Zodra de ingang van de Maastunnel in zicht komt, duik ik omlaag. Met mijn gezicht in mijn moeders schoot, lig ik te trillen van angst terwijl de bus de lange kilometer aflegt van Rotterdam-Noord naar Rotterdam-Zuid. Bang, bang, bang.
Pas als mijn moeder zegt dat we de tunnel weer uit zijn, kom ik overeind. Met het zweet op mijn rug.
Ik ben zes jaar, hooguit. En nu ben ik bijna zestig.
Maar sommige dingen veranderen nooit. Zoals angst voor kleine ruimtes: heb ik altijd gehad. Liften, tunnels, volle warenhuizen: het liefst vermijd ik ze. En als ze onvermijdelijk zijn, stap ik zo snel mogelijk en opgelucht weer naar buiten.
In de loop van mijn leven heb ik geleerd mijn angst in toom te houden. Letten op mijn ademhaling, een afleidend gesprekje aanknopen, mezelf kalmerend toespreken. Er valt mee te leven.
Maar het gaat nooit over.Dat blijkt als mij wordt meegedeeld dat er een MRI-scan moet worden gemaakt van mijn rug. Helse rugpijn, tintelende voeten, en een verontrustende röntgenfoto: er is geen ontkomen meer aan. Ik moet een half uur lang in een smalle, nauwe koker liggen. Hiermee vergeleken is de Maastunnel een zee van ruimte. De scanner is beklemmend nauw, benauwend warm, en ik moet er niet één maar dertig minuten in. Opgesloten, onbeweeglijk, en moederziel alleen.
Menigeen draait er zijn hand niet voor om. Maar ik, overtuigd claustrofoob, heb er slapeloze nachten van. Opnieuw bang, bang, bang.
Ik probeer mezelf kalmerend toe te spreken: Wat kan er nou helemaal gebeuren? Je ligt daar goed, met een alarmknop in je hand, en het duurt maar een half uurtje. Wat is nou een half uurtje op een mensenleven?
Ik probeer mezelf vermanend toe te spreken: Stel je toch niet aan! Je hebt veel ergere dingen meegemaakt, daarbij vergeleken is dit toch niets?
En ik probeer mezelf streng toe te spreken: Denk eens aan die 33 Chileense mijnwerkers! Die zitten al twee maanden opgesloten in een donker hol op 700 meter diepte. En hoor je hen klagen? Nee. Schaam je!
Dat doe ik ook, ik schaam me. Maar ook dat helpt niet. Ik ben en blijf doodsbang, hier is geen kruid noch gezond verstand tegen gewassen.
Ik moet een week wachten. Een week die lijkt op een jaar.
Dan is het zover. Met een paar oxazepammetjes achter de kiezen, en een dierbare vriendin ter geruststelling aan mijn zij, arriveer ik in het ziekenhuis. Met in mijn tas een cd met jaren ’60-hits.
Want ik krijg een koptelefoon op met muziek, omdat de scanner kennelijk een beetje herrie maakt.
Een beetje herrie? Een beetje herrie?!
Terwijl ik nog één keer diep inadem en me mentaal instel op mijn gevreesde verblijf in de inderdaad zeer nauwe koker, begint mijn eerste jaren ’60 hit. Freddie & The Dreamers: leuk. Maar Freddie is nog maar nauwelijks begonnen met zingen, of er barst een hels lawaai los.
Een bromtoon met de sterkte van honderd stofzuigers. De zoetgevooisde klanken van Freddie en zijn Dreamers worden volledig weggedrukt door Nilfisk de Noorman.
Nauwelijks ben ik van de schrik bekomen, of ik hoor de scandame door mijn koptelefoon: “Zo Mevrouw Gouweloos, dit was de eerste serie. Ik ga even de platen verwisselen, en dan komt er een serie van drie minuten. Die maakt wat meer herrie dan de vorige.
”Nog meer herrie?! Ik heb de neiging mijn koptelefoon nog harder tegen mijn oren te drukken. Maar de tunnel is veel te smal om mijn handen omhoog te brengen. Het enige dat ik kan bewegen zijn mijn ogen. Die doe ik dus maar dicht. Ondanks het feit dat men mij als claustrofoob zo heeft neergelegd dat mijn hoofd een klein stukje buiten de scanner uitsteekt. Daardoor kan ik, als ik mijn ogen omhoog draai, nog net een spleetje zien van de ruimte buiten het apparaat. Maar toch sluit ik mijn ogen, om nog enig gevoel van controle te hebben.
Een goed besluit, want zo kan ik des te intenser genieten van het geluid van een mitrailleursalvo van Uruzganachtige proporties, dat drie minuten lang mijn oren teistert. Ik knijp mijn ogen nog stijver dicht.
Net op tijd voor de volgende serie: gedurende vier minuten lijkt het alsof vlak naast me de gloednieuwe bladblazer van mijn buurman staat te loeien.
“Gaat goed hoor, mevrouw Gouweloos”, zegt de scandame quasi opgewekt.
Hierna volgt een stationair draaiende vrachtwagen. Twee keer achter elkaar. In de pauze tussen de twee series hoor ik net een paar maten van Herman’s Hermits: ‘There’s a kind of hush’. Hush? Ik dacht het niet.
Ha, daar is weer mijn MRI-meisje: “Mevrouw Gouweloos, ik schuif u nu wat dieper de tunnel in. Nu kunt u helaas niet meer naar buiten kijken.” Dat is niet volgens afspraak, maar het dringt nauwelijks tot me door. Ik heb het veel te druk met luisteren en met angstig afwachten wat de volgende serie me zal brengen.
“Bang bang!”, zingt Cher. Alsof ik dat zelf al niet wist…
De op een na laatste serie barst los. Vlak naast me gaat een bomalarm af. Alarmfase 1.
Toch moet het ergste nog komen. Terwijl de hitte in mijn nauwe tunneltje het kookpunt nadert, wordt er een drilboor aangezet. Een enorme drilboor, middenin mijn hoofd. Ik knijp mijn ogen nog stijver dicht. Meer kan ik niet doen. Maar hoe lang houd ik dit nog vol?!
“Zo, het is klaar. Viel mee hè?”, klinkt het monter. Verdwaasd open ik mijn ogen.
Pas dan slaat mijn oude vertrouwde claustrofobische angst toe. Ik zie alleen nog maar de bovenkant van de tunnel, een paar centimeter boven mijn gezicht. Ik stik!
In paniek grijp ik naar de alarmknop.
Róets! Met een zwierig gebaar, trekt de scandame me op mijn bedslee uit de scanner. Ze verwijdert mijn koptelefoon, geeft me een hand, en voordat ik het weet sta ik weer in de wachtkamer.
“Hoe was het?”, vraagt mijn meegereisde vriendin.
Tja, hoe was het?
Het was uh…Hard, het was hard.
Maar ik heb niet gedacht aan mijn claustrofobie, ik heb niet gezien dat ik in een piepklein, smal benauwend tunneltje lag. Want ik had mijn ogen dicht.Ik ben gered door mitrailleurs, bladblazers, vrachtwagens, alarmzoemers en stofzuigers.
En niet te vergeten door een drilboor. Ik wel. Nu nog mijn lotgenoten, ver weg onder de grond in die Chileense mijn.
Loes Gouweloos
september 2010
zaterdag 9 oktober 2010
zaterdag 17 juli 2010
Inktvis
Een inktvis die helderziend is. Wie gelooft het? Niemand toch zeker?
Maar toch: de Duitse octopus Paul in de dierentuin van Oberhausen heeft een indrukwekkende score. Van zes wedstrijden van het WK Voetbal is hem gevraagd wie de winnaar zal zijn. En zes keer had hij het goed.
Kan dat nog toeval zijn?
En als hij de uitslag kan voorzien, kan hij die dan ook beïnvloeden?
Dat is niet te hopen, want voor de finale Spanje-Nederland kent Paul geen genade. Als hij moet kiezen tussen een mossel in een potje met een Spaans vlaggetje erop en een met de Nederlandse driekleur, dwarrelt hij vastberaden richting Spaanse mossel...
Na een slechte, keiharde finale die alleen spannend is voor wie partijdig is, wint Spanje met 1-0. Nederland schopt meer naar de tegenstander dan naar de bal, dus het recht heeft gezegevierd. En de inktvis had opnieuw gelijk.
Balen voor alle Oranjesupporters. Al onze derde WK-finale, en alweer verloren. Op het nippertje, in de verlenging. Na een strijd op leven en dood. Wat een teleurstelling. Hoe moeten we dit verwerken?
Terwijl ik treurig voor me uit zit te staren, knalt buiten het vuurwerk. Ingeslagen om de overwinning te vieren, maar bewaren tot Oudejaarsavond is te veel gevraagd.
Dan hoor ik opeens een knal die veel harder is dan alle andere. Mijn oren piepen ervan. De overbuurman met een vuurwerkbom? Maar dan volgt nog een knal, en nog een. Zo oorverdovend hard dat ik weet dat dit iets anders moet zijn. Het lijkt wel een echte bom!
Ik kijk uit het raam.In het schemerdonker loopt een jongen van een jaar of 17 met grote stappen door het parkje.
Opeens draait hij zich om. Hij neemt een aanloop en springt met een hoog gestrekt been tegen een gemeentelijke papierbak aan. Zo hard als hij kan. Zijn schoen raakt het holle metaal met een enorme dreun. De bak wankelt.
Het lijkt op de doodschop die ‘onze’ Nigel de Jong eerder deze avond uitdeelde aan een Spaanse middenvelder. Goed voorbeeld doet goed volgen.
De jongen draait zich om, neemt weer een aanloop, en probeert het opnieuw. Bam!
Na de zesde schop is zijn ergste woede blijkbaar over en ziet hij in dat zijn missie, net als die van Nigel, heilloos is. Spanje heeft gewonnen en de papierbak staat nog steeds overeind.
De jongen springt op zijn fiets, kijkt nog even kwaad achterom, en racet vervolgens de straat uit.
Ik begrijp zijn frustratie. Maar toch, is er nou geen andere manier om je verlies te verwerken?
Van dat verlies van Oranje is de dagen na de finale overigens nauwelijks nog iets te merken. Als onze helden weer voet hebben gezet op Nederlandse bodem, wacht hen een ontvangst bij de koningin, een Koninklijke onderscheiding, een rondvaart door de Amsterdamse grachten en een massale huldiging op het Museumplein.
Een menigte van 200.000 dansende en springende mensen juicht hen toe. Wapperende vlaggen, schallende toeters, veel bier en veel muziek.
En spandoeken:
‘Oranje: bedankt!’
‘Welkom thuis, helden!’
‘De ware kampioenen!’
Dan ontwaar ik tussen al die grote spandoeken een kleiner exemplaar. Het wordt vastgehouden door een vrolijk lachend meisje van een jaar of 17.
Als ik lees wat ze erop heeft gekalkt, denk ik: hè hè, gelukkig, zo kun je ook verliezen.
Het meisje springt, zo hoog als ze kan. Ze lacht opnieuw en strekt haar armen opdat iedereen goed kan lezen wat er op haar spandoek staat:
‘Kutinktvis!’
Loes Gouweloos
juli 2010
Maar toch: de Duitse octopus Paul in de dierentuin van Oberhausen heeft een indrukwekkende score. Van zes wedstrijden van het WK Voetbal is hem gevraagd wie de winnaar zal zijn. En zes keer had hij het goed.
Kan dat nog toeval zijn?
En als hij de uitslag kan voorzien, kan hij die dan ook beïnvloeden?
Dat is niet te hopen, want voor de finale Spanje-Nederland kent Paul geen genade. Als hij moet kiezen tussen een mossel in een potje met een Spaans vlaggetje erop en een met de Nederlandse driekleur, dwarrelt hij vastberaden richting Spaanse mossel...
Na een slechte, keiharde finale die alleen spannend is voor wie partijdig is, wint Spanje met 1-0. Nederland schopt meer naar de tegenstander dan naar de bal, dus het recht heeft gezegevierd. En de inktvis had opnieuw gelijk.
Balen voor alle Oranjesupporters. Al onze derde WK-finale, en alweer verloren. Op het nippertje, in de verlenging. Na een strijd op leven en dood. Wat een teleurstelling. Hoe moeten we dit verwerken?
Terwijl ik treurig voor me uit zit te staren, knalt buiten het vuurwerk. Ingeslagen om de overwinning te vieren, maar bewaren tot Oudejaarsavond is te veel gevraagd.
Dan hoor ik opeens een knal die veel harder is dan alle andere. Mijn oren piepen ervan. De overbuurman met een vuurwerkbom? Maar dan volgt nog een knal, en nog een. Zo oorverdovend hard dat ik weet dat dit iets anders moet zijn. Het lijkt wel een echte bom!
Ik kijk uit het raam.In het schemerdonker loopt een jongen van een jaar of 17 met grote stappen door het parkje.
Opeens draait hij zich om. Hij neemt een aanloop en springt met een hoog gestrekt been tegen een gemeentelijke papierbak aan. Zo hard als hij kan. Zijn schoen raakt het holle metaal met een enorme dreun. De bak wankelt.
Het lijkt op de doodschop die ‘onze’ Nigel de Jong eerder deze avond uitdeelde aan een Spaanse middenvelder. Goed voorbeeld doet goed volgen.
De jongen draait zich om, neemt weer een aanloop, en probeert het opnieuw. Bam!
Na de zesde schop is zijn ergste woede blijkbaar over en ziet hij in dat zijn missie, net als die van Nigel, heilloos is. Spanje heeft gewonnen en de papierbak staat nog steeds overeind.
De jongen springt op zijn fiets, kijkt nog even kwaad achterom, en racet vervolgens de straat uit.
Ik begrijp zijn frustratie. Maar toch, is er nou geen andere manier om je verlies te verwerken?
Van dat verlies van Oranje is de dagen na de finale overigens nauwelijks nog iets te merken. Als onze helden weer voet hebben gezet op Nederlandse bodem, wacht hen een ontvangst bij de koningin, een Koninklijke onderscheiding, een rondvaart door de Amsterdamse grachten en een massale huldiging op het Museumplein.
Een menigte van 200.000 dansende en springende mensen juicht hen toe. Wapperende vlaggen, schallende toeters, veel bier en veel muziek.
En spandoeken:
‘Oranje: bedankt!’
‘Welkom thuis, helden!’
‘De ware kampioenen!’
Dan ontwaar ik tussen al die grote spandoeken een kleiner exemplaar. Het wordt vastgehouden door een vrolijk lachend meisje van een jaar of 17.
Als ik lees wat ze erop heeft gekalkt, denk ik: hè hè, gelukkig, zo kun je ook verliezen.
Het meisje springt, zo hoog als ze kan. Ze lacht opnieuw en strekt haar armen opdat iedereen goed kan lezen wat er op haar spandoek staat:
‘Kutinktvis!’
Loes Gouweloos
juli 2010
woensdag 14 juli 2010
Doodstraf en levenslang
Het is allemaal mijn eigen schuld. Want het was pure hebzucht. En die wordt afgestraft.
Maar had het niet een klein beetje minder gekund?
Een paar jaar geleden werd ik lid van een ouderenbond die zijn leden een voordelige ziektekostenverzekering aanbood. Scheelde al gauw een paar tientjes per maand, mooi meegenomen.
Direct vanaf het begin kreeg ik maandelijks straf voor mijn opportunistische daad. Elke maand ontving ik twee dikke tijdschriften vol artikelen over de goede oude tijd en advertenties voor reisjes langs de Rijn, kunstgebitten, incontinentieluiers en hoor-apparaten.
Een flinke belasting voor mijn papierafvalbak en voor mijn weliswaar niet bejaarde maar toch wel al flink pijnlijke gewrichten.
Al gauw las ik alleen nog de rubriek met persoonlijke berichten. Uit nieuwsgierigheid, om te kijken of er bekenden bij stonden die 80 waren geworden, of 90. Of die wellicht zelfs waren overleden.Vergeefs: ook deze rubriek maakte duidelijk dat ik nog niet tot de doelgroep behoor. Mijn kennissen zijn nog te jong om kans te maken op een vermelding.
Zij wel.
Maar ik niet.
Dat weet ik sinds gisteren.
Rond etenstijd wordt er aangebeld in mijn flat. Voor de deur staat een bejaarde medebewoner. Lijkbleek en met grote schrikogen kijkt hij me aan. Hij zegt niets. Het lijkt wel alsof hij een geest ziet, denk ik nog.
En dat blijkt te kloppen.
“Gelukkig…”, stamelt de oude man,”‘je bent er nog.”
“Natuurlijk. Hoezo?”
Bedremmeld zoekt hij naar woorden. Pas dan zie ik dat hij iets in zijn hand houdt. Het is het blad van ‘mijn’ ouderenbond. Dat blijkt ook zíjn ouderenbond te zijn.
Trillend van emotie houdt hij het blad onder mijn neus. Het is geopend op de pagina met persoonlijke berichten.
Met een bibberende vinger wijst de man naar de rubriek ‘Overleden’.
Ik volg zijn vinger naar omlaag.
En dan zie ik het. Bovenaan het rijtje prijkt mijn naam:
Overleden: Mevrouw L. Gouweloos
Ik kijk nog eens. En nog eens Maar het staat er echt.
Foutje van de bondsadministratie.
Na jaren talmen heb ik enkele weken geleden eindelijk mijn lidmaatschap opgezegd. Want die ziektekostenverzekering van hen heb ik destijds toch maar niet genomen, en ik wilde nu eindelijk eens verlost worden van die twee nietszeggende, zwaarwegende maandelijkse tijdschriften.
Er zijn ongetwijfeld twee namen door elkaar gehaald in de rubriek ‘mutaties’.
Aanvankelijk schater ik het uit.
Maar dan denk ik aan mijn beide ouders, die nog maar pas zijn overleden. Daar gaat alweer een Gouweloos, denk ik. Te snel, te vlug achter elkaar. Rust er een vloek op onze familie?
En dan denk ik aan vrienden en kennissen die wellicht ook lid zijn en die vanavond hun bondsblad zullen openslaan. Wat zullen ze schrikken (dat hoop ik tenminste).
En wat kunnen ze doen? Niets. Mij zullen ze niet bellen om opheldering, want ik ben dood.
Ik probeer de zonzijde te zoeken: ik hoef nu niet meer elke maand die twee dikke tijdschriften door te worstelen en naar de papierbak te brengen.
En verder wil ik er niet meer aan denken. Ik stuur een quasiboos mailtje aan de bond en ga over tot de orde van de dag. Wat gebeurd is, is gebeurd. Er is niets aan te doen.
Maar daar denkt de ouderenbond anders over.
Vanmiddag staat er opnieuw een oudere heer voor mijn deur. Dit keer een vertegenwoordiger van de bond. Hij komt me een groot boeket bloemen brengen en biedt me zijn oprechte excuses aan.
Kopje koffie. Plichtmatig praatje. Nog een kopje koffie. Nogmaals excuses.
Dan stapt hij ‘maar weer eens op’.
Prima.
Maar bij de deur houdt hij zijn pas in.“Och mevrouw, nou vergeet ik nog bijna iets!”
Hij buigt zich moeizaam voorover en opent zijn tas. Met een triomfantelijk gebaar haalt hij daaruit iets tevoorschijn. Het is mijn favoriete lectuur: de twee maandbladen van de ouderenbond.
De bondsvertegenwoordiger legt zijn hand op mijn arm, kijkt me trots aan en zegt op warme toon: “U hebt uw lidmaatschap opgezegd, dus eigenlijk heeft u er geen recht meer op. Maar ik heb speciaal voor u geregeld dat u de rest van uw leven onze bladen blijft ontvangen!”
Loes Gouweloos
juli 2010
Maar had het niet een klein beetje minder gekund?
Een paar jaar geleden werd ik lid van een ouderenbond die zijn leden een voordelige ziektekostenverzekering aanbood. Scheelde al gauw een paar tientjes per maand, mooi meegenomen.
Direct vanaf het begin kreeg ik maandelijks straf voor mijn opportunistische daad. Elke maand ontving ik twee dikke tijdschriften vol artikelen over de goede oude tijd en advertenties voor reisjes langs de Rijn, kunstgebitten, incontinentieluiers en hoor-apparaten.
Een flinke belasting voor mijn papierafvalbak en voor mijn weliswaar niet bejaarde maar toch wel al flink pijnlijke gewrichten.
Al gauw las ik alleen nog de rubriek met persoonlijke berichten. Uit nieuwsgierigheid, om te kijken of er bekenden bij stonden die 80 waren geworden, of 90. Of die wellicht zelfs waren overleden.Vergeefs: ook deze rubriek maakte duidelijk dat ik nog niet tot de doelgroep behoor. Mijn kennissen zijn nog te jong om kans te maken op een vermelding.
Zij wel.
Maar ik niet.
Dat weet ik sinds gisteren.
Rond etenstijd wordt er aangebeld in mijn flat. Voor de deur staat een bejaarde medebewoner. Lijkbleek en met grote schrikogen kijkt hij me aan. Hij zegt niets. Het lijkt wel alsof hij een geest ziet, denk ik nog.
En dat blijkt te kloppen.
“Gelukkig…”, stamelt de oude man,”‘je bent er nog.”
“Natuurlijk. Hoezo?”
Bedremmeld zoekt hij naar woorden. Pas dan zie ik dat hij iets in zijn hand houdt. Het is het blad van ‘mijn’ ouderenbond. Dat blijkt ook zíjn ouderenbond te zijn.
Trillend van emotie houdt hij het blad onder mijn neus. Het is geopend op de pagina met persoonlijke berichten.
Met een bibberende vinger wijst de man naar de rubriek ‘Overleden’.
Ik volg zijn vinger naar omlaag.
En dan zie ik het. Bovenaan het rijtje prijkt mijn naam:
Overleden: Mevrouw L. Gouweloos
Ik kijk nog eens. En nog eens Maar het staat er echt.
Foutje van de bondsadministratie.
Na jaren talmen heb ik enkele weken geleden eindelijk mijn lidmaatschap opgezegd. Want die ziektekostenverzekering van hen heb ik destijds toch maar niet genomen, en ik wilde nu eindelijk eens verlost worden van die twee nietszeggende, zwaarwegende maandelijkse tijdschriften.
Er zijn ongetwijfeld twee namen door elkaar gehaald in de rubriek ‘mutaties’.
Aanvankelijk schater ik het uit.
Maar dan denk ik aan mijn beide ouders, die nog maar pas zijn overleden. Daar gaat alweer een Gouweloos, denk ik. Te snel, te vlug achter elkaar. Rust er een vloek op onze familie?
En dan denk ik aan vrienden en kennissen die wellicht ook lid zijn en die vanavond hun bondsblad zullen openslaan. Wat zullen ze schrikken (dat hoop ik tenminste).
En wat kunnen ze doen? Niets. Mij zullen ze niet bellen om opheldering, want ik ben dood.
Ik probeer de zonzijde te zoeken: ik hoef nu niet meer elke maand die twee dikke tijdschriften door te worstelen en naar de papierbak te brengen.
En verder wil ik er niet meer aan denken. Ik stuur een quasiboos mailtje aan de bond en ga over tot de orde van de dag. Wat gebeurd is, is gebeurd. Er is niets aan te doen.
Maar daar denkt de ouderenbond anders over.
Vanmiddag staat er opnieuw een oudere heer voor mijn deur. Dit keer een vertegenwoordiger van de bond. Hij komt me een groot boeket bloemen brengen en biedt me zijn oprechte excuses aan.
Kopje koffie. Plichtmatig praatje. Nog een kopje koffie. Nogmaals excuses.
Dan stapt hij ‘maar weer eens op’.
Prima.
Maar bij de deur houdt hij zijn pas in.“Och mevrouw, nou vergeet ik nog bijna iets!”
Hij buigt zich moeizaam voorover en opent zijn tas. Met een triomfantelijk gebaar haalt hij daaruit iets tevoorschijn. Het is mijn favoriete lectuur: de twee maandbladen van de ouderenbond.
De bondsvertegenwoordiger legt zijn hand op mijn arm, kijkt me trots aan en zegt op warme toon: “U hebt uw lidmaatschap opgezegd, dus eigenlijk heeft u er geen recht meer op. Maar ik heb speciaal voor u geregeld dat u de rest van uw leven onze bladen blijft ontvangen!”
Loes Gouweloos
juli 2010
columns, verhalen, essays, gedichten
Klein leed
zondag 27 juni 2010
Tweede huwelijksreis
“Zo Henk, daar liggen we dan. Het hotel is wel veranderd he?”
“Wat wil je? Het is 40 jaar geleden.”
“Lekker bed wel. Wat gaan we nu doen?”
“…”
“Zoek je wat?”
“Mijn bril.”
“Je bril?”
“Ja, mijn bril. Ik wil nog wat lezen.”
“Oh…”
“Heb jij mijn bril gezien?”
“Wat wil je dan lezen?”
“Een boek. Waar is trouwens mijn boek gebleven?”
“Welk boek? Ik heb niks gezien.”
“Jij hebt toch de koffer ingepakt? Dat is jouw taak.”
“Lekker makkelijk. En jij maar zitten.”
“Ik heb gereden. Dan hoef jij alleen maar te zitten.”
“Omdat ik van jou geen kaart mag lezen.”
“Truus, daar hebben we het nou al zo vaak over gehad: je kan het niet.”
“Jij ook niet. Maar je bent te koppig om de weg te vragen. Wil ik best doen hoor.
Maar van jou mag het nooit. Daarom hebben we 90 kilometer omgereden.”
“Maar we zijn er wel gekomen. Zonder hulp. En nou heb ik nog steeds mijn bril niet.”
“Heb je hem niet in de lobby laten liggen?”
“De afspraak is: alle losse spullen bewaar jij in je tas. En zit mijn bril in jouw tas?”
“Henk, ik zit nou net lekker in mijn Hästensbed, nou ga ik er weer niet uit om in mijn tas te kijken.”
“Nou, dan kan ik dus niet lezen.”
“Dan doen we toch wat anders?”
“Wat dan? Een tv hebben we niet. Heb je daar niet op gelet toen je dit hotel uitzocht? Je wist
toch dat het WK Voetbal bezig zou zijn?”
“Jij altijd met je voetbal! We zijn op onze tweede huwelijksreis, Henk.”
“Vanavond speelt Brazilië, wat die allemaal niet kunnen met een bal…”
“Tsja…”
“Wat zeg je?”
“Ik zeg: ‘tsja…’ “
“Hoe bedoel je?”
“Oh niks. Laten we maar gaan slapen.”
Loes Gouweloos
juni 2010
“Wat wil je? Het is 40 jaar geleden.”
“Lekker bed wel. Wat gaan we nu doen?”
“…”
“Zoek je wat?”
“Mijn bril.”
“Je bril?”
“Ja, mijn bril. Ik wil nog wat lezen.”
“Oh…”
“Heb jij mijn bril gezien?”
“Wat wil je dan lezen?”
“Een boek. Waar is trouwens mijn boek gebleven?”
“Welk boek? Ik heb niks gezien.”
“Jij hebt toch de koffer ingepakt? Dat is jouw taak.”
“Lekker makkelijk. En jij maar zitten.”
“Ik heb gereden. Dan hoef jij alleen maar te zitten.”
“Omdat ik van jou geen kaart mag lezen.”
“Truus, daar hebben we het nou al zo vaak over gehad: je kan het niet.”
“Jij ook niet. Maar je bent te koppig om de weg te vragen. Wil ik best doen hoor.
Maar van jou mag het nooit. Daarom hebben we 90 kilometer omgereden.”
“Maar we zijn er wel gekomen. Zonder hulp. En nou heb ik nog steeds mijn bril niet.”
“Heb je hem niet in de lobby laten liggen?”
“De afspraak is: alle losse spullen bewaar jij in je tas. En zit mijn bril in jouw tas?”
“Henk, ik zit nou net lekker in mijn Hästensbed, nou ga ik er weer niet uit om in mijn tas te kijken.”
“Nou, dan kan ik dus niet lezen.”
“Dan doen we toch wat anders?”
“Wat dan? Een tv hebben we niet. Heb je daar niet op gelet toen je dit hotel uitzocht? Je wist
toch dat het WK Voetbal bezig zou zijn?”
“Jij altijd met je voetbal! We zijn op onze tweede huwelijksreis, Henk.”
“Vanavond speelt Brazilië, wat die allemaal niet kunnen met een bal…”
“Tsja…”
“Wat zeg je?”
“Ik zeg: ‘tsja…’ “
“Hoe bedoel je?”
“Oh niks. Laten we maar gaan slapen.”
Loes Gouweloos
juni 2010
columns, verhalen, essays, gedichten
Klein leed,
m/v
donderdag 1 april 2010
Trilloes
Bloed. Overal bloed. Op de vloer, op het kleed, op mijn kleren, op mijn handen.
Verdwaasd zit ik op de grond. Ik tril van top tot teen. Zo erg dat ik niet kan opstaan.
De klap was dan ook wel hard. Finaal onderuit gegleden, volkomen onverwacht, op een parketvloer die mijn hulp in de huishouding per ongeluk had besprenkeld met meubelspray terwijl ik niet thuis was.
Ik grijp naar mijn nek, die veel pijn doet. Ik voel aan mijn heup, die nog meer pijn doet.
Maar bloeden doet ie niet.
Pas dan voel ik een snerpende pijnscheut aan de zijkant van mijn hoofd. Langzaam dringt tot me door dat ik met mijn hoofd tegen de punt van de massief eikenhouten salontafel ben geknald. Vandaar dat verdwaasde gevoel, vandaar dat trillen, dat ik maar niet onder controle krijg.
Even rustig blijven zitten, zeg ik tegen mezelf.
‘Plop, plop, plop’, hoor ik. Heel snel achter elkaar, als de dikke regendruppels van een naderende onweersbui. Ik kijk naast me op de vloer. Daar ligt een plas bloed, die snel groter wordt door de gestaag vallende druppels.
Druppels die overgaan in een onafgebroken straal bloed.
Paniek. Straks bloed ik dood. Ik ben alleen thuis. Niemand weet dat ik hier lig. Hulp, ik heb snel hulp nodig!
De adrenaline helpt me overeind. Het besef dat snelle actie van levensbelang kan zijn geeft me de helderheid van geest die nodig is om mijn huisarts te bellen.
Nee, ik ben niet buiten bewustzijn geweest.
“Kom dan maar zo snel mogelijk hierheen”, zegt de assistente.
Ik loop naar de keuken, rol een keukendoek op en druk die tegen mijn hoofd.
Een bloedspoor van stoel naar keuken: donkerrode strepen en spatten. In een politiefilm volgt de Chief Inspector zo’n spoor als hij een huis betreedt. Aan het eind van het spoor ligt dan altijd Het Lijk.
Aan het eind van míjn spoor sta ik. Handen, kleren, haren en bril vol bloed, een doek tegen mijn hoofd, maar vooral nog steeds schokkend en trillend. Het wordt erger in plaats van minder, ik kan nauwelijks lopen.
Maar het moet. En autorijden moet ook, met één hand aan het stuur en één hand tegen de steeds roder wordende doek tegen mijn hoofd.
Een kwartier later lig ik op de behandeltafel bij de huisarts. Met twee ‘scheuren’ in mijn hoofd. Het stukje huid tussen die scheuren trekt hij los, wegens infectiegevaar.
Triomfantelijk houdt hij een pincet voor mijn gezicht: “Kijk, dat is het”. Een stuk huid vol bloed en haren.
Gescalpeerd, ik ben gescalpeerd. Ik moet ineens denken aan Winnetou, die deed dat altijd als hij een vijand had overmeesterd. Maar helpen doet die gedachte niet. Integendeel. Mijn getril moet zo langzamerhand meetbaar zijn op de Schaal van Richter
De huisarts hecht mijn wond, checkt mijn schedel en stuurt me weer naar huis.
“Doe het wel even een paar dagen rustig aan”, zegt hij.
Een overbodige mededeling, want ik kan niet anders.
Als ik weer thuiskom, tril ik nog steeds zo dat ik nauwelijks in staat ben het bloed op mijn vloer op te dweilen.’s Nacht gaat het trillen gewoon door, de volgende dag ook. En de dag daarna nog steeds.
Watje!, bijt ik mezelf toe, je bent er nog goed vanaf gekomen, doe toch normaal!
Maar het helpt niet. Al mijn afspraken zeg ik af, een vriendin doet boodschappen, ik kan niets. Alleen maar bibberen en schokken en trillen.
Pas na drie dagen wordt het wat minder.
En na een week ben ik weer mezelf. Het trillen is eindelijk over.
Een gelukzalige dag. He he…
Op diezelfde dag meld ik me weer bij de huisartsenpraktijk, alwaar de assistente de hechtingen zal verwijderen. Ik heb haar nog nooit eerder gezien – zeker een nieuwe.
“Hallo, ik ben Loes’, zegt ze.
“Ik ook”.
Aanmerkelijk meer relaxed dan een week geleden ga ik liggen op dezelfde behandeltafel.De assistente hangt een oogverblindende lamp boven mijn hoofd en pakt haar onthechtingstang.
“Oei, er zit wel een dikke korst zeg, ik kan de hechtingen haast niet te pakken krijgen.”
Haar hoofd hangt vlak boven het mijne, haar mond boven mijn oor. Ik hoor dat ze sneller gaat ademen. De spanning stijgt. Dit keer niet bij mij, maar wel bij mijn naamgenoot.
Ik hoor knipgeluiden, en een steeds snellere ademhaling. En ik voel dat haar hand begint te trillen.
“Rustig aan joh, we hebben alle tijd”, probeer ik haar gerust te stellen.
Tevergeefs. Na een kwartier heeft ze er nog steeds geen enkele hechting uit. Ze stopt ermee.
Ik kijk omhoog en zie een Loes die staat te bibberen van onzekerheid en angst. Paniek in haar ogen en zweet op haar voorhoofd.
“Ik ga mijn collega erbij halen”.
Even later komt ze terug, in het kielzog van een omvangrijke, kordate dame van middelbare leeftijd met een blik in haar ogen die zegt dat zij dit varkentje wel eens even zal wassen. Ongetwijfeld een voormalig verpleegkundige.
“Knip, knip, knip”, hoor ik.
En dan: “Zo, ze zijn eruit. Ziet er netjes uit.”
“Goh, wat knap…” verzucht Loes, terwijl haar kloeke collega alweer de deur uitmarcheert.
Ik voel haar denken: wat ben ik stom, zo goed zal ik het nooit leren…
Als ik haar de hand druk, voel ik dat ze nog steeds trilt als een rietje.
“Veel sterkte hoor”, zegt ze als ik wegloop – meer tegen zichzelf dan tegen mij.
Met hernieuwde kracht wandel ik licht als een veertje weer naar buiten. Verlost van mijn hechtingen, geniet ik van de wind in mijn haren.
Deze Loes is weer helemaal de oude: zo fit als een hoentje, geen getril meer, geen gebibber.
Nu die andere nog.
Loes Gouweloos
Verdwaasd zit ik op de grond. Ik tril van top tot teen. Zo erg dat ik niet kan opstaan.
De klap was dan ook wel hard. Finaal onderuit gegleden, volkomen onverwacht, op een parketvloer die mijn hulp in de huishouding per ongeluk had besprenkeld met meubelspray terwijl ik niet thuis was.
Ik grijp naar mijn nek, die veel pijn doet. Ik voel aan mijn heup, die nog meer pijn doet.
Maar bloeden doet ie niet.
Pas dan voel ik een snerpende pijnscheut aan de zijkant van mijn hoofd. Langzaam dringt tot me door dat ik met mijn hoofd tegen de punt van de massief eikenhouten salontafel ben geknald. Vandaar dat verdwaasde gevoel, vandaar dat trillen, dat ik maar niet onder controle krijg.
Even rustig blijven zitten, zeg ik tegen mezelf.
‘Plop, plop, plop’, hoor ik. Heel snel achter elkaar, als de dikke regendruppels van een naderende onweersbui. Ik kijk naast me op de vloer. Daar ligt een plas bloed, die snel groter wordt door de gestaag vallende druppels.
Druppels die overgaan in een onafgebroken straal bloed.
Paniek. Straks bloed ik dood. Ik ben alleen thuis. Niemand weet dat ik hier lig. Hulp, ik heb snel hulp nodig!
De adrenaline helpt me overeind. Het besef dat snelle actie van levensbelang kan zijn geeft me de helderheid van geest die nodig is om mijn huisarts te bellen.
Nee, ik ben niet buiten bewustzijn geweest.
“Kom dan maar zo snel mogelijk hierheen”, zegt de assistente.
Ik loop naar de keuken, rol een keukendoek op en druk die tegen mijn hoofd.
Een bloedspoor van stoel naar keuken: donkerrode strepen en spatten. In een politiefilm volgt de Chief Inspector zo’n spoor als hij een huis betreedt. Aan het eind van het spoor ligt dan altijd Het Lijk.
Aan het eind van míjn spoor sta ik. Handen, kleren, haren en bril vol bloed, een doek tegen mijn hoofd, maar vooral nog steeds schokkend en trillend. Het wordt erger in plaats van minder, ik kan nauwelijks lopen.
Maar het moet. En autorijden moet ook, met één hand aan het stuur en één hand tegen de steeds roder wordende doek tegen mijn hoofd.
Een kwartier later lig ik op de behandeltafel bij de huisarts. Met twee ‘scheuren’ in mijn hoofd. Het stukje huid tussen die scheuren trekt hij los, wegens infectiegevaar.
Triomfantelijk houdt hij een pincet voor mijn gezicht: “Kijk, dat is het”. Een stuk huid vol bloed en haren.
Gescalpeerd, ik ben gescalpeerd. Ik moet ineens denken aan Winnetou, die deed dat altijd als hij een vijand had overmeesterd. Maar helpen doet die gedachte niet. Integendeel. Mijn getril moet zo langzamerhand meetbaar zijn op de Schaal van Richter
De huisarts hecht mijn wond, checkt mijn schedel en stuurt me weer naar huis.
“Doe het wel even een paar dagen rustig aan”, zegt hij.
Een overbodige mededeling, want ik kan niet anders.
Als ik weer thuiskom, tril ik nog steeds zo dat ik nauwelijks in staat ben het bloed op mijn vloer op te dweilen.’s Nacht gaat het trillen gewoon door, de volgende dag ook. En de dag daarna nog steeds.
Watje!, bijt ik mezelf toe, je bent er nog goed vanaf gekomen, doe toch normaal!
Maar het helpt niet. Al mijn afspraken zeg ik af, een vriendin doet boodschappen, ik kan niets. Alleen maar bibberen en schokken en trillen.
Pas na drie dagen wordt het wat minder.
En na een week ben ik weer mezelf. Het trillen is eindelijk over.
Een gelukzalige dag. He he…
Op diezelfde dag meld ik me weer bij de huisartsenpraktijk, alwaar de assistente de hechtingen zal verwijderen. Ik heb haar nog nooit eerder gezien – zeker een nieuwe.
“Hallo, ik ben Loes’, zegt ze.
“Ik ook”.
Aanmerkelijk meer relaxed dan een week geleden ga ik liggen op dezelfde behandeltafel.De assistente hangt een oogverblindende lamp boven mijn hoofd en pakt haar onthechtingstang.
“Oei, er zit wel een dikke korst zeg, ik kan de hechtingen haast niet te pakken krijgen.”
Haar hoofd hangt vlak boven het mijne, haar mond boven mijn oor. Ik hoor dat ze sneller gaat ademen. De spanning stijgt. Dit keer niet bij mij, maar wel bij mijn naamgenoot.
Ik hoor knipgeluiden, en een steeds snellere ademhaling. En ik voel dat haar hand begint te trillen.
“Rustig aan joh, we hebben alle tijd”, probeer ik haar gerust te stellen.
Tevergeefs. Na een kwartier heeft ze er nog steeds geen enkele hechting uit. Ze stopt ermee.
Ik kijk omhoog en zie een Loes die staat te bibberen van onzekerheid en angst. Paniek in haar ogen en zweet op haar voorhoofd.
“Ik ga mijn collega erbij halen”.
Even later komt ze terug, in het kielzog van een omvangrijke, kordate dame van middelbare leeftijd met een blik in haar ogen die zegt dat zij dit varkentje wel eens even zal wassen. Ongetwijfeld een voormalig verpleegkundige.
“Knip, knip, knip”, hoor ik.
En dan: “Zo, ze zijn eruit. Ziet er netjes uit.”
“Goh, wat knap…” verzucht Loes, terwijl haar kloeke collega alweer de deur uitmarcheert.
Ik voel haar denken: wat ben ik stom, zo goed zal ik het nooit leren…
Als ik haar de hand druk, voel ik dat ze nog steeds trilt als een rietje.
“Veel sterkte hoor”, zegt ze als ik wegloop – meer tegen zichzelf dan tegen mij.
Met hernieuwde kracht wandel ik licht als een veertje weer naar buiten. Verlost van mijn hechtingen, geniet ik van de wind in mijn haren.
Deze Loes is weer helemaal de oude: zo fit als een hoentje, geen getril meer, geen gebibber.
Nu die andere nog.
Loes Gouweloos
columns, verhalen, essays, gedichten
Klein leed,
Lijf en leden
Vrije jongens
“Goedemiddag mevroh, mag ik u wat vrage?”Voor me staat een bleke jongeman met een gezicht vol acnebulten en dunne haren die stijf achterovergekamd zijn met behulp van een grote hoeveelheid gel.
Een paar meter achter hem staat zijn maat, met net zo veel acne en gel, en gehuld in een zelfde rood jack. Als hij zich omdraait zie ik op zijn rug staan: ‘Jansen & Van Doorn’.
Maar voor mij zijn de twee heren Jacobse & Van Es anno 2010.
Zeker als ze op slijmerige toon verder vragen: “Mevroh, is die mooie nieuwe auto van u?”
Met een vinger waarvan de nagel tot op het vlees is afgekloven wijst Jacobse naar mijn inderdaad nieuwe auto, die ik een paar meter verderop net heb neergezet op de parkeerplaats bij de supermarkt.
Ik kan niet anders dan bevestigend antwoorden.
“Mevroh, hep u wellicht putjes in uw voorruit? Die kennen wij namelijk in no time repareren terwijl u boodschappen aan het doen ben. U ken bij ons contant betalen en de rekening opsturen naar de verzekering. Want met zo’n nieuwe auto ben u toch zeker all risk verzekerd?”
Opnieuw kan ik alleen maar bevestigend antwoorden.
Maar putjes in mijn voorruit? Nee, die heb ik niet.
“Vin u het goed als ik toch effe kijk mevroh?” Nog voordat ik opnieuw bevestigend – of ontkennend – heb kunnen antwoorden, staat hij al bij mijn auto. Hij haalt zijn hand uit zijn zak. Vergis ik me, of zie ik in een flits even iets glinsteren?
Dan buigt hij zich over mijn voorruit. Ik loop naar hem toe om mee te kijken. Snel steekt hij zijn hand weer in zijn zak, en dan kijkt hij me zorgelijk aan, met diepe rimpels in zijn bleke voorhoofd.
“Ik dacht het wel mevroh. Een putje, kijkt u maar…”
Hij wijst naar de plek die hij zojuist heeft bekeken. Pas als ik mijn neus bijna tegen de ruit druk, zie ik inderdaad een minuscuul klein putje.
“Dat stelt toch niks voor?”, zeg ik zo minachtend mogelijk.
Hoofdschuddend om zo veel onbegrip, antwoordt hij: “Dat denkt u misschien. Maar als het zo koud blijft als nu en u draait in de auto lekker de verwarming aan, dan ontstaat er zo’n groot temperatuurverschil dat de ruit ken klappen op zijn zwakste plek. En dat is dat putje. Levensgevaarlijk mevroh, van het ene moment op het andere is dan uw hele voorruit verbrijzeld en ken u niks meer zien. Dus wij adviseren u echt om uw ruit nu direct te laten repareren!”
Achter hem knikt zijn maat bevestigend, met net zulke diepe zorgrimpels in zijn net zo bleke voorhoofd.
Bijna voel ik me als de vrouw die zich liet overhalen haar tuin winterhard te laten maken door Jacobse & Van Es.
Maar juist dankzij die vrouw ben ik een gewaarschuwde mevroh. En die telt voor twee. Dus ik trap er niet in.
“Bedankt voor jullie zorgen, maar ik doe het niet. Ik neem het risico. Zonder risico’s kun je niet leven, toch?”
Hoofdschuddend druipen de heren af.
Als ik een half uurtje later met twee volle boodschappentassen terugkeer op de parkeerplaats, zie ik het tweetal weer staan. Ze zien mij niet want ze staan geconcentreerd te kijken naar een glimmende nieuwe Renault Espace die bezig is te parkeren.
Als ze zien dat er een dame van middelbare leeftijd uitstapt, stopt Jacobse zijn linkerhand in zijn zak.
Nu zie ik echt heel duidelijk dat hij een scherp, puntig voorwerp vasthoudt, het metaal glinstert in de winterzon.
Gevolgd door van Es, stapt hij op de nietsvermoedende dame af.“Goedemiddag mevroh, mag ik u wat vrage?”
Ik wens mijn lotgenoot toe dat zij ooit een fan was van Van Kooten en De Bie, stap in mijn auto-met-putje-in-de-voorruit, en rijd het parkeerterrein af. De neiging om over de tenen van Jacobse & Van Es heen te rijden kan ik maar net onderdrukken.
Loes Gouweloos
maart 2010
Een paar meter achter hem staat zijn maat, met net zo veel acne en gel, en gehuld in een zelfde rood jack. Als hij zich omdraait zie ik op zijn rug staan: ‘Jansen & Van Doorn’.
Maar voor mij zijn de twee heren Jacobse & Van Es anno 2010.
Zeker als ze op slijmerige toon verder vragen: “Mevroh, is die mooie nieuwe auto van u?”
Met een vinger waarvan de nagel tot op het vlees is afgekloven wijst Jacobse naar mijn inderdaad nieuwe auto, die ik een paar meter verderop net heb neergezet op de parkeerplaats bij de supermarkt.
Ik kan niet anders dan bevestigend antwoorden.
“Mevroh, hep u wellicht putjes in uw voorruit? Die kennen wij namelijk in no time repareren terwijl u boodschappen aan het doen ben. U ken bij ons contant betalen en de rekening opsturen naar de verzekering. Want met zo’n nieuwe auto ben u toch zeker all risk verzekerd?”
Opnieuw kan ik alleen maar bevestigend antwoorden.
Maar putjes in mijn voorruit? Nee, die heb ik niet.
“Vin u het goed als ik toch effe kijk mevroh?” Nog voordat ik opnieuw bevestigend – of ontkennend – heb kunnen antwoorden, staat hij al bij mijn auto. Hij haalt zijn hand uit zijn zak. Vergis ik me, of zie ik in een flits even iets glinsteren?
Dan buigt hij zich over mijn voorruit. Ik loop naar hem toe om mee te kijken. Snel steekt hij zijn hand weer in zijn zak, en dan kijkt hij me zorgelijk aan, met diepe rimpels in zijn bleke voorhoofd.
“Ik dacht het wel mevroh. Een putje, kijkt u maar…”
Hij wijst naar de plek die hij zojuist heeft bekeken. Pas als ik mijn neus bijna tegen de ruit druk, zie ik inderdaad een minuscuul klein putje.
“Dat stelt toch niks voor?”, zeg ik zo minachtend mogelijk.
Hoofdschuddend om zo veel onbegrip, antwoordt hij: “Dat denkt u misschien. Maar als het zo koud blijft als nu en u draait in de auto lekker de verwarming aan, dan ontstaat er zo’n groot temperatuurverschil dat de ruit ken klappen op zijn zwakste plek. En dat is dat putje. Levensgevaarlijk mevroh, van het ene moment op het andere is dan uw hele voorruit verbrijzeld en ken u niks meer zien. Dus wij adviseren u echt om uw ruit nu direct te laten repareren!”
Achter hem knikt zijn maat bevestigend, met net zulke diepe zorgrimpels in zijn net zo bleke voorhoofd.
Bijna voel ik me als de vrouw die zich liet overhalen haar tuin winterhard te laten maken door Jacobse & Van Es.
Maar juist dankzij die vrouw ben ik een gewaarschuwde mevroh. En die telt voor twee. Dus ik trap er niet in.
“Bedankt voor jullie zorgen, maar ik doe het niet. Ik neem het risico. Zonder risico’s kun je niet leven, toch?”
Hoofdschuddend druipen de heren af.
Als ik een half uurtje later met twee volle boodschappentassen terugkeer op de parkeerplaats, zie ik het tweetal weer staan. Ze zien mij niet want ze staan geconcentreerd te kijken naar een glimmende nieuwe Renault Espace die bezig is te parkeren.
Als ze zien dat er een dame van middelbare leeftijd uitstapt, stopt Jacobse zijn linkerhand in zijn zak.
Nu zie ik echt heel duidelijk dat hij een scherp, puntig voorwerp vasthoudt, het metaal glinstert in de winterzon.
Gevolgd door van Es, stapt hij op de nietsvermoedende dame af.“Goedemiddag mevroh, mag ik u wat vrage?”
Ik wens mijn lotgenoot toe dat zij ooit een fan was van Van Kooten en De Bie, stap in mijn auto-met-putje-in-de-voorruit, en rijd het parkeerterrein af. De neiging om over de tenen van Jacobse & Van Es heen te rijden kan ik maar net onderdrukken.
Loes Gouweloos
maart 2010
columns, verhalen, essays, gedichten
Klein leed
Abonneren op:
Posts (Atom)