zaterdag 9 oktober 2010

Bang bang!

Zodra de ingang van de Maastunnel in zicht komt, duik ik omlaag. Met mijn gezicht in mijn moeders schoot, lig ik te trillen van angst terwijl de bus de lange kilometer aflegt van Rotterdam-Noord naar Rotterdam-Zuid. Bang, bang, bang.
Pas als mijn moeder zegt dat we de tunnel weer uit zijn, kom ik overeind. Met het zweet op mijn rug.

Ik ben zes jaar, hooguit. En nu ben ik bijna zestig.
Maar sommige dingen veranderen nooit. Zoals angst voor kleine ruimtes: heb ik altijd gehad. Liften, tunnels, volle warenhuizen: het liefst vermijd ik ze. En als ze onvermijdelijk zijn, stap ik zo snel mogelijk en opgelucht weer naar buiten.
In de loop van mijn leven heb ik geleerd mijn angst in toom te houden. Letten op mijn ademhaling, een afleidend gesprekje aanknopen, mezelf kalmerend toespreken. Er valt mee te leven.

Maar het gaat nooit over.Dat blijkt als mij wordt meegedeeld dat er een MRI-scan moet worden gemaakt van mijn rug. Helse rugpijn, tintelende voeten, en een verontrustende röntgenfoto: er is geen ontkomen meer aan. Ik moet een half uur lang in een smalle, nauwe koker liggen. Hiermee vergeleken is de Maastunnel een zee van ruimte. De scanner is beklemmend nauw, benauwend warm, en ik moet er niet één maar dertig minuten in. Opgesloten, onbeweeglijk, en moederziel alleen.

Menigeen draait er zijn hand niet voor om. Maar ik, overtuigd claustrofoob, heb er slapeloze nachten van. Opnieuw bang, bang, bang.
Ik probeer mezelf kalmerend toe te spreken: Wat kan er nou helemaal gebeuren? Je ligt daar goed, met een alarmknop in je hand, en het duurt maar een half uurtje. Wat is nou een half uurtje op een mensenleven?
Ik probeer mezelf vermanend toe te spreken: Stel je toch niet aan! Je hebt veel ergere dingen meegemaakt, daarbij vergeleken is dit toch niets?
En ik probeer mezelf streng toe te spreken: Denk eens aan die 33 Chileense mijnwerkers! Die zitten al twee maanden opgesloten in een donker hol op 700 meter diepte. En hoor je hen klagen? Nee. Schaam je!

Dat doe ik ook, ik schaam me. Maar ook dat helpt niet. Ik ben en blijf doodsbang, hier is geen kruid noch gezond verstand tegen gewassen.
Ik moet een week wachten. Een week die lijkt op een jaar.

Dan is het zover. Met een paar oxazepammetjes achter de kiezen, en een dierbare vriendin ter geruststelling aan mijn zij, arriveer ik in het ziekenhuis. Met in mijn tas een cd met jaren ’60-hits.
Want ik krijg een koptelefoon op met muziek, omdat de scanner kennelijk een beetje herrie maakt.

Een beetje herrie? Een beetje herrie?!
Terwijl ik nog één keer diep inadem en me mentaal instel op mijn gevreesde verblijf in de inderdaad zeer nauwe koker, begint mijn eerste jaren ’60 hit. Freddie & The Dreamers: leuk. Maar Freddie is nog maar nauwelijks begonnen met zingen, of er barst een hels lawaai los.
Een bromtoon met de sterkte van honderd stofzuigers. De zoetgevooisde klanken van Freddie en zijn Dreamers worden volledig weggedrukt door Nilfisk de Noorman.

Nauwelijks ben ik van de schrik bekomen, of ik hoor de scandame door mijn koptelefoon: “Zo Mevrouw Gouweloos, dit was de eerste serie. Ik ga even de platen verwisselen, en dan komt er een serie van drie minuten. Die maakt wat meer herrie dan de vorige.

”Nog meer herrie?! Ik heb de neiging mijn koptelefoon nog harder tegen mijn oren te drukken. Maar de tunnel is veel te smal om mijn handen omhoog te brengen. Het enige dat ik kan bewegen zijn mijn ogen. Die doe ik dus maar dicht. Ondanks het feit dat men mij als claustrofoob zo heeft neergelegd dat mijn hoofd een klein stukje buiten de scanner uitsteekt. Daardoor kan ik, als ik mijn ogen omhoog draai, nog net een spleetje zien van de ruimte buiten het apparaat. Maar toch sluit ik mijn ogen, om nog enig gevoel van controle te hebben.

Een goed besluit, want zo kan ik des te intenser genieten van het geluid van een mitrailleursalvo van Uruzganachtige proporties, dat drie minuten lang mijn oren teistert. Ik knijp mijn ogen nog stijver dicht.
Net op tijd voor de volgende serie: gedurende vier minuten lijkt het alsof vlak naast me de gloednieuwe bladblazer van mijn buurman staat te loeien.
“Gaat goed hoor, mevrouw Gouweloos”, zegt de scandame quasi opgewekt.
Hierna volgt een stationair draaiende vrachtwagen. Twee keer achter elkaar. In de pauze tussen de twee series hoor ik net een paar maten van Herman’s Hermits: ‘There’s a kind of hush’. Hush? Ik dacht het niet.

Ha, daar is weer mijn MRI-meisje: “Mevrouw Gouweloos, ik schuif u nu wat dieper de tunnel in. Nu kunt u helaas niet meer naar buiten kijken.” Dat is niet volgens afspraak, maar het dringt nauwelijks tot me door. Ik heb het veel te druk met luisteren en met angstig afwachten wat de volgende serie me zal brengen.

“Bang bang!”, zingt Cher. Alsof ik dat zelf al niet wist…

De op een na laatste serie barst los. Vlak naast me gaat een bomalarm af. Alarmfase 1.
Toch moet het ergste nog komen. Terwijl de hitte in mijn nauwe tunneltje het kookpunt nadert, wordt er een drilboor aangezet. Een enorme drilboor, middenin mijn hoofd. Ik knijp mijn ogen nog stijver dicht. Meer kan ik niet doen. Maar hoe lang houd ik dit nog vol?!

“Zo, het is klaar. Viel mee hè?”, klinkt het monter. Verdwaasd open ik mijn ogen.
Pas dan slaat mijn oude vertrouwde claustrofobische angst toe. Ik zie alleen nog maar de bovenkant van de tunnel, een paar centimeter boven mijn gezicht. Ik stik!
In paniek grijp ik naar de alarmknop.

Róets! Met een zwierig gebaar, trekt de scandame me op mijn bedslee uit de scanner. Ze verwijdert mijn koptelefoon, geeft me een hand, en voordat ik het weet sta ik weer in de wachtkamer.

“Hoe was het?”, vraagt mijn meegereisde vriendin.
Tja, hoe was het?
Het was uh…Hard, het was hard.

Maar ik heb niet gedacht aan mijn claustrofobie, ik heb niet gezien dat ik in een piepklein, smal benauwend tunneltje lag. Want ik had mijn ogen dicht.Ik ben gered door mitrailleurs, bladblazers, vrachtwagens, alarmzoemers en stofzuigers.

En niet te vergeten door een drilboor. Ik wel. Nu nog mijn lotgenoten, ver weg onder de grond in die Chileense mijn.



Loes Gouweloos
september 2010

Geen opmerkingen: