maandag 10 oktober 2011

In alles de liefde

God bestaat niet.
En toch ga ik regelmatig naar de kerk. Niet voor Hem, maar voor iets wat veel hemelser is: muziek.
Dankzij het tanende geloof in de traditionele God, moeten de kerken zich verlagen tot verhuur aan mensen die iets doen waar ik wél in geloof: muziek maken.
En zo zit ik op een druilerige zaterdagmiddag in Nieuwkoop in een mooi intiem kerkje uit de 17e eeuw. Volgepakt met muziekliefhebbers, prachtige akoestiek. Ik voel me er direct thuis.

Thuis. Daar heeft dit warme gevoel óók mee te maken. Het kerkje is een Remonstrants kerkje en mijn moeder kwam uit een Remonstrants nest. Mijn oma had een zuiver, tolerant Godsgeloof, dat mij zelfs als kind ontroerde. Toen een van haar twee dochters jong overleed, sprak mijn oma al na een paar dagen de onvergetelijke woorden: “Ik kan het aanvaarden. Want waar ze nu is, heeft ze het beter dan hier.”  Ze meende het echt. Ik begreep er niets van, maar ik was diep onder de indruk.
Mijn oma’s andere dochter, mijn moeder, verloor haar geloof door toedoen van mijn vader, die geloof en kerk op één hoop gooide: “De grootste huichelaars zitten op de voorste rij”.
Maar haar hele leven lang hield ze een warm plekje in haar hart voor de Remonstrantse Kerk, die haar in haar jeugd warmte, tolerantie en vertrouwen had bijgebracht. Met een dromerige blik in haar grote grijsgroene ogen citeerde ze menigmaal de lijfspreuk van de Remonstranten: ‘Eenheid in het nodige, vrijheid in het niet nodige, in alles de liefde.’ Met de klemtoon op die laatste vier woorden.
“Het woord God komt er niet eens in voor”, zei ze trots en nog steeds vol overtuiging, “maar het woord liefde wel. Daar draait het om.”
Daar draaide het inderdaad om, daar draaide alles om bij mijn moeder. Liefde. En dan vooral voor haar man en kinderen. En met een extra zwak plekje voor mij. Omdat ik, zo vertelde ze, haar eerste kind en haar enige dochter was. Dat schiep een speciale band.
Zo voelde zij dat. En zo voelde ik het ook, ook al wist ik dat toen nog niet.

Nu is mijn moeder alweer drie jaar dood. Maar ik voel haar heel dichtbij als al die herinneringen door mij heengaan terwijl de muziek begint in het kerkje in Nieuwkoop.
Het koor zingt mooi, het publiek klapt mee met een swingende jazzband, het eeuwenoude dak gaat er bijna af. Ik zing mee, vergeet alles en geniet. Een heerlijke middag.

Tevreden neuriënd rijd ik naar huis terug. Daar aangekomen, grijp ik naast me op de passagiersstoel, waar mijn tas altijd ligt.
Maar nu niet. Ik grijp mis. Achterbank? Bagageruimte? Nee, ook niet.
Shit! Ik heb mijn tas in de kerk laten liggen. Met daarin mijn portemonnee. En mijn telefoon. En geld, betaalpas, rijbewijs, zorgpas, autopapieren, reservesleutels, kindgevaarlijke medicijnen.
Paniek! Ik ren mijn huis in en zoek het telefoonnummer van de kerk. Onvindbaar.
Dan maar terugrijden naar Nieuwkoop. Met bonkend hart. Zal de kerk nog open zijn? En zal mijn tas er nog liggen, of heeft iemand hem meegenomen?
Ik dwing mezelf tot kalmte en bedenk een plan A, B en C:
A: De kerk is open, mijn tas ligt er nog, eind goed al goed.
B: De kerk is open, mijn tas is weg. Aangifte doen, betaalpas blokkeren, melden bij de gemeente en de ziektekostenverzekering, nieuw rijbewijs aanvragen. Gedoe, gedoe, gedoe. Gaat maanden duren.
C: De kerk is dicht. Kijken of ik ergens een adres of telefoonnummer zie van de koster.
Aangekomen in Nieuwkoop, parkeer ik mijn auto in de verlaten dorpsstraat, en loop met bonkend  hart het grindpad op naar de ingang van het kerkje. Ik morrel aan de deur. Helaas, op slot.
En er is geen mens te zien. En op de aankondigingen bij de ingang prijkt alleen de naam van de predikant die de volgende dag de dienst zal leiden. Geen telefoonnummer, geen koster.
Door het natte hoge gras loop ik een rondje om de kerk. Prachtige tuin, maar verder niets.
Hierin voorziet noch plan A, noch plan B, noch plan C. Wat nu?

De buren dan maar. Ik bel aan bij een statig herenhuis. De deur wordt geopend door een keurige dame van middelbare leeftijd. Ze leeft direct met me mee. Maar een sleutel? Nee, die heeft ze niet.
“Probeer het eens bij de overbuurvrouw. Die is voorzitter van de kerkenraad. Maar ik weet niet of ze thuis is”.
Ik steek over en bel opnieuw aan. Als deze mevrouw er niet is, dan weet ik het niet meer. Ik betrap mezelf erop dat ik denk: als er een God is, laat hij er dan voor zorgen dat ze thuis is…
En ja hoor, de deur gaat open. Voor me staat een fragiele oudere dame die me glimlachend begroet. De vriendelijkheid straalt ervan af. Door haar glimlach, maar ook door de bijna naïeve, warme blik haar ogen. Dromerige, grijsgroene ogen. Ik huiver, maar weet niet zo gauw waarom.
 “Alsjeblieft, ga maar gauw kijken”. Ze drukt me een sleutel in de hand met een bruin leren label.
Loopt niet met me mee. Ze vertrouwt me blijkbaar in die prachtig onderhouden eeuwenoude kerk.
Ik hoor mijn moeders stem: “Wij Remonstranten geloven in God maar vooral in de goedheid van de mens”.

Opnieuw het knerpende grindpad. Ik steek de sleutel in het slot. De deur kraakt open.
Moederziel alleen stap ik het verlaten kerkje binnen. Een uur geleden nog swingde hier een jazzband, nu hoor ik alleen het geluid van de stilte.
Ik laat mijn blik gaan langs de rijen met kerkbanken. Rij 1, daar heb ik gezeten. De rij waar de grootste huichelaars zitten. En ook tassendieven?
Mijn hart bonkt in mijn keel. Langzaam loop ik door het middenpad naar voren. Als ik bij rij 1 ben, gluur ik met ingehouden adem naar mijn plek op de hoek.
En daar, tegen de muur, staat mijn tas. Precies zoals ik hem heb achtergelaten. En alles zit er nog in. Ondanks mezelf, verzucht ik hardop: “Goddank”...

Opnieuw rijd ik door de regen terug naar Alphen. En dan komen opeens de tranen.
Het is natuurlijk allemaal toeval, ik heb gewoon geluk gehad.
Maar wat had ik nu graag de telefoon gepakt en mijn moeder verteld dat dit natuurlijk géén toeval was. Die mooie middag in een Remonstrantse kerk, mijn tas kwijtraken en ongeschonden terugvinden in diezelfde kerk, die aardige Remonstrantse mevrouw die mij haar vertrouwen had gegeven. Ze zou hebben genoten van mijn opgesmukte verhaal.
Opeens weet ik waarom ik mijn moeder nog steeds zo mis: het was zo makkelijk en zo mooi om haar een plezier te doen. En om haar op die manier iets terug te geven in ruil voor de bakken liefde die ze, ondanks haar tekortkomingen, altijd over me heeft uitgestort.
Zo deden wij dat samen, mijn hele leven lang. En daarom wist ik niet beter. ‘You don’t know what you’ve got until it’s gone’. Pas nu het niet meer kan, nooit meer kan, besef ik hoe mooi het was.
In alles de liefde.
                                                                                                                            Loes Gouweloos, juni 2011


Geen opmerkingen: