Hij terroriseert zijn volk, Libiërs nemen massaal de vlucht naar Italië, en de Europese Commissie besluit geschrokken dat er weer grenscontroles gaan plaatsvinden. Stel je toch voor dat al die met moord en verkrachting bedreigde ‘gelukzoekers’ besluiten dat ze liever in het veilige Zwitserland of Nederland wonen dan in hun eigen land?
Allemaal heel erg.
Bijna net zo erg als het feit dat ik al sinds ‘Schengen’ en lang daarvoor, verstoken blijf van het gevoel van avontuur dat ik vroeger had als ik de grens moest passeren.
Daardoor ontbrak er al vele jaren iets essentieels aan mijn vakanties.
Ik ben nu eenmaal opgegroeid in een tijd dat grenzen nog echt grenzen waren.
Toen was het een heel avontuur om naar het buitenland te gaan, zelfs al was dat slechts België of Duitsland.
Misschien kwam het ook wel door mijn ouders, die al vanaf knooppunt Ouderijn de spanning in ons tweedehands Kevertje danig opvoerden.
“Jongens, als we straks bij de grens zijn, dan moeten jullie je rustig houden.
En niet schrikken als de auto wordt doorzocht hoor, want we hebben niets te verbergen.”
De auto doorzocht?! Wow…
Vanaf Arnhem verschijnen de borden die de spanning verder opvoeren: ‘Laatste benzinestation voor de grens’, ‘Nog 10 kilometer tot de grens met de Bondsrepubliek Duitsland’.
Op 5 kilometer voor de grens mindert mijn vader al vaart, trekt hij zijn das recht en gaat stijf rechtop achter zijn stuur zitten. Dan volgen elk jaar weer dezelfde woorden, op afgemeten toon: “Plien, heb je de paspoorten klaar?”
Mijn moeder knikt met stijf dichtgeknepen lippen, haalt de paspoorten uit het hand-schoenenkastje, ritst zorgvuldig haar gezinstas vol bananen, snoepjes en drop dicht, strijkt haar rok glad en kamt haar haar.
Want nu duurt het nog maar enkele minuten, en dan zal ons gezin worden onderworpen aan de strenge blikken van eerst de Nederlandse en daarna de Duitse douaniers.
In de verte komen de douanegebouwen in zicht. Wij sluiten aan in de lange rij wachtende auto’s. Langzaamaan trekken we op richting grenscontrole.
Mijn vader draait zijn raampje open en steekt zonder naar mijn moeder te kijken zijn rechterhand uit. Zwijgend legt zij daarin de paspoorten. Een geolied team, elk jaar weer.
De in gedistingeerd grijs gehulde Nederlandse douanier werpt een speurende blik in de auto en in de paspoorten en wuift ons door. Hij is niet zo streng, hij is dan ook niet meer dan het voorprogramma voor zijn Duitse collega, die ons in de verte al staat op te wachten.
“Nu rijden we door het niemandsland”, zegt mijn vader elk jaar weer plechtig.
De spanning bereikt zijn hoogtepunt.
Opnieuw het geopende raam, opnieuw de overhandiging van de paspoorten. Maar nu aan een douanier die geen Nederlands spreekt, waardoor mijn vader met een extra lage stem ‘Bitte’ moet zeggen. En die een huiveringwekkend streng uniform draagt dat mij doet denken aan de vele oorlogsfilms die ik op tv heb gezien. Bruin, met een adelaar op de mouw, een hoog stijf kraagje, en een enorme, glanzende pet.
Priemende blikken, ook richting achterbank, waar mijn broertje en ik met ingehouden adem en bonkend hart afwachten of mijn vader uit de auto zal worden gesleurd, of dat we misschien wel – zoals ons ooit echt een keer is overkomen – naar de kant moeten gaan, uitstappen, en trillend van ontzag moeten toezien hoe alle koffers uit de auto worden gehaald, geopend, en geïnspecteerd op ‘Schnapps’ of misschien zelfs wel wapens of staatsondermijnende vakantielectuur.
Na een paar seconden dodelijk zwijgen volgt dan uiteindelijk het bevrijdende doorzwaaigebaar, slaken we allen een zucht van verlichting, gaat het raampje dicht en de gezinstas weer open, en bekijken we met rode wangen van opwinding de Duitstalige verkeersborden en de langs ons razende Mercedessen in dit enge maar spannende buitenland waar je immers, zoals mijn vader met nauwelijks verholen ontzag zegt,
‘zo hard mag rijden als je wilt’.
Alsof we ternauwernood zijn ontsnapt aan een moordaanslag, zo voelen we ons. Opgelucht, en blij om te leven. En zeker om op vakantie te gaan!
Dankzij dat gevoel kan de rest van de twee weken al niet meer stuk. Alles valt of staat met een goed voorspel.
En dat is wat er tegenwoordig aan ontbreekt.
Geen voorspel, alleen een moraliserende navigatordame die ons berispend toespreekt: “U heeft zojuist een grens overschreden.”
Juist niet, dat is nou net het probleem!
Het broodnodige gevoel van avontuur en spanning, zo eigen aan een goed vakantiespel, moeten we nu zelf creëren.
Misschien is het daarom dat steeds meer mensen minimaal naar Thailand of de Seychellen moeten om nog een echt ouderwets vakantiegevoel te krijgen.
Maar dat hoeft nu dus niet meer, dankzij Kadafi.
Laten we hopen dat hij nog minstens tot na deze zomervakantie in het zadel blijft.
Want in augustus ga ik op vakantie naar België, en – na het talloze keren te hebben afgekeken bij mijn vader – wil ik nu eindelijk wel eens zelf met bonkend hart mijn paspoort overhandigen aan een streng ogende en opwindend geüniformeerde Rijkswacht.
Loes Gouweloos
juni 2011
juni 2011
Geen opmerkingen:
Een reactie posten