik weer neer, en leest verder.
Zijn rode kleur verdwijnt net zo snel als hij verschenen is.
Meester Linterink is weer grijs, zoals hij dat zelf het liefste heeft.
Maar ík heb genoeg gezien, al was het maar voor een paar seconden.
Dankzij Brahms heb ik een glimp opgevangen van de mens achter de meester.
Zelf is hij ook grijs: emotieloos, saai, niet te peilen.
Hij is dan ook notaris: objectief, degelijk, onkreukbaar.
Op vlakke toon leest hij de tekst voor van het testament dat hij voor me heeft opgesteld.
Mijn vragen en opmerkingen over geldbedragen en beladen familierelaties hoort hij aan zonder een spier te vertrekken.
Het maakt hem allemaal niets uit, hij doet zijn werk. Zonder oordeel en zonder gevoel.
Als hij klaar is met de tekst van het testament, pakt hij het codicil dat ik op zijn aanraden heb gemaakt. Daarin staan mijn wensen met betrekking tot een aantal ‘roerende goederen’ en ook mijn uitvaart.
Meester Linterink leest snel de tekst door, en zegt op gezette tijden:
“Juist“.
“Ja”.
“Duidelijk”.
Plotseling stokt zijn stem. Zijn blik blijft hangen op het einde van de pagina - daar waar ik heb beschreven welke muziek er bij mijn uitvaart moet worden gespeeld.
Meester Linterink schraapt zijn keel, en zegt: “Duidelijk ja.
Uh, mooie muziek trouwens, dat stuk uit ‘Ein deutsches Requiem’ van Brahms.”
“Oh, wat leuk! Kent u het?”, vraag ik.
Voor het eerst richt hij zijn blik op en kijkt hij me aan. Zijn grijze ogen glimmen opeens.
Hij slikt even: “Ik heb het zelfs gezongen”, zegt hij zacht.
Er verschijnt zowaar een glimlach om zijn mond.
“Zo, dat is heel wat”, zeg ik.
“Nou ja, niet de solo hoor.”
“Nee, dat begrijp ik, die is voor een sopraan en dat bent u volgens mij niet...”
Het gezicht van de grijze meester Linterink kleurt rood.
“Ik zong in het koor”, zegt hij blozend, “het is echt een prachtig stuk”…
Zijn ogen gaan nog meer glimmen.
Zo erg, dat hij ervan lijkt te schrikken. Dit past niet bij zijn ambt, ik zie het hem denken.
“Ahum’, zegt hij. Hij trekt zijn das recht, schraapt zijn keel, slaat zijn blik weer neer, en leest verder.
Zijn rode kleur verdwijnt net zo snel als hij verschenen is.
Meester Linterink is weer grijs, zoals hij dat zelf het liefste heeft.
Maar ík heb genoeg gezien, al was het maar voor een paar seconden.
Dankzij Brahms heb ik een glimp opgevangen van de mens achter de meester.
Crisis
Het gaat er niet om wát je zegt, het gaat erom hoe je het zegt.
Goed overkomen, daar draait het om.
Hij is beroepspoliticus, hij weet dat als geen ander.
En dus fronst hij zijn wenkbrauwen totdat er een recordaantal rimpels in zijn voorhoofd zijn verschenen. Hij schraapt zijn keel, wendt zich af van de interviewer en kijkt met een ernstige blik in de camera:
“De bankiers hebben de grootste fouten gemaakt. Maar zij zijn niet degenen die het moeilijk hebben. Dat zijn de gewone mensen. Mensen die hard werken, die schoolgaande kinderen hebben, die nauwelijks de huur kunnen betalen. Zij zijn de echte slachtoffers”.
En zij zijn ook mijn kiezers, zie je hem denken. En van hen zijn er meer dan van bankiers. Vandaar.
Een dag later meldt het nieuws dat een voormalig lid van de Raad van Bestuur van ABN AMRO zichzelf een paar kogels door het hoofd heeft geschoten in een bos buiten Londen.
En meesterzwendelaar Bernard Madoff wordt veroordeeld tot levenslang.
Diezelfde dag loop ik een tankstation binnen. Vanachter zijn toonbank, lacht de BP-medewerker mij al toe. Een vrolijk type, dat is duidelijk. Hij ontbloot een rij hagelwitte tanden en roept met een schitterend Surinaams accent: ‘Goedemiddag mevrrroh! Oewat een mooi oeweer he?’
Zoals elk zichzelf respecterend tankstation, verkoopt men ook hier veel meer dan benzine: dvd’s, cd’s, broodjes, ijsjes - en bloemen.
Ik wil een mooi boeket kopen, maar de emmers waarin de duurste boeketten stonden, zijn allemaal leeg.
‘Hoe kan dat nou? Het is toch crisis?’, zeg ik tegen de man achter de kassa.
‘Crisis? Ach mevrouw, dat moet u toch niet geloven? Ze proberen ons gek te maken! Ik heb genoeg te eten en het is mooi weer. Ik ben een gelukkig mens.’
‘Spaart u zegeltjes? Nee? En freebees? Ook niet? Dan geef ik u een kraslot mee. We weet wint u wat.’
'Dat zou fijn zijn’, zeg ik.
‘Ja. Maar anders is het toch ook goed? Ik win ook nooit wat. Maar ik blijf lachen. Mij maken ze niet gek’.
Met een zwierig gebaar en een stralende glimlach overhandigt hij me mijn kassabon en een kraslot: ‘Fijne dag mevrrrroh!’
Als ik wegrijd en nog even achterom kijk, zwaait hij. Weer tovert hij die stralende lach tevoorschijn.
Op de autoradio spreekt opnieuw de Minister van Financiën. Maar ik luister niet meer.
Ik laat me niet gek maken.
Goed overkomen, daar draait het om.
Hij is beroepspoliticus, hij weet dat als geen ander.
En dus fronst hij zijn wenkbrauwen totdat er een recordaantal rimpels in zijn voorhoofd zijn verschenen. Hij schraapt zijn keel, wendt zich af van de interviewer en kijkt met een ernstige blik in de camera:
“De bankiers hebben de grootste fouten gemaakt. Maar zij zijn niet degenen die het moeilijk hebben. Dat zijn de gewone mensen. Mensen die hard werken, die schoolgaande kinderen hebben, die nauwelijks de huur kunnen betalen. Zij zijn de echte slachtoffers”.
En zij zijn ook mijn kiezers, zie je hem denken. En van hen zijn er meer dan van bankiers. Vandaar.
Een dag later meldt het nieuws dat een voormalig lid van de Raad van Bestuur van ABN AMRO zichzelf een paar kogels door het hoofd heeft geschoten in een bos buiten Londen.
En meesterzwendelaar Bernard Madoff wordt veroordeeld tot levenslang.
Diezelfde dag loop ik een tankstation binnen. Vanachter zijn toonbank, lacht de BP-medewerker mij al toe. Een vrolijk type, dat is duidelijk. Hij ontbloot een rij hagelwitte tanden en roept met een schitterend Surinaams accent: ‘Goedemiddag mevrrroh! Oewat een mooi oeweer he?’
Zoals elk zichzelf respecterend tankstation, verkoopt men ook hier veel meer dan benzine: dvd’s, cd’s, broodjes, ijsjes - en bloemen.
Ik wil een mooi boeket kopen, maar de emmers waarin de duurste boeketten stonden, zijn allemaal leeg.
‘Hoe kan dat nou? Het is toch crisis?’, zeg ik tegen de man achter de kassa.
‘Crisis? Ach mevrouw, dat moet u toch niet geloven? Ze proberen ons gek te maken! Ik heb genoeg te eten en het is mooi weer. Ik ben een gelukkig mens.’
‘Spaart u zegeltjes? Nee? En freebees? Ook niet? Dan geef ik u een kraslot mee. We weet wint u wat.’
'Dat zou fijn zijn’, zeg ik.
‘Ja. Maar anders is het toch ook goed? Ik win ook nooit wat. Maar ik blijf lachen. Mij maken ze niet gek’.
Met een zwierig gebaar en een stralende glimlach overhandigt hij me mijn kassabon en een kraslot: ‘Fijne dag mevrrrroh!’
Als ik wegrijd en nog even achterom kijk, zwaait hij. Weer tovert hij die stralende lach tevoorschijn.
Op de autoradio spreekt opnieuw de Minister van Financiën. Maar ik luister niet meer.
Ik laat me niet gek maken.
columns, verhalen, essays, gedichten
Maatschappelijke vraagstukken
Dambreuk
Elke dag is ze als eerste aan het ontbijt. En elke dag vertrekt ze daar als laatste. Mevrouw Havelaer-Meerdervoort haalt alles uit haar culturele reis van een week. In de bus zit ze vooraan, in de musea staat ze vooraan, en tijdens de maaltijden heeft ze het hoogste woord. Vooral aan het ontbijt.
Als wij allemaal nog wat slaperig plaatsnemen aan de ontbijttafel, zit zij al fris gewassen en perfect opgemaakt op haar stoel. Haren onberispelijk gekamd, lippen gestift, grote, krokodillenleren tas op schoot, en fonkelende ogen die alles en iedereen in de gaten houden. Niets ontgaat mevrouw Havelaer-Meerdervoort:
De jam die een andere was dan in het vorige hotel. Een gaatje in het tafellaken. Een mes met een vlekje erop: “Ober! Breng u even een nieuw mes? En goed oppoetsen graag!”.
Ondanks haar deftige voorkomen, dure kleren en fonkelende juwelen, ziet ze er op toe dat er niets wordt verspild. En ze let goed op de gezondheid van al haar medereizigers:
“Laat die roomboter nou staan, kind”, zegt ze elke dag weer tegen mij. “Het is ongezond, slecht voor de lijn, en Becel smaakt net zo goed.”
“Neemt u nu nog meer jam?”, vraagt ze aan de dame naast haar. “Het is toch niet nodig het er zo dik op te smeren, één zo’n cupje is toch ruim voldoende?”
Al gauw durven we nauwelijks nog beleg te nemen. We kauwen op boterhammen met flinterdunne plakjes 20-pluskaas, drinken zwarte koffie en thee zonder suiker, en vooral ontwijken we de strenge, allesziende blik van mevrouw Havelaer-Meerdervoort.
Normaliter kom ik altijd een kilo aan tijdens mijn vakanties, maar als ik dit keer aan het eind van de week in de bus stap, vallen mijn kleren ruimer dan een week geleden.
Op de terugweg zit mevrouw Havelaer-Meerdervoort, zoals altijd, parmantig voorin. Op de voorste bank, pal achter de chauffeur. Vertelt hem ongevraagd wat volgens haar de kortste route is. Ziet erop toe dat hij tijdig vaart mindert als we een afslag naderen. Wijst hem erop dat hij ruim afstand moet houden van de auto’s voor hem.
Lange tijd hoort de chauffeur haar zwijgend aan. Maar dan, als we de Nederlandse grens naderen, wordt het hem te veel. Een hele week heeft hij, net als wij, al het commentaar van mevrouw Havelaer-Meerdervoort aangehoord zonder te reageren – zoals het een professionele buschauffeur betaamt. Geen ruzie in de vakantie. En de klant is koning.
Maar deze klant heeft té veel praatjes, hij kan zich niet meer beheersen. Als mevrouw Havelaer-Meerdervoort zich voor de zoveelste keer voorover buigt (“Denk erom hoor: we mogen hier nog 120, maar na de grens nog maar 100”), heeft hij er genoeg van. “U heeft gelijk mevrouw”, zegt hij met luide stem, zodat iedereen in de bus het kan horen. Dan trapt hij hard op de rem, veel harder dan nodig.
Mevrouw Havelaer-Meerdervoort schiet naar voren, haar bril vliegt van haar neus, en haar krokodillenleren tas valt met een harde klap in het middenpad. Zo’n harde klap dat hij open valt.
Wat we dan te zien krijgen, is spectaculairder dan alle bezienswaardigheden van de voorgaande week. Een dambreuk.
Cupjes roomboter, pakjes hagelslag, theezakjes, suikerzakjes, cups met aardbeienjam, kersenjam en frambozenjam, rollen van voor naar achter door de bus. Ze stuiteren over het middenpad en rollen onder de banken. Met honderden tegelijk.
Mevrouw Havelaer-Meerdervoort heeft haar bril inmiddels gevonden, zet hem op haar neus en aanschouwt met paniek in haar ogen het strijdtoneel.
Want dat is het: al haar medereizigers duiken op de buit. We vangen de rollende cups op, we liggen plat op de grond om suikerzakjes onder de banken vandaan te halen, we gooien pakjes hagelslag terug naar voren:
“Vangen, mevrouw Havelaer-Meerdervoort!”
“Hier is nog wat boter, we willen niet dat u straks thuis te weinig te eten heeft!”
“Oehoe! Mevrouw Havelaer-Meerdervoort, hier is nog een jammetje! Komt ie!”
Opeens hebben we allemaal het hoogste woord.
Op een na.
Tijdens de rest van de rit zit mevrouw Havelaer-Meerdervoort ineengedoken voorin de bus. Haar armen stijf om haar tas geklemd, blik omlaag, bleek. En zwijgend. Eindelijk.
Als wij allemaal nog wat slaperig plaatsnemen aan de ontbijttafel, zit zij al fris gewassen en perfect opgemaakt op haar stoel. Haren onberispelijk gekamd, lippen gestift, grote, krokodillenleren tas op schoot, en fonkelende ogen die alles en iedereen in de gaten houden. Niets ontgaat mevrouw Havelaer-Meerdervoort:
De jam die een andere was dan in het vorige hotel. Een gaatje in het tafellaken. Een mes met een vlekje erop: “Ober! Breng u even een nieuw mes? En goed oppoetsen graag!”.
Ondanks haar deftige voorkomen, dure kleren en fonkelende juwelen, ziet ze er op toe dat er niets wordt verspild. En ze let goed op de gezondheid van al haar medereizigers:
“Laat die roomboter nou staan, kind”, zegt ze elke dag weer tegen mij. “Het is ongezond, slecht voor de lijn, en Becel smaakt net zo goed.”
“Neemt u nu nog meer jam?”, vraagt ze aan de dame naast haar. “Het is toch niet nodig het er zo dik op te smeren, één zo’n cupje is toch ruim voldoende?”
Al gauw durven we nauwelijks nog beleg te nemen. We kauwen op boterhammen met flinterdunne plakjes 20-pluskaas, drinken zwarte koffie en thee zonder suiker, en vooral ontwijken we de strenge, allesziende blik van mevrouw Havelaer-Meerdervoort.
Normaliter kom ik altijd een kilo aan tijdens mijn vakanties, maar als ik dit keer aan het eind van de week in de bus stap, vallen mijn kleren ruimer dan een week geleden.
Op de terugweg zit mevrouw Havelaer-Meerdervoort, zoals altijd, parmantig voorin. Op de voorste bank, pal achter de chauffeur. Vertelt hem ongevraagd wat volgens haar de kortste route is. Ziet erop toe dat hij tijdig vaart mindert als we een afslag naderen. Wijst hem erop dat hij ruim afstand moet houden van de auto’s voor hem.
Lange tijd hoort de chauffeur haar zwijgend aan. Maar dan, als we de Nederlandse grens naderen, wordt het hem te veel. Een hele week heeft hij, net als wij, al het commentaar van mevrouw Havelaer-Meerdervoort aangehoord zonder te reageren – zoals het een professionele buschauffeur betaamt. Geen ruzie in de vakantie. En de klant is koning.
Maar deze klant heeft té veel praatjes, hij kan zich niet meer beheersen. Als mevrouw Havelaer-Meerdervoort zich voor de zoveelste keer voorover buigt (“Denk erom hoor: we mogen hier nog 120, maar na de grens nog maar 100”), heeft hij er genoeg van. “U heeft gelijk mevrouw”, zegt hij met luide stem, zodat iedereen in de bus het kan horen. Dan trapt hij hard op de rem, veel harder dan nodig.
Mevrouw Havelaer-Meerdervoort schiet naar voren, haar bril vliegt van haar neus, en haar krokodillenleren tas valt met een harde klap in het middenpad. Zo’n harde klap dat hij open valt.
Wat we dan te zien krijgen, is spectaculairder dan alle bezienswaardigheden van de voorgaande week. Een dambreuk.
Cupjes roomboter, pakjes hagelslag, theezakjes, suikerzakjes, cups met aardbeienjam, kersenjam en frambozenjam, rollen van voor naar achter door de bus. Ze stuiteren over het middenpad en rollen onder de banken. Met honderden tegelijk.
Mevrouw Havelaer-Meerdervoort heeft haar bril inmiddels gevonden, zet hem op haar neus en aanschouwt met paniek in haar ogen het strijdtoneel.
Want dat is het: al haar medereizigers duiken op de buit. We vangen de rollende cups op, we liggen plat op de grond om suikerzakjes onder de banken vandaan te halen, we gooien pakjes hagelslag terug naar voren:
“Vangen, mevrouw Havelaer-Meerdervoort!”
“Hier is nog wat boter, we willen niet dat u straks thuis te weinig te eten heeft!”
“Oehoe! Mevrouw Havelaer-Meerdervoort, hier is nog een jammetje! Komt ie!”
Opeens hebben we allemaal het hoogste woord.
Op een na.
Tijdens de rest van de rit zit mevrouw Havelaer-Meerdervoort ineengedoken voorin de bus. Haar armen stijf om haar tas geklemd, blik omlaag, bleek. En zwijgend. Eindelijk.
Abonneren op:
Posts (Atom)