donderdag 1 april 2010

Trilloes

Bloed. Overal bloed. Op de vloer, op het kleed, op mijn kleren, op mijn handen.
Verdwaasd zit ik op de grond. Ik tril van top tot teen. Zo erg dat ik niet kan opstaan.

De klap was dan ook wel hard. Finaal onderuit gegleden, volkomen onverwacht, op een parketvloer die mijn hulp in de huishouding per ongeluk had besprenkeld met meubelspray terwijl ik niet thuis was.
Ik grijp naar mijn nek, die veel pijn doet. Ik voel aan mijn heup, die nog meer pijn doet.
Maar bloeden doet ie niet.

Pas dan voel ik een snerpende pijnscheut aan de zijkant van mijn hoofd. Langzaam dringt tot me door dat ik met mijn hoofd tegen de punt van de massief eikenhouten salontafel ben geknald. Vandaar dat verdwaasde gevoel, vandaar dat trillen, dat ik maar niet onder controle krijg.
Even rustig blijven zitten, zeg ik tegen mezelf.

‘Plop, plop, plop’, hoor ik. Heel snel achter elkaar, als de dikke regendruppels van een naderende onweersbui. Ik kijk naast me op de vloer. Daar ligt een plas bloed, die snel groter wordt door de gestaag vallende druppels.
Druppels die overgaan in een onafgebroken straal bloed.

Paniek. Straks bloed ik dood. Ik ben alleen thuis. Niemand weet dat ik hier lig. Hulp, ik heb snel hulp nodig!
De adrenaline helpt me overeind. Het besef dat snelle actie van levensbelang kan zijn geeft me de helderheid van geest die nodig is om mijn huisarts te bellen.
Nee, ik ben niet buiten bewustzijn geweest.
“Kom dan maar zo snel mogelijk hierheen”, zegt de assistente.
Ik loop naar de keuken, rol een keukendoek op en druk die tegen mijn hoofd.
Een bloedspoor van stoel naar keuken: donkerrode strepen en spatten. In een politiefilm volgt de Chief Inspector zo’n spoor als hij een huis betreedt. Aan het eind van het spoor ligt dan altijd Het Lijk.

Aan het eind van míjn spoor sta ik. Handen, kleren, haren en bril vol bloed, een doek tegen mijn hoofd, maar vooral nog steeds schokkend en trillend. Het wordt erger in plaats van minder, ik kan nauwelijks lopen.
Maar het moet. En autorijden moet ook, met één hand aan het stuur en één hand tegen de steeds roder wordende doek tegen mijn hoofd.

Een kwartier later lig ik op de behandeltafel bij de huisarts. Met twee ‘scheuren’ in mijn hoofd. Het stukje huid tussen die scheuren trekt hij los, wegens infectiegevaar.
Triomfantelijk houdt hij een pincet voor mijn gezicht: “Kijk, dat is het”. Een stuk huid vol bloed en haren.
Gescalpeerd, ik ben gescalpeerd. Ik moet ineens denken aan Winnetou, die deed dat altijd als hij een vijand had overmeesterd. Maar helpen doet die gedachte niet. Integendeel. Mijn getril moet zo langzamerhand meetbaar zijn op de Schaal van Richter

De huisarts hecht mijn wond, checkt mijn schedel en stuurt me weer naar huis.
“Doe het wel even een paar dagen rustig aan”, zegt hij.
Een overbodige mededeling, want ik kan niet anders.
Als ik weer thuiskom, tril ik nog steeds zo dat ik nauwelijks in staat ben het bloed op mijn vloer op te dweilen.’s Nacht gaat het trillen gewoon door, de volgende dag ook. En de dag daarna nog steeds.
Watje!, bijt ik mezelf toe, je bent er nog goed vanaf gekomen, doe toch normaal!
Maar het helpt niet. Al mijn afspraken zeg ik af, een vriendin doet boodschappen, ik kan niets. Alleen maar bibberen en schokken en trillen.
Pas na drie dagen wordt het wat minder.
En na een week ben ik weer mezelf. Het trillen is eindelijk over.
Een gelukzalige dag. He he…

Op diezelfde dag meld ik me weer bij de huisartsenpraktijk, alwaar de assistente de hechtingen zal verwijderen. Ik heb haar nog nooit eerder gezien – zeker een nieuwe.
“Hallo, ik ben Loes’, zegt ze.
“Ik ook”.

Aanmerkelijk meer relaxed dan een week geleden ga ik liggen op dezelfde behandeltafel.De assistente hangt een oogverblindende lamp boven mijn hoofd en pakt haar onthechtingstang.
“Oei, er zit wel een dikke korst zeg, ik kan de hechtingen haast niet te pakken krijgen.”
Haar hoofd hangt vlak boven het mijne, haar mond boven mijn oor. Ik hoor dat ze sneller gaat ademen. De spanning stijgt. Dit keer niet bij mij, maar wel bij mijn naamgenoot.
Ik hoor knipgeluiden, en een steeds snellere ademhaling. En ik voel dat haar hand begint te trillen.
“Rustig aan joh, we hebben alle tijd”, probeer ik haar gerust te stellen.
Tevergeefs. Na een kwartier heeft ze er nog steeds geen enkele hechting uit. Ze stopt ermee.
Ik kijk omhoog en zie een Loes die staat te bibberen van onzekerheid en angst. Paniek in haar ogen en zweet op haar voorhoofd.
“Ik ga mijn collega erbij halen”.

Even later komt ze terug, in het kielzog van een omvangrijke, kordate dame van middelbare leeftijd met een blik in haar ogen die zegt dat zij dit varkentje wel eens even zal wassen. Ongetwijfeld een voormalig verpleegkundige.
“Knip, knip, knip”, hoor ik.
En dan: “Zo, ze zijn eruit. Ziet er netjes uit.”
“Goh, wat knap…” verzucht Loes, terwijl haar kloeke collega alweer de deur uitmarcheert.
Ik voel haar denken: wat ben ik stom, zo goed zal ik het nooit leren…
Als ik haar de hand druk, voel ik dat ze nog steeds trilt als een rietje.
“Veel sterkte hoor”, zegt ze als ik wegloop – meer tegen zichzelf dan tegen mij.

Met hernieuwde kracht wandel ik licht als een veertje weer naar buiten. Verlost van mijn hechtingen, geniet ik van de wind in mijn haren.
Deze Loes is weer helemaal de oude: zo fit als een hoentje, geen getril meer, geen gebibber.
Nu die andere nog.







Loes Gouweloos

Geen opmerkingen: