Bloed. Overal bloed. Op de vloer, op het kleed, op mijn kleren, op mijn handen.
Verdwaasd zit ik op de grond. Ik tril van top tot teen. Zo erg dat ik niet kan opstaan.
De klap was dan ook wel hard. Finaal onderuit gegleden, volkomen onverwacht, op een parketvloer die mijn hulp in de huishouding per ongeluk had besprenkeld met meubelspray terwijl ik niet thuis was.
Ik grijp naar mijn nek, die veel pijn doet. Ik voel aan mijn heup, die nog meer pijn doet.
Maar bloeden doet ie niet.
Pas dan voel ik een snerpende pijnscheut aan de zijkant van mijn hoofd. Langzaam dringt tot me door dat ik met mijn hoofd tegen de punt van de massief eikenhouten salontafel ben geknald. Vandaar dat verdwaasde gevoel, vandaar dat trillen, dat ik maar niet onder controle krijg.
Even rustig blijven zitten, zeg ik tegen mezelf.
‘Plop, plop, plop’, hoor ik. Heel snel achter elkaar, als de dikke regendruppels van een naderende onweersbui. Ik kijk naast me op de vloer. Daar ligt een plas bloed, die snel groter wordt door de gestaag vallende druppels.
Druppels die overgaan in een onafgebroken straal bloed.
Paniek. Straks bloed ik dood. Ik ben alleen thuis. Niemand weet dat ik hier lig. Hulp, ik heb snel hulp nodig!
De adrenaline helpt me overeind. Het besef dat snelle actie van levensbelang kan zijn geeft me de helderheid van geest die nodig is om mijn huisarts te bellen.
Nee, ik ben niet buiten bewustzijn geweest.
“Kom dan maar zo snel mogelijk hierheen”, zegt de assistente.
Ik loop naar de keuken, rol een keukendoek op en druk die tegen mijn hoofd.
Een bloedspoor van stoel naar keuken: donkerrode strepen en spatten. In een politiefilm volgt de Chief Inspector zo’n spoor als hij een huis betreedt. Aan het eind van het spoor ligt dan altijd Het Lijk.
Aan het eind van míjn spoor sta ik. Handen, kleren, haren en bril vol bloed, een doek tegen mijn hoofd, maar vooral nog steeds schokkend en trillend. Het wordt erger in plaats van minder, ik kan nauwelijks lopen.
Maar het moet. En autorijden moet ook, met één hand aan het stuur en één hand tegen de steeds roder wordende doek tegen mijn hoofd.
Een kwartier later lig ik op de behandeltafel bij de huisarts. Met twee ‘scheuren’ in mijn hoofd. Het stukje huid tussen die scheuren trekt hij los, wegens infectiegevaar.
Triomfantelijk houdt hij een pincet voor mijn gezicht: “Kijk, dat is het”. Een stuk huid vol bloed en haren.
Gescalpeerd, ik ben gescalpeerd. Ik moet ineens denken aan Winnetou, die deed dat altijd als hij een vijand had overmeesterd. Maar helpen doet die gedachte niet. Integendeel. Mijn getril moet zo langzamerhand meetbaar zijn op de Schaal van Richter
De huisarts hecht mijn wond, checkt mijn schedel en stuurt me weer naar huis.
“Doe het wel even een paar dagen rustig aan”, zegt hij.
Een overbodige mededeling, want ik kan niet anders.
Als ik weer thuiskom, tril ik nog steeds zo dat ik nauwelijks in staat ben het bloed op mijn vloer op te dweilen.’s Nacht gaat het trillen gewoon door, de volgende dag ook. En de dag daarna nog steeds.
Watje!, bijt ik mezelf toe, je bent er nog goed vanaf gekomen, doe toch normaal!
Maar het helpt niet. Al mijn afspraken zeg ik af, een vriendin doet boodschappen, ik kan niets. Alleen maar bibberen en schokken en trillen.
Pas na drie dagen wordt het wat minder.
En na een week ben ik weer mezelf. Het trillen is eindelijk over.
Een gelukzalige dag. He he…
Op diezelfde dag meld ik me weer bij de huisartsenpraktijk, alwaar de assistente de hechtingen zal verwijderen. Ik heb haar nog nooit eerder gezien – zeker een nieuwe.
“Hallo, ik ben Loes’, zegt ze.
“Ik ook”.
Aanmerkelijk meer relaxed dan een week geleden ga ik liggen op dezelfde behandeltafel.De assistente hangt een oogverblindende lamp boven mijn hoofd en pakt haar onthechtingstang.
“Oei, er zit wel een dikke korst zeg, ik kan de hechtingen haast niet te pakken krijgen.”
Haar hoofd hangt vlak boven het mijne, haar mond boven mijn oor. Ik hoor dat ze sneller gaat ademen. De spanning stijgt. Dit keer niet bij mij, maar wel bij mijn naamgenoot.
Ik hoor knipgeluiden, en een steeds snellere ademhaling. En ik voel dat haar hand begint te trillen.
“Rustig aan joh, we hebben alle tijd”, probeer ik haar gerust te stellen.
Tevergeefs. Na een kwartier heeft ze er nog steeds geen enkele hechting uit. Ze stopt ermee.
Ik kijk omhoog en zie een Loes die staat te bibberen van onzekerheid en angst. Paniek in haar ogen en zweet op haar voorhoofd.
“Ik ga mijn collega erbij halen”.
Even later komt ze terug, in het kielzog van een omvangrijke, kordate dame van middelbare leeftijd met een blik in haar ogen die zegt dat zij dit varkentje wel eens even zal wassen. Ongetwijfeld een voormalig verpleegkundige.
“Knip, knip, knip”, hoor ik.
En dan: “Zo, ze zijn eruit. Ziet er netjes uit.”
“Goh, wat knap…” verzucht Loes, terwijl haar kloeke collega alweer de deur uitmarcheert.
Ik voel haar denken: wat ben ik stom, zo goed zal ik het nooit leren…
Als ik haar de hand druk, voel ik dat ze nog steeds trilt als een rietje.
“Veel sterkte hoor”, zegt ze als ik wegloop – meer tegen zichzelf dan tegen mij.
Met hernieuwde kracht wandel ik licht als een veertje weer naar buiten. Verlost van mijn hechtingen, geniet ik van de wind in mijn haren.
Deze Loes is weer helemaal de oude: zo fit als een hoentje, geen getril meer, geen gebibber.
Nu die andere nog.
Loes Gouweloos
donderdag 1 april 2010
Vrije jongens
“Goedemiddag mevroh, mag ik u wat vrage?”Voor me staat een bleke jongeman met een gezicht vol acnebulten en dunne haren die stijf achterovergekamd zijn met behulp van een grote hoeveelheid gel.
Een paar meter achter hem staat zijn maat, met net zo veel acne en gel, en gehuld in een zelfde rood jack. Als hij zich omdraait zie ik op zijn rug staan: ‘Jansen & Van Doorn’.
Maar voor mij zijn de twee heren Jacobse & Van Es anno 2010.
Zeker als ze op slijmerige toon verder vragen: “Mevroh, is die mooie nieuwe auto van u?”
Met een vinger waarvan de nagel tot op het vlees is afgekloven wijst Jacobse naar mijn inderdaad nieuwe auto, die ik een paar meter verderop net heb neergezet op de parkeerplaats bij de supermarkt.
Ik kan niet anders dan bevestigend antwoorden.
“Mevroh, hep u wellicht putjes in uw voorruit? Die kennen wij namelijk in no time repareren terwijl u boodschappen aan het doen ben. U ken bij ons contant betalen en de rekening opsturen naar de verzekering. Want met zo’n nieuwe auto ben u toch zeker all risk verzekerd?”
Opnieuw kan ik alleen maar bevestigend antwoorden.
Maar putjes in mijn voorruit? Nee, die heb ik niet.
“Vin u het goed als ik toch effe kijk mevroh?” Nog voordat ik opnieuw bevestigend – of ontkennend – heb kunnen antwoorden, staat hij al bij mijn auto. Hij haalt zijn hand uit zijn zak. Vergis ik me, of zie ik in een flits even iets glinsteren?
Dan buigt hij zich over mijn voorruit. Ik loop naar hem toe om mee te kijken. Snel steekt hij zijn hand weer in zijn zak, en dan kijkt hij me zorgelijk aan, met diepe rimpels in zijn bleke voorhoofd.
“Ik dacht het wel mevroh. Een putje, kijkt u maar…”
Hij wijst naar de plek die hij zojuist heeft bekeken. Pas als ik mijn neus bijna tegen de ruit druk, zie ik inderdaad een minuscuul klein putje.
“Dat stelt toch niks voor?”, zeg ik zo minachtend mogelijk.
Hoofdschuddend om zo veel onbegrip, antwoordt hij: “Dat denkt u misschien. Maar als het zo koud blijft als nu en u draait in de auto lekker de verwarming aan, dan ontstaat er zo’n groot temperatuurverschil dat de ruit ken klappen op zijn zwakste plek. En dat is dat putje. Levensgevaarlijk mevroh, van het ene moment op het andere is dan uw hele voorruit verbrijzeld en ken u niks meer zien. Dus wij adviseren u echt om uw ruit nu direct te laten repareren!”
Achter hem knikt zijn maat bevestigend, met net zulke diepe zorgrimpels in zijn net zo bleke voorhoofd.
Bijna voel ik me als de vrouw die zich liet overhalen haar tuin winterhard te laten maken door Jacobse & Van Es.
Maar juist dankzij die vrouw ben ik een gewaarschuwde mevroh. En die telt voor twee. Dus ik trap er niet in.
“Bedankt voor jullie zorgen, maar ik doe het niet. Ik neem het risico. Zonder risico’s kun je niet leven, toch?”
Hoofdschuddend druipen de heren af.
Als ik een half uurtje later met twee volle boodschappentassen terugkeer op de parkeerplaats, zie ik het tweetal weer staan. Ze zien mij niet want ze staan geconcentreerd te kijken naar een glimmende nieuwe Renault Espace die bezig is te parkeren.
Als ze zien dat er een dame van middelbare leeftijd uitstapt, stopt Jacobse zijn linkerhand in zijn zak.
Nu zie ik echt heel duidelijk dat hij een scherp, puntig voorwerp vasthoudt, het metaal glinstert in de winterzon.
Gevolgd door van Es, stapt hij op de nietsvermoedende dame af.“Goedemiddag mevroh, mag ik u wat vrage?”
Ik wens mijn lotgenoot toe dat zij ooit een fan was van Van Kooten en De Bie, stap in mijn auto-met-putje-in-de-voorruit, en rijd het parkeerterrein af. De neiging om over de tenen van Jacobse & Van Es heen te rijden kan ik maar net onderdrukken.
Loes Gouweloos
maart 2010
Een paar meter achter hem staat zijn maat, met net zo veel acne en gel, en gehuld in een zelfde rood jack. Als hij zich omdraait zie ik op zijn rug staan: ‘Jansen & Van Doorn’.
Maar voor mij zijn de twee heren Jacobse & Van Es anno 2010.
Zeker als ze op slijmerige toon verder vragen: “Mevroh, is die mooie nieuwe auto van u?”
Met een vinger waarvan de nagel tot op het vlees is afgekloven wijst Jacobse naar mijn inderdaad nieuwe auto, die ik een paar meter verderop net heb neergezet op de parkeerplaats bij de supermarkt.
Ik kan niet anders dan bevestigend antwoorden.
“Mevroh, hep u wellicht putjes in uw voorruit? Die kennen wij namelijk in no time repareren terwijl u boodschappen aan het doen ben. U ken bij ons contant betalen en de rekening opsturen naar de verzekering. Want met zo’n nieuwe auto ben u toch zeker all risk verzekerd?”
Opnieuw kan ik alleen maar bevestigend antwoorden.
Maar putjes in mijn voorruit? Nee, die heb ik niet.
“Vin u het goed als ik toch effe kijk mevroh?” Nog voordat ik opnieuw bevestigend – of ontkennend – heb kunnen antwoorden, staat hij al bij mijn auto. Hij haalt zijn hand uit zijn zak. Vergis ik me, of zie ik in een flits even iets glinsteren?
Dan buigt hij zich over mijn voorruit. Ik loop naar hem toe om mee te kijken. Snel steekt hij zijn hand weer in zijn zak, en dan kijkt hij me zorgelijk aan, met diepe rimpels in zijn bleke voorhoofd.
“Ik dacht het wel mevroh. Een putje, kijkt u maar…”
Hij wijst naar de plek die hij zojuist heeft bekeken. Pas als ik mijn neus bijna tegen de ruit druk, zie ik inderdaad een minuscuul klein putje.
“Dat stelt toch niks voor?”, zeg ik zo minachtend mogelijk.
Hoofdschuddend om zo veel onbegrip, antwoordt hij: “Dat denkt u misschien. Maar als het zo koud blijft als nu en u draait in de auto lekker de verwarming aan, dan ontstaat er zo’n groot temperatuurverschil dat de ruit ken klappen op zijn zwakste plek. En dat is dat putje. Levensgevaarlijk mevroh, van het ene moment op het andere is dan uw hele voorruit verbrijzeld en ken u niks meer zien. Dus wij adviseren u echt om uw ruit nu direct te laten repareren!”
Achter hem knikt zijn maat bevestigend, met net zulke diepe zorgrimpels in zijn net zo bleke voorhoofd.
Bijna voel ik me als de vrouw die zich liet overhalen haar tuin winterhard te laten maken door Jacobse & Van Es.
Maar juist dankzij die vrouw ben ik een gewaarschuwde mevroh. En die telt voor twee. Dus ik trap er niet in.
“Bedankt voor jullie zorgen, maar ik doe het niet. Ik neem het risico. Zonder risico’s kun je niet leven, toch?”
Hoofdschuddend druipen de heren af.
Als ik een half uurtje later met twee volle boodschappentassen terugkeer op de parkeerplaats, zie ik het tweetal weer staan. Ze zien mij niet want ze staan geconcentreerd te kijken naar een glimmende nieuwe Renault Espace die bezig is te parkeren.
Als ze zien dat er een dame van middelbare leeftijd uitstapt, stopt Jacobse zijn linkerhand in zijn zak.
Nu zie ik echt heel duidelijk dat hij een scherp, puntig voorwerp vasthoudt, het metaal glinstert in de winterzon.
Gevolgd door van Es, stapt hij op de nietsvermoedende dame af.“Goedemiddag mevroh, mag ik u wat vrage?”
Ik wens mijn lotgenoot toe dat zij ooit een fan was van Van Kooten en De Bie, stap in mijn auto-met-putje-in-de-voorruit, en rijd het parkeerterrein af. De neiging om over de tenen van Jacobse & Van Es heen te rijden kan ik maar net onderdrukken.
Loes Gouweloos
maart 2010
columns, verhalen, essays, gedichten
Klein leed
Abonneren op:
Posts (Atom)