maandag 10 oktober 2011

Kleicha

Kleicha. Het eerste Arabische woord dat ik leerde van mijn Irakese vriendin Zairah.
Anderhalf jaar geleden begonnen we met Nederlandse conversatieles, omdat ze zo snel mogelijk haar inburgeringsdiploma wilde behalen. Al pratend, raakten we bevriend.
Intussen leerde ik ook veel van háár. Over de Islam, over de Arabische taal, over haar vlucht voor Saddam Hussein die haar halve familie had uitgemoord. En over eten, want koken was haar passie. Elke week serveerde ze me zelfgebakken kleicha (spreek uit: kleedje), deegballetjes gevuld met pruim. Altijd vers, warm uit de oven.
De ingrediënten kocht ze in een speciaal winkeltje in het centrum van onze woonplaats Alphen aan den Rijn. Maar de rest van haar boodschappen deed ze gewoon in het naburige winkelcentrum, de Ridderhof.

De Ridderhof. Een doorsnee winkelcentrum in een doorsnee nieuwbouwwijk in een doorsnee provinciestad. Maar op 9 april plotseling wereldnieuws. Omdat een niet zo doorsnee Alphenaar er met een automatisch wapen zes mensen doodschoot, zichzelf om het leven bracht, zeventien mensen verwondde, en honderden nietsvermoedende winkelende mensen traumatiseerde. Op een zonnige zaterdagochtend moesten zij opeens rennen voor hun leven.

Een van hen is Zairah. Zij is op weg naar haar wekelijkse bezoek aan de oer-Nederlandse groenteman in de Ridderhof. Dat is zo’n ‘aardige man’, vertelt ze:
“Ik stond op rollende trap. Ik ben bijna boven. Opeens ik hoor: tektektektektek. Ik wist meteen wat het was. Ik ken die geluid, uit mijn land. Mensen zeiden: vuurwerk. Ik weet: nee, schieten! Ik zeg: wij moeten weg, rennen! Maar rollende trap ging omhoog, mensen bleven daarop staan, ik kon niet terug.
Toen ik was boven in winkelcentrum, geluid komt steeds dichterbij. Toen kwamen allemaal mensen aanrennen, ze wilden naar de uitgang. Ik ben meegerend. Langs C1000, naar trap bij uitgang.
Om mij heen gingen alle glazen van de winkels kapot. Steeds meer kogels. Ik heb gebukt achter muurtje en ben toen heel hard de trap afgelopen.
Net op tijd. Maar binnen zijn zoveel mensen doodgegaan en gewond. Zo erg…”

Ik zwijg geschrokken. Stel je toch voor dat Zairah een minuut eerder die roltrap was opgegaan, dan had ze de schietpartij misschien niet overleefd...
Net als haar vriend Nadim, die – ook al ‘zo aardige’ – Syrische meneer die altijd naast haar zat op school tijdens de inburgeringscursus.
Beiden gevlucht uit hun onveilige vaderland. Beiden wilden ze niets liever dan een nieuw bestaan opbouwen in het veilige Nederland.
Maar Nadim is doodgeschoten door een doorgedraaide Nederlandse jongeman, en Zairah is door het oog van de naald gekropen.

“Ben je niet vreselijk geschrokken?”
Ze knikt, met neergeslagen blik.
“Wanneer durfde je weer terug te gaan naar de Ridderhof?
“Ik ben snel weer gegaan”, zegt ze zacht, “direct nadat het weer open was. Zoveel bloemen… Ik moest huilen, voor de mensen die zijn doodgeschoten. Voor Nadim, en ook voor mijn Nederlandse buurman uit de flat. Was moeilijk, maar ik ben toch gegaan, naar mijn groenteman.
Ik heb haar een doos kleicha gegeven. Toen moest zij ook een beetje huilen.”

De volgende dag spreekt de burgemeester tijdens de officiële herdenkingsdienst.
“We gaan samen verder”, zegt hij vastberaden, “de saamhorigheid is heel groot.”

Mijn ouders zeiden wel eens dat het goed zou zijn als het weer eens oorlog werd. Enorm kwaad kon ik daarom worden. Maar nu begrijp ik het.
Een beetje dankzij de burgemeester, maar vooral dankzij Zairah en haar aardige Nederlandse groenteman.


Loes Gouweloos



Kinderliefde

Een vrouw in Harlingen zal dankzij Italiaanse kunstgrepen op 62-jarige leeftijd een kind krijgen. De meeste mensen spreken er schande van. Wat heeft zo’n kind voor toekomst, met een moeder die oud genoeg is om haar oma te zijn? Deze vrouw denkt alleen aan haar eigen plezier, niet aan het belang van het kind. Wat een egoïsme.

Vind ik ook.
Maar wat is het verschil met vrouwen die op 22- of 32-jarige leeftijd een kind ‘nemen’?
Doen die dat uit altruïsme? Of – net zoals deze 62-jarige - omdat het ze leuk lijkt, omdat ze naar een kind verlangen?
Op zich niks mis mee.
Maar kunnen zij hun ongeboren kind allemaal wel een mooie toekomst bieden? Denken ze daar allemaal echt goed over na?

Een vriendin van mij is bewust kinderloos gebleven omdat zij en haar man geen kind wilden neerzetten in een wereld die volgens hen ten onder zal gaan aan overbevolking en milieuvervuiling.
Dus voor hen geen gezin, juist vanwege hun liefde voor kinderen. Puur altruïsme, een moeilijk besluit.
Net zoals het een moeilijk besluit kan zijn voor mensen die om andere redenen geen kinderen nemen, bijvoorbeeld omdat ze zo veel zelfkennis hebben dat ze beseffen dat ze niet geschikt zijn om een kind goed op te voeden, en daar hun consequenties uit trekken. Opnieuw: een moeilijk maar moedig besluit.
Extra wrang is dat deze bewust kinderloze vrouwen vaak weinig begrip ondervinden van mensen met kinderen. Vaak worden juist zij beticht van egoïsme. Ze denken alleen maar aan hun eigen pleziertjes: ze willen reizen, carrière maken, zichzelf ontplooien, een duur huis kopen - en dan is er geen ruimte meer voor een kind.

Allemaal aannames door mensen die zelf vaak minder goed hebben nagedacht over hun eigen besluit om wel kinderen op de wereld te zetten. De pot verwijt de ketel.
Elk geval is verschillend, iedereen maakt zijn eigen afweging. Hopelijk…

Kinderen krijgen overkomt je. Maar kinderen nemen is vaak net zo egoïstisch als geen kinderen nemen.



In alles de liefde

God bestaat niet.
En toch ga ik regelmatig naar de kerk. Niet voor Hem, maar voor iets wat veel hemelser is: muziek.
Dankzij het tanende geloof in de traditionele God, moeten de kerken zich verlagen tot verhuur aan mensen die iets doen waar ik wél in geloof: muziek maken.
En zo zit ik op een druilerige zaterdagmiddag in Nieuwkoop in een mooi intiem kerkje uit de 17e eeuw. Volgepakt met muziekliefhebbers, prachtige akoestiek. Ik voel me er direct thuis.

Thuis. Daar heeft dit warme gevoel óók mee te maken. Het kerkje is een Remonstrants kerkje en mijn moeder kwam uit een Remonstrants nest. Mijn oma had een zuiver, tolerant Godsgeloof, dat mij zelfs als kind ontroerde. Toen een van haar twee dochters jong overleed, sprak mijn oma al na een paar dagen de onvergetelijke woorden: “Ik kan het aanvaarden. Want waar ze nu is, heeft ze het beter dan hier.”  Ze meende het echt. Ik begreep er niets van, maar ik was diep onder de indruk.
Mijn oma’s andere dochter, mijn moeder, verloor haar geloof door toedoen van mijn vader, die geloof en kerk op één hoop gooide: “De grootste huichelaars zitten op de voorste rij”.
Maar haar hele leven lang hield ze een warm plekje in haar hart voor de Remonstrantse Kerk, die haar in haar jeugd warmte, tolerantie en vertrouwen had bijgebracht. Met een dromerige blik in haar grote grijsgroene ogen citeerde ze menigmaal de lijfspreuk van de Remonstranten: ‘Eenheid in het nodige, vrijheid in het niet nodige, in alles de liefde.’ Met de klemtoon op die laatste vier woorden.
“Het woord God komt er niet eens in voor”, zei ze trots en nog steeds vol overtuiging, “maar het woord liefde wel. Daar draait het om.”
Daar draaide het inderdaad om, daar draaide alles om bij mijn moeder. Liefde. En dan vooral voor haar man en kinderen. En met een extra zwak plekje voor mij. Omdat ik, zo vertelde ze, haar eerste kind en haar enige dochter was. Dat schiep een speciale band.
Zo voelde zij dat. En zo voelde ik het ook, ook al wist ik dat toen nog niet.

Nu is mijn moeder alweer drie jaar dood. Maar ik voel haar heel dichtbij als al die herinneringen door mij heengaan terwijl de muziek begint in het kerkje in Nieuwkoop.
Het koor zingt mooi, het publiek klapt mee met een swingende jazzband, het eeuwenoude dak gaat er bijna af. Ik zing mee, vergeet alles en geniet. Een heerlijke middag.

Tevreden neuriënd rijd ik naar huis terug. Daar aangekomen, grijp ik naast me op de passagiersstoel, waar mijn tas altijd ligt.
Maar nu niet. Ik grijp mis. Achterbank? Bagageruimte? Nee, ook niet.
Shit! Ik heb mijn tas in de kerk laten liggen. Met daarin mijn portemonnee. En mijn telefoon. En geld, betaalpas, rijbewijs, zorgpas, autopapieren, reservesleutels, kindgevaarlijke medicijnen.
Paniek! Ik ren mijn huis in en zoek het telefoonnummer van de kerk. Onvindbaar.
Dan maar terugrijden naar Nieuwkoop. Met bonkend hart. Zal de kerk nog open zijn? En zal mijn tas er nog liggen, of heeft iemand hem meegenomen?
Ik dwing mezelf tot kalmte en bedenk een plan A, B en C:
A: De kerk is open, mijn tas ligt er nog, eind goed al goed.
B: De kerk is open, mijn tas is weg. Aangifte doen, betaalpas blokkeren, melden bij de gemeente en de ziektekostenverzekering, nieuw rijbewijs aanvragen. Gedoe, gedoe, gedoe. Gaat maanden duren.
C: De kerk is dicht. Kijken of ik ergens een adres of telefoonnummer zie van de koster.
Aangekomen in Nieuwkoop, parkeer ik mijn auto in de verlaten dorpsstraat, en loop met bonkend  hart het grindpad op naar de ingang van het kerkje. Ik morrel aan de deur. Helaas, op slot.
En er is geen mens te zien. En op de aankondigingen bij de ingang prijkt alleen de naam van de predikant die de volgende dag de dienst zal leiden. Geen telefoonnummer, geen koster.
Door het natte hoge gras loop ik een rondje om de kerk. Prachtige tuin, maar verder niets.
Hierin voorziet noch plan A, noch plan B, noch plan C. Wat nu?

De buren dan maar. Ik bel aan bij een statig herenhuis. De deur wordt geopend door een keurige dame van middelbare leeftijd. Ze leeft direct met me mee. Maar een sleutel? Nee, die heeft ze niet.
“Probeer het eens bij de overbuurvrouw. Die is voorzitter van de kerkenraad. Maar ik weet niet of ze thuis is”.
Ik steek over en bel opnieuw aan. Als deze mevrouw er niet is, dan weet ik het niet meer. Ik betrap mezelf erop dat ik denk: als er een God is, laat hij er dan voor zorgen dat ze thuis is…
En ja hoor, de deur gaat open. Voor me staat een fragiele oudere dame die me glimlachend begroet. De vriendelijkheid straalt ervan af. Door haar glimlach, maar ook door de bijna naïeve, warme blik haar ogen. Dromerige, grijsgroene ogen. Ik huiver, maar weet niet zo gauw waarom.
 “Alsjeblieft, ga maar gauw kijken”. Ze drukt me een sleutel in de hand met een bruin leren label.
Loopt niet met me mee. Ze vertrouwt me blijkbaar in die prachtig onderhouden eeuwenoude kerk.
Ik hoor mijn moeders stem: “Wij Remonstranten geloven in God maar vooral in de goedheid van de mens”.

Opnieuw het knerpende grindpad. Ik steek de sleutel in het slot. De deur kraakt open.
Moederziel alleen stap ik het verlaten kerkje binnen. Een uur geleden nog swingde hier een jazzband, nu hoor ik alleen het geluid van de stilte.
Ik laat mijn blik gaan langs de rijen met kerkbanken. Rij 1, daar heb ik gezeten. De rij waar de grootste huichelaars zitten. En ook tassendieven?
Mijn hart bonkt in mijn keel. Langzaam loop ik door het middenpad naar voren. Als ik bij rij 1 ben, gluur ik met ingehouden adem naar mijn plek op de hoek.
En daar, tegen de muur, staat mijn tas. Precies zoals ik hem heb achtergelaten. En alles zit er nog in. Ondanks mezelf, verzucht ik hardop: “Goddank”...

Opnieuw rijd ik door de regen terug naar Alphen. En dan komen opeens de tranen.
Het is natuurlijk allemaal toeval, ik heb gewoon geluk gehad.
Maar wat had ik nu graag de telefoon gepakt en mijn moeder verteld dat dit natuurlijk géén toeval was. Die mooie middag in een Remonstrantse kerk, mijn tas kwijtraken en ongeschonden terugvinden in diezelfde kerk, die aardige Remonstrantse mevrouw die mij haar vertrouwen had gegeven. Ze zou hebben genoten van mijn opgesmukte verhaal.
Opeens weet ik waarom ik mijn moeder nog steeds zo mis: het was zo makkelijk en zo mooi om haar een plezier te doen. En om haar op die manier iets terug te geven in ruil voor de bakken liefde die ze, ondanks haar tekortkomingen, altijd over me heeft uitgestort.
Zo deden wij dat samen, mijn hele leven lang. En daarom wist ik niet beter. ‘You don’t know what you’ve got until it’s gone’. Pas nu het niet meer kan, nooit meer kan, besef ik hoe mooi het was.
In alles de liefde.
                                                                                                                            Loes Gouweloos, juni 2011


Cruisepret


Sinds ik chronisch vermoeid ben tengevolge van een auto-immuunziekte, zijn mijn vakanties niet meer zoals daarvoor. Geen lange reizen meer naar verre landen. Veel te vermoeiend. Een paar keer per jaar een weekje weg in Nederland of hooguit België, dat gaat nog net.
Maar het blijft vermoeiend. Koffers pakken, de reis, een vreemd bed (altijd te hard of te zacht voor mijn gammele rug), restaurants zoeken, veel lopen, in de rij staan bij attracties en musea.

Een vriend had een tip: een rivierencruise. Echt iets voor mij: je kunt elk moment van de dag even gaan liggen in je hut, al het eten en drinken wordt letterlijk op een presenteerblaadje naar je toe gebracht, je koffer wordt voor je gedragen, en al zittend zie je een prachtig rivierenlandschap voorbijtrekken.
Wat wil je nog meer als je altijd moe bent maar toch eens wat anders wilt zien dan de muren van je eigen huis en de straten van je eigen stad?

Goed idee dus. Ik boekte een zevendaagse cruise door Nederland, en reed een paar maanden later vol goede moed naar het schip dat mij een zorgeloze, relaxte vakantie zou bezorgen.

Daar aangekomen, wacht mij een verrassing. Op de kade wemelt het van de medepassagiers. Maar ook van de rollators, rolstoelen en wandelstokken. Struikelend baan ik me een weg naar mijn hut.
H
è hè
, even liggen… Ik plof neer op mijn bed. Au! Keihard. En maar half zo breed als mijn eigen bed. Terwijl ik probeer me zo te positioneren dat al mijn ledematen binnenboord blijven, stijgt opeens een oorverdovend geronk op. Het komt van beneden, het bromt en het gromt, ik lig te trillen op mijn bed. De oorzaak wordt al gauw duidelijk: mijn hut ligt pal boven de machinekamer. En de machines draaien dag en nacht. Herriestoppers baten niet, deze herrie laat zich niet stoppen. Ik slaap hooguit drie uur per nacht. Een week lang…

Overdag strompel ik slaperig en verdwaasd over het schip. Ik probeer interessante gesprekken aan te knopen met mijn medepassagiers, maar dat valt niet mee. De gemiddelde leeftijd is minstens tachtig, en het aantal al of niet werkende hoorapparaten is navenant. Ik heb nog nooit een week lang zo hard moeten schreeuwen.
Ook heb ik nog nooit zoveel verhalen gehoord over versleten knie
ë
n, herseninfarcten en lekkende hartkleppen.
Ja, ik weet het, je zult er maar mee behept zijn. Echt geen pretje.
 
Maar ik heb vakantie. Ik wil plezier maken, lachen, erop uit trekken! En dat kan niet, op een schip dat bijna constant vaart en waar de meest opwindende activiteit een bingo-avond is.
Als ik de kommer-en-kwelverhalen beu ben, is er nergens een hoekje waar ik me even kan terugtrekken. Het schip zit bomvol - waar ik ook kom struikel ik over schuifelende bejaarden, omgevallen wandelstokken en strategisch in gangpaden geplaatste rollators. De enige privacy vind ik in mijn piepkleine hut, maar daar word ik horendol van de bonkende scheepsmachines vlak onder mij.

Als de cruise voorbij is, ren ik als eerste de loopplank af. Ik ben weer vrij!
Maar ik zal weken nodig hebben om uit te rusten van deze ‘relaxte’ vakantie.
Een cruise:
éé
n keer in je leven moet je het geprobeerd hebben. Heb ik gedaan. Maar hier blijft het bij.
Volgend jaar gewoon weer naar een hotelletje op een rustig Waddeneiland, waar ik alle ruimte van de wereld heb en waar ik kan gaan en staan waar ik wil.
Ik kijk er nu al naar uit.

Loes Gouweloos
juli 2011


Vakantiespel

Dankzij Kadafi kan ik eindelijk weer gaan genieten van ouderwets spannende vakanties.
Hij terroriseert zijn volk, Libiërs nemen massaal de vlucht naar Italië, en de Europese Commissie besluit geschrokken dat er weer grenscontroles gaan plaatsvinden. Stel je toch voor dat al die met moord en verkrachting bedreigde ‘gelukzoekers’ besluiten dat ze liever in het veilige Zwitserland of Nederland wonen dan in hun eigen land?

Allemaal heel erg.
Bijna net zo erg als het feit dat ik al sinds ‘Schengen’ en lang daarvoor, verstoken blijf van het gevoel van avontuur dat ik vroeger had als ik de grens moest passeren.
Daardoor ontbrak er al vele jaren iets essentieels aan mijn vakanties.
Ik ben nu eenmaal opgegroeid in een tijd dat grenzen nog echt grenzen waren.
Toen was het een heel avontuur om naar het buitenland te gaan, zelfs al was dat slechts België of Duitsland.

Misschien kwam het ook wel door mijn ouders, die al vanaf knooppunt Ouderijn de spanning in ons tweedehands Kevertje danig opvoerden.
“Jongens, als we straks bij de grens zijn, dan moeten jullie je rustig houden.
En niet schrikken als de auto wordt doorzocht hoor, want we hebben niets te verbergen.”
De auto doorzocht?! Wow…

Vanaf Arnhem verschijnen de borden die de spanning verder opvoeren: ‘Laatste benzinestation voor de grens’, ‘Nog 10 kilometer tot de grens met de Bondsrepubliek Duitsland’.
Op 5 kilometer voor de grens mindert mijn vader al vaart, trekt hij zijn das recht en gaat stijf rechtop achter zijn stuur zitten. Dan volgen elk jaar weer dezelfde woorden, op afgemeten toon: “Plien, heb je de paspoorten klaar?”
Mijn moeder knikt met stijf dichtgeknepen lippen, haalt de paspoorten uit het hand-schoenenkastje, ritst zorgvuldig haar gezinstas vol bananen, snoepjes en drop dicht, strijkt haar rok glad en kamt haar haar.
Want nu duurt het nog maar enkele minuten, en dan zal ons gezin worden onderworpen aan de strenge blikken van eerst de Nederlandse en daarna de Duitse douaniers. 
In de verte komen de douanegebouwen in zicht. Wij sluiten aan in de lange rij wachtende auto’s. Langzaamaan trekken we op richting grenscontrole.
Mijn vader draait zijn raampje open en steekt zonder naar mijn moeder te kijken zijn rechterhand uit. Zwijgend legt zij daarin de paspoorten. Een geolied team, elk jaar weer.

De in gedistingeerd grijs gehulde Nederlandse douanier werpt een speurende blik in de auto en in de paspoorten en wuift ons door. Hij is niet zo streng, hij is dan ook niet meer dan het voorprogramma voor zijn Duitse collega, die ons in de verte al staat op te wachten.
“Nu rijden we door het niemandsland”, zegt mijn vader elk jaar weer plechtig.
De spanning bereikt zijn hoogtepunt.
 
Opnieuw het geopende raam, opnieuw de overhandiging van de paspoorten. Maar nu aan een douanier die geen Nederlands spreekt, waardoor mijn vader met een extra lage stem ‘Bitte’ moet zeggen. En die een huiveringwekkend streng uniform draagt dat mij doet denken aan de vele oorlogsfilms die ik op tv heb gezien. Bruin, met een adelaar op de mouw, een hoog stijf kraagje, en een enorme, glanzende pet.
Priemende blikken, ook richting achterbank, waar mijn broertje en ik met ingehouden adem en bonkend hart afwachten of mijn vader uit de auto zal worden gesleurd, of dat we misschien wel – zoals ons ooit echt een keer is overkomen – naar de kant moeten gaan, uitstappen, en trillend van ontzag moeten toezien hoe alle koffers uit de auto worden gehaald, geopend, en geïnspecteerd op ‘Schnapps’ of misschien zelfs wel wapens of staatsondermijnende vakantielectuur.

Na een paar seconden dodelijk zwijgen volgt dan uiteindelijk het bevrijdende doorzwaaigebaar, slaken we allen een zucht van verlichting, gaat het raampje dicht en de gezinstas weer open, en bekijken we met rode wangen van opwinding de Duitstalige verkeersborden en de langs ons razende Mercedessen in dit enge maar spannende buitenland waar je immers, zoals mijn vader met nauwelijks verholen ontzag zegt,
‘zo hard mag rijden als je wilt’. 

Alsof we ternauwernood zijn ontsnapt aan een moordaanslag, zo voelen we ons. Opgelucht, en blij om te leven. En zeker om op vakantie te gaan!
Dankzij dat gevoel kan de rest van de twee weken al niet meer stuk. Alles valt of staat met een goed voorspel.

En dat is wat er tegenwoordig aan ontbreekt.
Geen voorspel, alleen een moraliserende navigatordame die ons berispend toespreekt: “U heeft zojuist een grens overschreden.”
Juist niet, dat is nou net het probleem!
Het broodnodige gevoel van avontuur en spanning, zo eigen aan een goed vakantiespel, moeten we nu zelf creëren.
Misschien is het daarom dat steeds meer mensen minimaal naar Thailand of de Seychellen moeten om nog een echt ouderwets vakantiegevoel te krijgen.

Maar dat hoeft nu dus niet meer, dankzij Kadafi.
Laten we hopen dat hij nog minstens tot na deze zomervakantie in het zadel blijft.
Want in augustus ga ik op vakantie naar België, en – na het talloze keren te hebben afgekeken bij mijn vader – wil ik nu eindelijk wel eens zelf met bonkend hart mijn paspoort overhandigen aan een streng ogende en opwindend geüniformeerde Rijkswacht.


Loes Gouweloos
juni 2011

De schuld van de media

Hoe zou het toch zijn met de snelwegschutter?
Afgelopen zomer ging er geen dag voorbij of het journaal opende met weer een nieuwe schietpartij op de snelweg. Ruiten aan diggelen, politiehelikopters boven de A4, gedupeerde automobilisten. Ik durfde nauwelijks nog de weg op, reed alleen nog maar over provinciale wegen teneinde niet te worden getrakteerd op een schot uit een luchtbuks.
En toen was het opeens over. Geen arrestatie, geen nieuwe inzichten, nee, het was gewoon geen nieuws meer. Komkommertijd voorbij, journalisten terug van vakantie, men ging weer over tot de orde van de dag: het ‘echte’ nieuws.

Hoe zou het toch zijn met het debat over de parlementaire omgangsvormen?
Eind september keek ik urenlang geboeid naar de Algemene Beschouwingen. Eindelijk weer eens een goed inhoudelijk debat, over de toekomst van Nederland. Er werden visies en standpunten uitgewisseld, men luisterde naar elkaar en men argumenteerde er ouderwets op los. Van Rutte tot Roemer, iedereen was in vorm.
Maar toen zei Wilders dat Rutte ‘eens normaal’ moest doen. En plotseling was het alsof er daarvóór niets was gezegd. Dagenlang gingen elke nieuwsrubriek en elke talkshow steeds weer over dat ene zinnetje. Geen woord meer over de toekomst van het land, het taalgebruik van Wilders was het enige grote nieuws.
En toen was ook dat opeens over. Er was geen besluit genomen het anders te gaan doen, niemand was van mening veranderd, maar de hype was voorbij.

Hoe zou het toch zijn met Venus Williams?
Een paar maanden geleden trok zij zich plotseling terug van de US Open, een van de grootste tennistournooien ter wereld. Reden: Venus was ziek. Ze had zojuist te horen gekregen dat ze leed aan het syndroom van Sjögren – ‘mijn’ ziekte, waar ík al 25 jaar aan lijd.
Kranten, radio en tv stortten zich op het nieuws. Was de carrière van Venus voorbij? Zou zij ooit nog kunnen spelen? En wat was dat eigenlijk voor ziekte, het syndroom van Sjögren?
De website van de patiëntenvereniging werd in een paar dagen vaker bezocht dan in alle jaren daarvoor. Venus verscheen op de Amerikaanse tv om uit te leggen wat er met haar aan de hand was: “It’s not just lack of energy, you feel beat up”.
En in de Nederlandse kranten verschenen artikelen over ‘mijn’ ziekte.
Het kostte me moeite om mijn kwaal te herkennen in wat ik las. De verschafte informatie was zelden correct en nooit compleet.
Dat zal ook wel zo zijn als het over andere onderwerpen gaat, maar dan weet je niet beter. Geeft te denken…
Van Venus werd al heel gauw niets meer vernomen. De voormalige nummer 1 van de wereld zakte in een paar weken 100 plaatsen op de wereldranglijst, ze was niet interessant meer.
Hoe gaat het nu met haar? Wordt ze behandeld? Probeert ze terug te komen in het tenniscircuit of niet? En vooral: hoe gaat ze om met het feit dat haar eens zo sterke topsportlijf niet meer doet wat zij wil?
Geen idee. Geen nieuws meer over Venus. Ook deze hype is over.

Louis van Gaal heeft niet vaak gelijk, maar hierin wel: “De media (bij Louis altijd enkelvoud) is niet geïnteresseerd in de feiten maar alleen in sensatie.”
Daartoe wordt nieuws gecreëerd, en dat wordt korte tijd later net zo makkelijk weer vergeten.
De houdbaarheidsdatum wordt steeds korter en de diepgang steeds minder.

Hoe is dat te verklaren? Simpel, de media geven de mensen wat de mensen willen. Het draait allemaal om de kijkcijfers, de luistercijfers en de oplagen.

En daar zit mijn probleem.
Want de kijkcijfers, dat zijn wij.

Als wij niet kijken naar ‘Oh Oh Cherzo’, verdwijnt het vanzelf.
Als wij Privé niet lezen, gaat het in no time failliet.
Als wij daarentegen wel massaal kijken naar serieuze documentaires, dan komen er daar meer van.
En als wij met z’n allen de kwaliteitskranten lezen, kunnen die gewoon blijven bestaan.

Het is dus uiteindelijk niet de schuld van de media, het is allemaal onze eigen schuld.
Wíj kijken massaal naar het non-news over de snelwegschutter.
Wíj praten honderduit over een onbenullige opmerking van Wilders en niet over het armoedebeleid, het milieubeleid en de gezondheidszorg.
Wíj halen onze schouders op bij foute informatie over een ziekte waar talloze mensen dagelijks onder te lijden hebben.
Wij doen het zelf.



Loes Gouweloos, oktober 2011