zaterdag 17 juli 2010

Inktvis

Een inktvis die helderziend is. Wie gelooft het? Niemand toch zeker?
Maar toch: de Duitse octopus Paul in de dierentuin van Oberhausen heeft een indrukwekkende score. Van zes wedstrijden van het WK Voetbal is hem gevraagd wie de winnaar zal zijn. En zes keer had hij het goed.
Kan dat nog toeval zijn?
En als hij de uitslag kan voorzien, kan hij die dan ook beïnvloeden?

Dat is niet te hopen, want voor de finale Spanje-Nederland kent Paul geen genade. Als hij moet kiezen tussen een mossel in een potje met een Spaans vlaggetje erop en een met de Nederlandse driekleur, dwarrelt hij vastberaden richting Spaanse mossel...

Na een slechte, keiharde finale die alleen spannend is voor wie partijdig is, wint Spanje met 1-0. Nederland schopt meer naar de tegenstander dan naar de bal, dus het recht heeft gezegevierd. En de inktvis had opnieuw gelijk.
Balen voor alle Oranjesupporters. Al onze derde WK-finale, en alweer verloren. Op het nippertje, in de verlenging. Na een strijd op leven en dood. Wat een teleurstelling. Hoe moeten we dit verwerken?

Terwijl ik treurig voor me uit zit te staren, knalt buiten het vuurwerk. Ingeslagen om de overwinning te vieren, maar bewaren tot Oudejaarsavond is te veel gevraagd.
Dan hoor ik opeens een knal die veel harder is dan alle andere. Mijn oren piepen ervan. De overbuurman met een vuurwerkbom? Maar dan volgt nog een knal, en nog een. Zo oorverdovend hard dat ik weet dat dit iets anders moet zijn. Het lijkt wel een echte bom!

Ik kijk uit het raam.In het schemerdonker loopt een jongen van een jaar of 17 met grote stappen door het parkje.
Opeens draait hij zich om. Hij neemt een aanloop en springt met een hoog gestrekt been tegen een gemeentelijke papierbak aan. Zo hard als hij kan. Zijn schoen raakt het holle metaal met een enorme dreun. De bak wankelt.
Het lijkt op de doodschop die ‘onze’ Nigel de Jong eerder deze avond uitdeelde aan een Spaanse middenvelder. Goed voorbeeld doet goed volgen.
De jongen draait zich om, neemt weer een aanloop, en probeert het opnieuw. Bam!
Na de zesde schop is zijn ergste woede blijkbaar over en ziet hij in dat zijn missie, net als die van Nigel, heilloos is. Spanje heeft gewonnen en de papierbak staat nog steeds overeind.

De jongen springt op zijn fiets, kijkt nog even kwaad achterom, en racet vervolgens de straat uit.
Ik begrijp zijn frustratie. Maar toch, is er nou geen andere manier om je verlies te verwerken?

Van dat verlies van Oranje is de dagen na de finale overigens nauwelijks nog iets te merken. Als onze helden weer voet hebben gezet op Nederlandse bodem, wacht hen een ontvangst bij de koningin, een Koninklijke onderscheiding, een rondvaart door de Amsterdamse grachten en een massale huldiging op het Museumplein.

Een menigte van 200.000 dansende en springende mensen juicht hen toe. Wapperende vlaggen, schallende toeters, veel bier en veel muziek.
En spandoeken:
‘Oranje: bedankt!’
‘Welkom thuis, helden!’
‘De ware kampioenen!’

Dan ontwaar ik tussen al die grote spandoeken een kleiner exemplaar. Het wordt vastgehouden door een vrolijk lachend meisje van een jaar of 17.
Als ik lees wat ze erop heeft gekalkt, denk ik: hè hè, gelukkig, zo kun je ook verliezen.
Het meisje springt, zo hoog als ze kan. Ze lacht opnieuw en strekt haar armen opdat iedereen goed kan lezen wat er op haar spandoek staat:
‘Kutinktvis!’



Loes Gouweloos
juli 2010

woensdag 14 juli 2010

Doodstraf en levenslang

Het is allemaal mijn eigen schuld. Want het was pure hebzucht. En die wordt afgestraft.
Maar had het niet een klein beetje minder gekund?

Een paar jaar geleden werd ik lid van een ouderenbond die zijn leden een voordelige ziektekostenverzekering aanbood. Scheelde al gauw een paar tientjes per maand, mooi meegenomen.
Direct vanaf het begin kreeg ik maandelijks straf voor mijn opportunistische daad. Elke maand ontving ik twee dikke tijdschriften vol artikelen over de goede oude tijd en advertenties voor reisjes langs de Rijn, kunstgebitten, incontinentieluiers en hoor-apparaten.
Een flinke belasting voor mijn papierafvalbak en voor mijn weliswaar niet bejaarde maar toch wel al flink pijnlijke gewrichten.
Al gauw las ik alleen nog de rubriek met persoonlijke berichten. Uit nieuwsgierigheid, om te kijken of er bekenden bij stonden die 80 waren geworden, of 90. Of die wellicht zelfs waren overleden.Vergeefs: ook deze rubriek maakte duidelijk dat ik nog niet tot de doelgroep behoor. Mijn kennissen zijn nog te jong om kans te maken op een vermelding.

Zij wel.

Maar ik niet.
Dat weet ik sinds gisteren.

Rond etenstijd wordt er aangebeld in mijn flat. Voor de deur staat een bejaarde medebewoner. Lijkbleek en met grote schrikogen kijkt hij me aan. Hij zegt niets. Het lijkt wel alsof hij een geest ziet, denk ik nog.
En dat blijkt te kloppen.
“Gelukkig…”, stamelt de oude man,”‘je bent er nog.”
“Natuurlijk. Hoezo?”
Bedremmeld zoekt hij naar woorden. Pas dan zie ik dat hij iets in zijn hand houdt. Het is het blad van ‘mijn’ ouderenbond. Dat blijkt ook zíjn ouderenbond te zijn.
Trillend van emotie houdt hij het blad onder mijn neus. Het is geopend op de pagina met persoonlijke berichten.
Met een bibberende vinger wijst de man naar de rubriek ‘Overleden’.
Ik volg zijn vinger naar omlaag.
En dan zie ik het. Bovenaan het rijtje prijkt mijn naam:
Overleden: Mevrouw L. Gouweloos

Ik kijk nog eens. En nog eens Maar het staat er echt.
Foutje van de bondsadministratie.
Na jaren talmen heb ik enkele weken geleden eindelijk mijn lidmaatschap opgezegd. Want die ziektekostenverzekering van hen heb ik destijds toch maar niet genomen, en ik wilde nu eindelijk eens verlost worden van die twee nietszeggende, zwaarwegende maandelijkse tijdschriften.
Er zijn ongetwijfeld twee namen door elkaar gehaald in de rubriek ‘mutaties’.

Aanvankelijk schater ik het uit.
Maar dan denk ik aan mijn beide ouders, die nog maar pas zijn overleden. Daar gaat alweer een Gouweloos, denk ik. Te snel, te vlug achter elkaar. Rust er een vloek op onze familie?

En dan denk ik aan vrienden en kennissen die wellicht ook lid zijn en die vanavond hun bondsblad zullen openslaan. Wat zullen ze schrikken (dat hoop ik tenminste).
En wat kunnen ze doen? Niets. Mij zullen ze niet bellen om opheldering, want ik ben dood.

Ik probeer de zonzijde te zoeken: ik hoef nu niet meer elke maand die twee dikke tijdschriften door te worstelen en naar de papierbak te brengen.
En verder wil ik er niet meer aan denken. Ik stuur een quasiboos mailtje aan de bond en ga over tot de orde van de dag. Wat gebeurd is, is gebeurd. Er is niets aan te doen.

Maar daar denkt de ouderenbond anders over.
Vanmiddag staat er opnieuw een oudere heer voor mijn deur. Dit keer een vertegenwoordiger van de bond. Hij komt me een groot boeket bloemen brengen en biedt me zijn oprechte excuses aan.

Kopje koffie. Plichtmatig praatje. Nog een kopje koffie. Nogmaals excuses.
Dan stapt hij ‘maar weer eens op’.
Prima.
Maar bij de deur houdt hij zijn pas in.“Och mevrouw, nou vergeet ik nog bijna iets!”
Hij buigt zich moeizaam voorover en opent zijn tas. Met een triomfantelijk gebaar haalt hij daaruit iets tevoorschijn. Het is mijn favoriete lectuur: de twee maandbladen van de ouderenbond.

De bondsvertegenwoordiger legt zijn hand op mijn arm, kijkt me trots aan en zegt op warme toon: “U hebt uw lidmaatschap opgezegd, dus eigenlijk heeft u er geen recht meer op. Maar ik heb speciaal voor u geregeld dat u de rest van uw leven onze bladen blijft ontvangen!”



Loes Gouweloos
juli 2010