Ik doe niet aan kerstmis. Gestopt. Geen boom in mijn kamer, zelfs geen
kunstboom. Geen stalletje, geen slingers, geen kerstliedjes, de onvermijdelijke
kerstkaarten leg ik op een onopvallend plekje neer, en op 25 en 26 december
kijk ik niet naar de tv en doe ik de gordijnen dicht.
Dit jaar ben ik voor het eerst van mijn leven door niemand uitgenodigd voor een
kerstdiner. Inderdaad, ik zou natuurlijk zelf iemand kunnen uitnodigen, maar de weinige
mensen die ik leuk genoeg vind om voor te koken en om een hele avond mee door
te brengen, hebben al afspraken gemaakt met hun familie.
Dit overigens, zo
vertrouwen ze me één voor één toe, met grote tegenzin... Allemaal zien ze op
tegen het versieren van de kerstboom, de gekunstelde gezelligheid, de
verplichte familiebezoekjes, de vreetpartijen, de sentimentele tv-programma's
en de kater na de 26ste.
Ik niet meer. Een gezin heb ik niet en mijn ouders zijn dood. De eerste keer
dat ik niet meer naar hen toe kon met de kerst, had ik het zwaar. Ik miste de
vanzelfsprekende familiebijeenkomst en ik miste mijn vader, mijn moeder en mijn
ouderlijk huis. Maar eigenlijk had dat niets te maken met kerstmis, het was
gewoon het gemis, dat in het begin nu eenmaal het ergst is.
Toen mijn ouders nog leefden, voelde ik - dat durf ik nu wel toe te geven - dezelfde
weerzin als nu mijn vrienden die nog wél op familiebezoek gaan. Elk jaar verplicht
mierzoete kerstkrans eten naast mijn moeder op de bank, in knellende kerstkleren,
en urenlang door elkaar heen praten over niets - met mijn familieleden, die
zich net zo zaten te verbijten en net zo slecht zaten te acteren als ik.
Sinds ik mijn ontkerstening wereldkundig heb gemaakt, ontmoet ik alleen maar
begrip en nauw verholen jaloezie. Ik heb nog niemand - echt helemaal niemand -
gesproken die niet onmiddellijk bekent net zo'n bloedhekel te hebben aan
kerstmis als ik…
Alleen zijn met kerstmis wordt verward met eenzaam zijn met kerstmis. De
televisie voorop, met schijnheilige documentaires over 400.000 Nederlanders die
met de kerst alleen zijn, en die dus
zielig en eenzaam zijn. Hopelijk laten ze zich niets aanpraten, want dat zijn
ze niet. Integendeel: de overige 16 miljoen Nederlanders zijn al of niet
stiekem jaloers. Het is dat ze het zichzelf aandoen, anders zou ik hén bijna
zielig vinden...
Want eigenlijk zouden ook zij wel twee dagen echt vrij willen
zijn. Lekker niksen in hun ouwe kloffie, uitrusten van een jaar hard werken,
fijn naar buiten gaan.
Waarom maken we elkaar nog steeds wijs dat we het leuk vinden om twee dagen
lang op elkaars neuzen te zitten, ons vol te vreten en te drinken, en liedjes
te zingen waarvan de teksten allang niet meer tot ons doordringen?
Waarom laten
we elkaar niet met rust? Waarom doen we elk jaar weer alsof we dit gedoe
gezellig vinden? Waarom schaffen we dat hele 'feest' niet af?
Ik weet het niet. Maar ík schaf het wel af. Op 25 en 26 december doe ik alleen
wat ik leuk vind: lekker lezen, mooie muziek luisteren, wandelingetje maken, relaxen
in bad, en vroeg naar bed.
En dan, op 27 december, als iedereen zich volgevreten, doodmoe en met een
houten kop naar zijn werk sleept, dan kom ik weer fit, fris en fruitig
tevoorschijn.
Ik verheug me er nu al op...
Fijne feestdagen!
Loes Gouweloos, 22 december 2012
zaterdag 22 december 2012
dinsdag 27 november 2012
Ze
De Rijdende Rechter, 21 november 2012:
Meneer Keur klaagt de gemeente Beverwijk aan. In een vliegende storm (Code Oranje) is hij tegen een omgewaaide boom aangereden. Gelukkig heeft hij geen schrammetje opgelopen, laat staan dat hij is verongelukt. Maar hij is wel zeer verongelijkt. De schade aan zijn auto is weliswaar keurig vergoed door de verzekering, maar hij moet € 200 euro betalen: het eigen risico - waarvoor hij zelf heeft gekozen.
De gemeente moet hem dat bedrag betalen, vindt meneer Keur. Want het was hun boom waar hij tegenaan is gereden. 'Ze' moeten dus betalen.
Niet alleen wil meneer Keur zijn geld terug, hij is ook hevig verontwaardigd. 'Ze' nemen hem niet serieus, ‘ze’ zijn asociaal, 'ze' zijn verantwoordelijk voor hun burgers, 'ze' moeten voor hem zorgen.
Pech? Een ongeluk? Force majeure?
Nee hoor. Voor elke tegenvaller is een schuldige. En dat zijn 'ze'. We zijn het nooit zelf, het is geen pech, het is altijd een hogere instantie. 'Ze'.
Hoe komt dat?
Hebben 'ze' ons zo veel gepamperd dat we niet eens meer denken aan eigen verantwoordelijkheid, niet meer geloven in tegenvallers en domme pech waaraan niemand iets kan doen?
Zijn we zo ingekapseld in sociale en andere zekerheden dat we het noodlot niet meer onder ogen kunnen zien? Willen we daarom altijd een schuldige aanwijzen? Zelfs voor natuurrampen, ongeneeslijke ziektes, epidemieën of domweg domme pech?
En zijn we daarom zo cynisch en somber in dit veilige, vredige landje waar de kranten bol staan van een mindering op de aftrekbaarheid van hypotheekrente, terwijl elders in de wereld mensen alles over hebben voor een handje rijst?
Klagen, zeuren, beschuldigen.
En wachten totdat 'ze' iets doen.
In plaats van zelf iets doen, de dag plukken, onze zegeningen tellen.
Daarom komen we nooit uit de crisis. Daarom leggen we het af tegen landen waar mensen hun lot in eigen hand nemen, niet jammeren, en gewoon hard werken.
We zijn verwende, volgevreten, jengelende kinderen die zich altijd tekort gedaan voelen.
Niet echt wat een land nodig heeft om uit een crisis te komen.
De echte crisis is geen economische maar een morele crisis.
21 november 2012
Loes Gouweloos
Meneer Keur klaagt de gemeente Beverwijk aan. In een vliegende storm (Code Oranje) is hij tegen een omgewaaide boom aangereden. Gelukkig heeft hij geen schrammetje opgelopen, laat staan dat hij is verongelukt. Maar hij is wel zeer verongelijkt. De schade aan zijn auto is weliswaar keurig vergoed door de verzekering, maar hij moet € 200 euro betalen: het eigen risico - waarvoor hij zelf heeft gekozen.
De gemeente moet hem dat bedrag betalen, vindt meneer Keur. Want het was hun boom waar hij tegenaan is gereden. 'Ze' moeten dus betalen.
Niet alleen wil meneer Keur zijn geld terug, hij is ook hevig verontwaardigd. 'Ze' nemen hem niet serieus, ‘ze’ zijn asociaal, 'ze' zijn verantwoordelijk voor hun burgers, 'ze' moeten voor hem zorgen.
Pech? Een ongeluk? Force majeure?
Nee hoor. Voor elke tegenvaller is een schuldige. En dat zijn 'ze'. We zijn het nooit zelf, het is geen pech, het is altijd een hogere instantie. 'Ze'.
Hoe komt dat?
Hebben 'ze' ons zo veel gepamperd dat we niet eens meer denken aan eigen verantwoordelijkheid, niet meer geloven in tegenvallers en domme pech waaraan niemand iets kan doen?
Zijn we zo ingekapseld in sociale en andere zekerheden dat we het noodlot niet meer onder ogen kunnen zien? Willen we daarom altijd een schuldige aanwijzen? Zelfs voor natuurrampen, ongeneeslijke ziektes, epidemieën of domweg domme pech?
En zijn we daarom zo cynisch en somber in dit veilige, vredige landje waar de kranten bol staan van een mindering op de aftrekbaarheid van hypotheekrente, terwijl elders in de wereld mensen alles over hebben voor een handje rijst?
Klagen, zeuren, beschuldigen.
En wachten totdat 'ze' iets doen.
In plaats van zelf iets doen, de dag plukken, onze zegeningen tellen.
Daarom komen we nooit uit de crisis. Daarom leggen we het af tegen landen waar mensen hun lot in eigen hand nemen, niet jammeren, en gewoon hard werken.
We zijn verwende, volgevreten, jengelende kinderen die zich altijd tekort gedaan voelen.
Niet echt wat een land nodig heeft om uit een crisis te komen.
De echte crisis is geen economische maar een morele crisis.
21 november 2012
Loes Gouweloos
Tante Hannie
1957 was een enerverend jaar. Ik was zes, en achtereenvolgens maakten hun
opwachting:
een broertje, een auto, een televisie.
Het broertje ligt tot mijn teleurstelling alleen maar te slapen in zijn wieg. Niks geen ‘speelkameraadje’, zoals mijn moeder had aangekondigd. Ik volg zijn groeivorderingen door regelmatig zijn dekentje van hem af te halen, zijn beentjes recht te trekken en mijn pop naast hem neer te leggen. Zo constateer ik dat hij die met rasse schreden inhaalt. Maar dat is het dan ook, verder kan ik niets met hem.
De auto, een derdehands Volkswagen Kever, is er vooral voor mijn vader, die er trots mee naar zijn werk rijdt. Ritjes met het gezin zijn nog te lastig wegens mijn kersverse broertje, en kosten bovendien teveel geld aan benzine.
Maar de televisie…. Dat is een ander verhaal.
Wij wonen in een simpele driekamerflat in een Rotterdamse arbeiderswijk. Daar heeft in 1957 nog bijna niemand televisie. Maar wij wel: een glanzend bruine kast met achterop een plastic po staat te pronken op een kastje in de hoek van de kamer.
Op zaterdagavond trekken mijn ouders kastje + televisie getweeën heel voorzichtig wat naar voren. Dan installeren ze zich op de bank en kijken naar een live gespeeld toneelstuk. Ik mag meekijken tot de pauze (!), daarna moet ik helaas naar bed.
Maar op donderdagmiddag is het míjn beurt! Dan is er namelijk een uitzending voor kinderen.
Ik heb hevig opgeschept over onze televisie bij de kinderen in mijn portiek en op school. Het gevolg is dat er zich elke donderdagmiddag een lange sliert kinderen meldt in de Ameidestraat 33b.
We hebben lang niet genoeg stoelen, dus de meesten zitten op de grond. Ik niet natuurlijk, want ik ben de gulle gastvrouw. Daarom toren ik, gezeten in mijn vaders stoel, boven mijn vriendjes en vriendinnetjes uit. Trots kijk ik neer op de van voorpret rood aangelopen kinderhoofdjes.
Dan begint het. Eerst ‘Jeugdjournaal De Verrekijker’, voorafgegaan door een wapperende Nederlandse vlag (een ‘driekleur’ wil ik het niet noemen, want alles is nog in zwartwit).
Daarna de bloedstollend spannende poppenkastserie ‘Dappere Dodo’. Featuring de gelijknamige held, bijgestaan door Opa Buiswater, Baron Wilhelmus en Juffrouw Vulpen.
De spanning is te snijden. Ademloos kijkt de kinderschare toe.
Toch moet het mooiste nog komen. Dat is, elke week weer, het einde van de uitzending:
In beeld verschijnt de KRO-omroepster die het programma ook al heeft aangekondigd.
Dat heeft ze keurig netjes gedaan, maar haar áfkondiging is het hoogtepunt van de week voor alle televisiekijkende Nederlandse kinderen.
De omroepster, Hannie Lips, vertelt ons met droevige stem maar gelukkig ook met een lieve, moederlijke glimlach, dat het programma voorbij is. Maar, zo stelt ze ons gerust, volgende week is er weer een aflevering. Dan hoopt ze ons weer te zien.
En dan neemt ze afscheid. Ze recht haar rug, tovert een stralende glimlach op haar gezicht, en roept op zangerige toon: “Dág, kindertjes in het hele land!”
En daarbij wuift Tante Hannie – want zo noemen wij deze moeder aller kinderen – met naar de camera geopende handpalmen en gekruiste polsen vrolijk naar al haar jeugdige kijkertjes. Waaronder tien gehypnotiseerd toekijkende kinderen in een flatje in een Rotterdamse buitenwijk.
Twintig handjes gaan de lucht in, twintig polsjes kruisen zich, en tien stemmetjes kraaien het uit:
“Dág, Tante Hannie!”
Mijn moeder, voor wie tijdelijk geen plaats meer is in de kleine huiskamer, staat glimlachend in de opening van de keukendeur. Ze kan niet meezwaaien, want ze heeft mijn pasgeboren broertje op haar arm. Maar ze roept net zo enthousiast mee als wij.
* * * * * * * * * * *
Een warme herinnering uit de tijd dat geluk nog heel gewoon was.
Mijn eigen moeder en Tante Hannie, de moeder van ons allemaal, waren even oud. Een paar jaar geleden is mijn moeder gestorven, en vorige week is ook ons aller moeder – inmiddels 88 jaar oud – overleden. Op 19 november, mijn 62ste verjaardag.
In de krant staat dat de begrafenis in besloten kring plaatsvindt. We weten dus niet wanneer.
En dat vind ik jammer. Want ik weet zeker dat als we dat wel zouden weten, er vast wel een zestigjarige kleuter zou zijn die ergens een oproep zou plaatsen.
En dan zouden honderdduizenden senioren in het hele land op pakweg vrijdag 23 november om 11.00 uur allemaal tegelijk nog eenmaal hun polsen kruisen en wuiven met een mengeling van enthousiasme en melancholie.
En met z’n allen zouden we nog één keer roepen: “Dág, Tante Hannie!”
een broertje, een auto, een televisie.
Het broertje ligt tot mijn teleurstelling alleen maar te slapen in zijn wieg. Niks geen ‘speelkameraadje’, zoals mijn moeder had aangekondigd. Ik volg zijn groeivorderingen door regelmatig zijn dekentje van hem af te halen, zijn beentjes recht te trekken en mijn pop naast hem neer te leggen. Zo constateer ik dat hij die met rasse schreden inhaalt. Maar dat is het dan ook, verder kan ik niets met hem.
De auto, een derdehands Volkswagen Kever, is er vooral voor mijn vader, die er trots mee naar zijn werk rijdt. Ritjes met het gezin zijn nog te lastig wegens mijn kersverse broertje, en kosten bovendien teveel geld aan benzine.
Maar de televisie…. Dat is een ander verhaal.
Wij wonen in een simpele driekamerflat in een Rotterdamse arbeiderswijk. Daar heeft in 1957 nog bijna niemand televisie. Maar wij wel: een glanzend bruine kast met achterop een plastic po staat te pronken op een kastje in de hoek van de kamer.
Op zaterdagavond trekken mijn ouders kastje + televisie getweeën heel voorzichtig wat naar voren. Dan installeren ze zich op de bank en kijken naar een live gespeeld toneelstuk. Ik mag meekijken tot de pauze (!), daarna moet ik helaas naar bed.
Maar op donderdagmiddag is het míjn beurt! Dan is er namelijk een uitzending voor kinderen.
Ik heb hevig opgeschept over onze televisie bij de kinderen in mijn portiek en op school. Het gevolg is dat er zich elke donderdagmiddag een lange sliert kinderen meldt in de Ameidestraat 33b.
We hebben lang niet genoeg stoelen, dus de meesten zitten op de grond. Ik niet natuurlijk, want ik ben de gulle gastvrouw. Daarom toren ik, gezeten in mijn vaders stoel, boven mijn vriendjes en vriendinnetjes uit. Trots kijk ik neer op de van voorpret rood aangelopen kinderhoofdjes.
Dan begint het. Eerst ‘Jeugdjournaal De Verrekijker’, voorafgegaan door een wapperende Nederlandse vlag (een ‘driekleur’ wil ik het niet noemen, want alles is nog in zwartwit).
Daarna de bloedstollend spannende poppenkastserie ‘Dappere Dodo’. Featuring de gelijknamige held, bijgestaan door Opa Buiswater, Baron Wilhelmus en Juffrouw Vulpen.
De spanning is te snijden. Ademloos kijkt de kinderschare toe.
Toch moet het mooiste nog komen. Dat is, elke week weer, het einde van de uitzending:
In beeld verschijnt de KRO-omroepster die het programma ook al heeft aangekondigd.
Dat heeft ze keurig netjes gedaan, maar haar áfkondiging is het hoogtepunt van de week voor alle televisiekijkende Nederlandse kinderen.
De omroepster, Hannie Lips, vertelt ons met droevige stem maar gelukkig ook met een lieve, moederlijke glimlach, dat het programma voorbij is. Maar, zo stelt ze ons gerust, volgende week is er weer een aflevering. Dan hoopt ze ons weer te zien.
En dan neemt ze afscheid. Ze recht haar rug, tovert een stralende glimlach op haar gezicht, en roept op zangerige toon: “Dág, kindertjes in het hele land!”
En daarbij wuift Tante Hannie – want zo noemen wij deze moeder aller kinderen – met naar de camera geopende handpalmen en gekruiste polsen vrolijk naar al haar jeugdige kijkertjes. Waaronder tien gehypnotiseerd toekijkende kinderen in een flatje in een Rotterdamse buitenwijk.
Twintig handjes gaan de lucht in, twintig polsjes kruisen zich, en tien stemmetjes kraaien het uit:
“Dág, Tante Hannie!”
Mijn moeder, voor wie tijdelijk geen plaats meer is in de kleine huiskamer, staat glimlachend in de opening van de keukendeur. Ze kan niet meezwaaien, want ze heeft mijn pasgeboren broertje op haar arm. Maar ze roept net zo enthousiast mee als wij.
* * * * * * * * * * *
Een warme herinnering uit de tijd dat geluk nog heel gewoon was.
Mijn eigen moeder en Tante Hannie, de moeder van ons allemaal, waren even oud. Een paar jaar geleden is mijn moeder gestorven, en vorige week is ook ons aller moeder – inmiddels 88 jaar oud – overleden. Op 19 november, mijn 62ste verjaardag.
In de krant staat dat de begrafenis in besloten kring plaatsvindt. We weten dus niet wanneer.
En dat vind ik jammer. Want ik weet zeker dat als we dat wel zouden weten, er vast wel een zestigjarige kleuter zou zijn die ergens een oproep zou plaatsen.
En dan zouden honderdduizenden senioren in het hele land op pakweg vrijdag 23 november om 11.00 uur allemaal tegelijk nog eenmaal hun polsen kruisen en wuiven met een mengeling van enthousiasme en melancholie.
En met z’n allen zouden we nog één keer roepen: “Dág, Tante Hannie!”
Loes Gouweloos
november 2012
dinsdag 4 september 2012
Wat Wil Wilders?
Ja hoor, daar is ie weer. Voorzien van een bruinverbrande huid, vers gebleekt
haar, en een onsje nieuwe one-liners.
Het is - dankzij hem - alwéér verkiezingstijd. Dus er moet weer worden gescoord.
Hoe? Zoals altijd: door vakkundig in te spelen op de angsten onder de bevolking en die als het even kan nog wat erger te maken, en ook daar dan weer op in te spelen.
Alles is geoorloofd om aan de macht te komen.
Er is niks mis met macht. Als je hem maar goed gebruikt. Het is een middel om je doelen te bereiken. Maar wat zijn de doelen van Wilders?
Wat wil hij, als hij aan de macht is?
Alle buitenlanders het land uit? Wil hij dat echt? Tot een jaar geleden leek het daar wel op. Maar sinds de burgers banger zijn voor de economische crisis dan voor kutmarokkaantjes, hoor je Geert er niet meer over. De asielzoekers zijn ingeruild voor de Grieken en de Brusselse bureaucraten.
Als er maar een vijand is waar we ons, onder leiding van Geert, tegen af kunnen zetten.
Het wachten is nú alweer op een volgende 'Angstgegner', op iets of iemand waarvoor we bang moeten zijn en waarmee Geert stemmen kan winnen.
Stel dat ie inderdaad veel stemmen wint. En dat ie inderdaad zoveel macht krijgt dat ie het voor het zeggen krijgt. Dan moet eindelijk de aap uit de mouw komen, dan zal hij niet alleen moeten zeggen wat hij níet wil, maar vooral wat hij wél wil.
Wat wil Wilders wel?
Wil hij macht teneinde een ideaal te verwezenlijken? En zo ja, waarom mogen wij dan nu al niet weten welk ideaal? Wat valt er te verzwijgen?
Of wil hij macht omwille van de macht? Omdat het zo lekker is?
Beide varianten vind ik griezelig. Waar stem je voor als je op Wilders stemt? Niemand weet het.
Nee, dan toch maar het oude vertrouwde liberalisme, socialisme of de christendemocatie. Verouderd en gerafeld, maar je weet waar je aan toe bent. Geen gekke dingen, geen tweespalt zaaiende leiders, geen narcistische ego's.
Saai, dat zeker. Maar veel veiliger dan een machtswellustige leider die niet zegt wat hij wil.
Loes Gouweloos
september 2012
Het is - dankzij hem - alwéér verkiezingstijd. Dus er moet weer worden gescoord.
Hoe? Zoals altijd: door vakkundig in te spelen op de angsten onder de bevolking en die als het even kan nog wat erger te maken, en ook daar dan weer op in te spelen.
Alles is geoorloofd om aan de macht te komen.
Er is niks mis met macht. Als je hem maar goed gebruikt. Het is een middel om je doelen te bereiken. Maar wat zijn de doelen van Wilders?
Wat wil hij, als hij aan de macht is?
Alle buitenlanders het land uit? Wil hij dat echt? Tot een jaar geleden leek het daar wel op. Maar sinds de burgers banger zijn voor de economische crisis dan voor kutmarokkaantjes, hoor je Geert er niet meer over. De asielzoekers zijn ingeruild voor de Grieken en de Brusselse bureaucraten.
Als er maar een vijand is waar we ons, onder leiding van Geert, tegen af kunnen zetten.
Het wachten is nú alweer op een volgende 'Angstgegner', op iets of iemand waarvoor we bang moeten zijn en waarmee Geert stemmen kan winnen.
Stel dat ie inderdaad veel stemmen wint. En dat ie inderdaad zoveel macht krijgt dat ie het voor het zeggen krijgt. Dan moet eindelijk de aap uit de mouw komen, dan zal hij niet alleen moeten zeggen wat hij níet wil, maar vooral wat hij wél wil.
Wat wil Wilders wel?
Wil hij macht teneinde een ideaal te verwezenlijken? En zo ja, waarom mogen wij dan nu al niet weten welk ideaal? Wat valt er te verzwijgen?
Of wil hij macht omwille van de macht? Omdat het zo lekker is?
Beide varianten vind ik griezelig. Waar stem je voor als je op Wilders stemt? Niemand weet het.
Nee, dan toch maar het oude vertrouwde liberalisme, socialisme of de christendemocatie. Verouderd en gerafeld, maar je weet waar je aan toe bent. Geen gekke dingen, geen tweespalt zaaiende leiders, geen narcistische ego's.
Saai, dat zeker. Maar veel veiliger dan een machtswellustige leider die niet zegt wat hij wil.
Loes Gouweloos
september 2012
maandag 27 augustus 2012
Kwijt
“Mevrouw. Mevrouw!”
Ik hoor paniek in zijn schrille stem. En als ik opkijk van de boodschappenband bij de supermarktkassa, zie ik paniek in zijn ogen.
Een lange, magere man van een jaar of zestig. Tasje om zijn linkerarm, klein bosje narcissen in de rechterhand. Nog in de knop, zonder papiertje erom. Net zo lang en dun en kaal als de man zelf.
Die gaat zijn vrouw eens flink verrassen, grinnik ik in mezelf.
Maar het grinniken vergaat me als hij opnieuw roept, nog harder en met nog meer paniek in zijn stem dan zoëven: “Mevrouw, mevrouw, staat daar onder de kassa nog mijn winkelmandje? Ik ben mijn tas kwijt, met alles erin! Misschien heb ik hem in het mandje laten liggen!”
Ik check het ene mandje dat eenzaam onder de kassa staat.
“Nee hoor, het is leeg, er zit niets in”, roep ik terug.
Paniek slaat om in wanhoop. De man wendt zich tot de caissière, een vlot, vrolijk meisje van een jaar of achttien, en vraagt op smekende toon: “Heeft iemand bij u misschien een tas afgegeven? Al mijn spullen zitten erin: geld, pasjes, sleutels…”
“Nee meneer, ik weet van niks.”
Opeens schiet ze in de lach. “Maar meneer, kijk eens goed, uw tas hangt gewoon om uw arm!”
Ze schatert het uit. Klanten die het schouwspel hebben gadegeslagen, schieten ook in de lach.
Verdwaasd kijkt de man naar zijn linkerarm.
Opnieuw schrikt hij, maar nu niet omdat hij zijn tas kwijt is.
Hij probeert zijn schrik te camoufleren. Lacht mee, net iets te hard. Steekt joviaal zijn hand omhoog, net iets te uitbundig. En roept terug:
“Ja ja, de leeftijd hè? En dat wordt alleen maar erger hoor!”
Dan beent hij haastig de winkel uit.
De klanten lachen nog wat na. Maar ik niet meer.
Ik zie mijn vader voor me. Bij hem begon het ook zo. Met rare vergissingen, waar hij zich tegenover de buitenwereld met een grap nog prima uit kon redden.
Maar van binnen knaagde de twijfel. De onzekerheid. Ben ik niet iets vergeten? Kan ik dat nog wel? Als ik een verhaal vertel, heb ik dat dan al niet tien keer eerder verteld? Vinden ze me dom?
Eens zo zelfverzekerd en alert, veranderde hij in zijn laatste levensjaren steeds meer in een onzekere, angstige man die zichzelf niet meer vertrouwde. Die uiteindelijk noodgedwongen alleen nog maar op anderen kon vertrouwen. Wat dat betreft bofte hij nog, met een vrouw die een glashelder geheugen had. Dankzij haar kon hij nog enigszins blijven functioneren.
Inderdaad, de leeftijd. Inderdaad, het wordt alleen maar erger.
Bij bijna iedereen. Ook bij mij. Het is zelfs al een beetje begonnen.
Ik loop een kamer in om iets te halen en als ik er sta, weet ik niet meer wat ik kwam halen. Ik vergeet namen. Ik loop buiten en weet opeens niet meer of ik de deur achter me heb dichtgetrokken.
Ik kijk in de spiegel en zie de twijfel die ik ook in mijn vaders ogen zag. En de angst. Omdat het alleen maar erger wordt. En ík heb geen partner die mijn geheugen wordt als ik dat niet meer heb.
Net zo min als al die andere twee miljoen alleenstaanden in Nederland. Hoe gaan we dit oplossen?
Loes Gouweloos,
februari 2012
Huisdieren
Wie laat er nou ook een halfvolle afvalbak een week lang in huis staan terwijl
het zo warm is dat de mussen dood van het dak vallen?
Wie? Ik!
Als ik mijn vakantiekoffer heb ingepakt, naar de auto heb gesjouwd, en de achterbank van diezelfde auto met veel moeite naar voren heb geklapt in zijn vakantiestand, doet mijn gammele rug zo'n pijn dat ik alleen nog maar kan neervallen op de bank. Nu ook nog de afvalbak leegmaken en de vuilniszak naar buiten sjouwen - dat wordt me te veel.
Die kan best een week zo blijven staan, maak ik mezelf wijs: hij sluit goed af en er zit niets in dat kan bederven.
Als ik een week later vrolijk en bruinverbrand weer thuiskom, en achteloos mijn kauwgommetje in de afvalemmer gooi, word ik geconfronteerd met de gevolgen van mijn zelfbedrog.
Zodra hij opengaat, stijgt een wolk van vliegjes op uit de bak. Wild wuivend en proestend sla ik ze van me af. Brrrr... wat een griezels. Ze zijn maar klein, maar ze zijn met zoveel...
Als ik eten klaarmaak, moet ik voortdurend de vliegjes wegslaan. Als ik een appeltje eet, eten zij mee en intussen vliegen ze opdringerig mijn mond, ogen en neusgaten binnen. Ik word er beroerd van.
In plaats van lekker rustig na te genieten van mijn vakantie, moet ik direct aan de slag.
Vuilniszak buiten in de ondergrondse afvalcontainer gooien. Afvalbak stevig schoonboenen met chloor.
En de tientallen overgebleven vliegjes eigenhandig vermoorden.
Dat blijkt nog niet mee te vallen: in tegenstelling tot hun grotere mede-insecten, laten zij zich niet electrocuteren door mijn electrische vliegenmepper: ze vliegen triomfantelijk door de bespanning heen. Vliegen zelfs vrijwillig nog een keer terug voor een tweede passage, om er bij mij genadeloos in te peperen dat ik hen niets kan maken.
Nu word ik pas echt kwaad. Wie is hier de baas in huis, zij of ik?!
Met in elke hand een slipper, ga ik op jacht. Zodra een fruitvliegje stilzit op muur of raam, sla ik hem dood. Na een hele middag fruitvliegjagen, kom ik als overwinnaar uit de strijd.
Althans, dat denk ik. Totdat ik mijn blinkende, grondig gereinigde, van een nieuwe vuilniszak voorziene afvalemmer weer open. Opnieuw komt er een peleton fruitvliegjes naar buiten vliegen. Hoe is dit in vredesnaam mogelijk? Waar komen ze vandaan? Ik had ze verdorie toch uitgeroeid?
Met mijn Ipad op schoot ga ik zo ver mogelijk bij de bak vandaan zitten googelen op het woord 'fruitvliegje'. Ik vind websites vol afschrikwekkende verhalen over fruitvliegplagen, en over de verbijsterende snelheid waarmee de beestjes zich voortplanten. Dat hebben ze dus inderdaad schaamteloos gedaan, in mijn vuilniszak! Viezerikken.
Gelukkig wemelt het ook van de goedbedoelde tips en adviezen:
Kruidnagelen. Een 'fruitvliegenval' van witte wijnazijn met afwasmiddel. Een val van fruit met geperforeerd aluminiumfolie erover. De stofzuiger.
Ik probeer ze allemaal, maar helaas... De vliegjes nemen schaterlachend plaats op het randje van de 'val', genieten met volle teugen van de witte wijnazijn maar zijn immuun voor zowel Dreft als Dubro. Als ik hen opzuig met de stofzuiger fladderen ze een minuut later alweer achteloos mijn Miele uit, en zowel de kruidnagelen als het rotte fruit negeren ze hooghartig.
Ze hebben nog steeds voornamelijk belangstelling voor mijn toch zo grondig gereinigde afvalbak. Elke keer dat ik die open, komen er tien keer zoveel naar buiten als de keer daarvoor.
Ik weet niet meer wat ik moet doen... De gemeentelijke ongediertebestrijding langs laten komen? Mannen in witte pakken met afschrikwekkende spuitapparaten, alleen maar voor mijn minivliegjes?
Nee, dat gaat me te ver. Misschien kan ik me maar beter schikken in mijn lot, en er het beste van maken. 'If you can't beat them, join them': ik heb nooit huisdieren gewild omdat ik geen zin heb in voederen, uitlaten en dierenartsbezoeken. Met mijn fruitvliegjes hoeft dat allemaal niet: ze zijn volledig 'self-supporting'. Ze kosten niets, ze zoeken hun eigen voedsel, ze laten zichzelf uit in mijn keuken, als ze ziek zijn hoeven ze niet naar de dierenarts, en ze gaan ze dood zonder mij daarmee lastig te vallen.
En ik zal de overledenen niet missen, want tussen het opeten van mijn voedselresten door hebben ze zich vol overgave en veelvuldig voortgeplant.
Vanaf nu woon ik samen, met talloze dankbare huisgenoten.
Loes Gouweloos
augustus 2012
Wie? Ik!
Als ik mijn vakantiekoffer heb ingepakt, naar de auto heb gesjouwd, en de achterbank van diezelfde auto met veel moeite naar voren heb geklapt in zijn vakantiestand, doet mijn gammele rug zo'n pijn dat ik alleen nog maar kan neervallen op de bank. Nu ook nog de afvalbak leegmaken en de vuilniszak naar buiten sjouwen - dat wordt me te veel.
Die kan best een week zo blijven staan, maak ik mezelf wijs: hij sluit goed af en er zit niets in dat kan bederven.
Als ik een week later vrolijk en bruinverbrand weer thuiskom, en achteloos mijn kauwgommetje in de afvalemmer gooi, word ik geconfronteerd met de gevolgen van mijn zelfbedrog.
Zodra hij opengaat, stijgt een wolk van vliegjes op uit de bak. Wild wuivend en proestend sla ik ze van me af. Brrrr... wat een griezels. Ze zijn maar klein, maar ze zijn met zoveel...
Als ik eten klaarmaak, moet ik voortdurend de vliegjes wegslaan. Als ik een appeltje eet, eten zij mee en intussen vliegen ze opdringerig mijn mond, ogen en neusgaten binnen. Ik word er beroerd van.
In plaats van lekker rustig na te genieten van mijn vakantie, moet ik direct aan de slag.
Vuilniszak buiten in de ondergrondse afvalcontainer gooien. Afvalbak stevig schoonboenen met chloor.
En de tientallen overgebleven vliegjes eigenhandig vermoorden.
Dat blijkt nog niet mee te vallen: in tegenstelling tot hun grotere mede-insecten, laten zij zich niet electrocuteren door mijn electrische vliegenmepper: ze vliegen triomfantelijk door de bespanning heen. Vliegen zelfs vrijwillig nog een keer terug voor een tweede passage, om er bij mij genadeloos in te peperen dat ik hen niets kan maken.
Nu word ik pas echt kwaad. Wie is hier de baas in huis, zij of ik?!
Met in elke hand een slipper, ga ik op jacht. Zodra een fruitvliegje stilzit op muur of raam, sla ik hem dood. Na een hele middag fruitvliegjagen, kom ik als overwinnaar uit de strijd.
Althans, dat denk ik. Totdat ik mijn blinkende, grondig gereinigde, van een nieuwe vuilniszak voorziene afvalemmer weer open. Opnieuw komt er een peleton fruitvliegjes naar buiten vliegen. Hoe is dit in vredesnaam mogelijk? Waar komen ze vandaan? Ik had ze verdorie toch uitgeroeid?
Met mijn Ipad op schoot ga ik zo ver mogelijk bij de bak vandaan zitten googelen op het woord 'fruitvliegje'. Ik vind websites vol afschrikwekkende verhalen over fruitvliegplagen, en over de verbijsterende snelheid waarmee de beestjes zich voortplanten. Dat hebben ze dus inderdaad schaamteloos gedaan, in mijn vuilniszak! Viezerikken.
Gelukkig wemelt het ook van de goedbedoelde tips en adviezen:
Kruidnagelen. Een 'fruitvliegenval' van witte wijnazijn met afwasmiddel. Een val van fruit met geperforeerd aluminiumfolie erover. De stofzuiger.
Ik probeer ze allemaal, maar helaas... De vliegjes nemen schaterlachend plaats op het randje van de 'val', genieten met volle teugen van de witte wijnazijn maar zijn immuun voor zowel Dreft als Dubro. Als ik hen opzuig met de stofzuiger fladderen ze een minuut later alweer achteloos mijn Miele uit, en zowel de kruidnagelen als het rotte fruit negeren ze hooghartig.
Ze hebben nog steeds voornamelijk belangstelling voor mijn toch zo grondig gereinigde afvalbak. Elke keer dat ik die open, komen er tien keer zoveel naar buiten als de keer daarvoor.
Ik weet niet meer wat ik moet doen... De gemeentelijke ongediertebestrijding langs laten komen? Mannen in witte pakken met afschrikwekkende spuitapparaten, alleen maar voor mijn minivliegjes?
Nee, dat gaat me te ver. Misschien kan ik me maar beter schikken in mijn lot, en er het beste van maken. 'If you can't beat them, join them': ik heb nooit huisdieren gewild omdat ik geen zin heb in voederen, uitlaten en dierenartsbezoeken. Met mijn fruitvliegjes hoeft dat allemaal niet: ze zijn volledig 'self-supporting'. Ze kosten niets, ze zoeken hun eigen voedsel, ze laten zichzelf uit in mijn keuken, als ze ziek zijn hoeven ze niet naar de dierenarts, en ze gaan ze dood zonder mij daarmee lastig te vallen.
En ik zal de overledenen niet missen, want tussen het opeten van mijn voedselresten door hebben ze zich vol overgave en veelvuldig voortgeplant.
Vanaf nu woon ik samen, met talloze dankbare huisgenoten.
Loes Gouweloos
augustus 2012
Neusvleugel
Friesland. Misschien komt het door de naam. Maar bij deze
Elfstedentochtprovincie denk ik, hoewel het hartje zomer is, niet aan een
brandend hete zon en tropische temperaturen.
Toch zijn die er, in Friesland, als ik daar in augustus een weekje vakantie houd - bij wijze van buitensporige zelfverwennerij in een luxe vijfsterrenhotel: een voormalige 'staete' omgeven door een uitgestrekt landgoed met vijvers, fonteinen, eeuwenoude eikenbomen, en grasgazonnen waarvan elk sprietje dagelijks met een loep wordt geïnspecteerd en vervolgens nauwkeurig met een zilveren nagelschaartje wordt gemillimeterd.
Alvorens het wijde Friese land in te trekken, breng ik elke ochtend door op het idyllisch gelegen terras voor het landhuis, met uitzicht op de zeshonderd meter lange oprijlaan en de trots wapperende vlag van de adellijke familie die hier in vroeger tijden heeft gewoond.
Dankzij de schone Friese lucht steekt de zomerzon extra hard, waardoor ik er al na twee dagen uitzie als de kreeft waarvan de vijfsterrenkok hier zulke exquise soep bereidt.
Mijn huid brandt en prikt, hier is zelfs geen Factor 86 tegen opgewassen. Mijn neus heeft het, zoals gebruikelijk, het zwaarst te verduren. Uit ervaring weet ik dat het slechts een kwestie is van tijd voordat de vellen erbij zullen hangen. Ik moet er dus iets op bedenken.
Ik leg mijn hand op mijn neus, ik schaf een zonnehoedje aan, maar de zon weet mijn neus desondanks steeds weer te vinden. En het ergste moet nog komen...:
Op de zonnigste dag van de week begeef ik me met een van verheugen bonkend hart naar wat al jaren mijn favoriete plekje is in Nederland: de dijk bij de Zwarte Haan, het uiterste noordwestpuntje van Friesland, waar de weg doodloopt, de meeuwen schreeuwen, en de toerisme-industrie nog niet heeft toegeslagen. In-tevreden nestel ik me op een klapstoeltje op de dijk van de Waddenzee en geniet ik een hele middag van het weidse uitzicht, het geluid van de stilte, de zon, de wind en niet in het minst van de afwezigheid van mensen en hun bijbehorende gekwetter, geschreeuw en mobiele telefoongeluiden.
Aan het eind van de middag keer ik, nog steeds in een flow, terug naar mijn hotel.
Die flow wil ik niet doorbreken, dus ik besluit me niet om te kleden voor het diner. Na een verkoelend drankje op het terras begeef ik me rechtstreeks naar de met gobelins en eeuwenoude familieportretten versierde zaal waar het zevengangendiner bij kaarslicht zal worden opgediend door de eigenaar zelf: een heer van stand, in een smetteloos lichtgrijs kostuum, die met gedempte stem en zedig gevouwen handen liefdevolle toelichtingen geeft bij de exquise gerechten en verfijnde wijnen. Aan het eind van elke gang informeert hij steevast: "Heeft het u mogen smaken?"
Daarbij probeert hij me aan te kijken met een zorgvuldig uitgebalanceerde combinatie van vriendelijke beschaving en professionele distantie - maar toch heb ik het gevoel dat dat laatste hem niet helemaal lukt. Iets in zijn blik klopt niet, ik bespeur een lichte verwildering, een subtiel ongemak.
Zou hij het me kwalijk nemen dat ik niet in mijn galajurk ben verschenen? Dat ik me, na mijn dag op de Waddenzeedijk, niet uitgebreid heb opgemaakt noch heb besprenkeld met Chanel 19?
Ik weet het niet, ik tast in het duister, maar ik besluit mijn stemming er niet door te laten bederven.
Ik geniet van de heerlijke amuses, voor-, tussen- en hoofdgerechten, en als afsluiting van een hangop van originele Friese kletskop, linksdraaiend roomijs en rechtsdraaiende huisgemaakte passievruchten, op een delicaat bedje van gepureerde Beerenburggelatine.
Als ik voldaan de dinerzaal verlaat, kijken de andere gasten me opvallend langdurig na. Ik staar hooghartig terug. Wat denken ze wel?! Zo lelijk is mijn spijkerbroek nou toch ook weer niet?
Als ik vervolgens, nog steeds voldaan, mijn luxe staetekamer binnenkom, loop ik langs de aldaar hangende metershoge spiegel met massief eikenhouten rand.
En dan zie ik het... Daar zit ie, nog steeds:
Mijn eigen, huisgemaakte neusvleugel, die ik eerder deze dag heb gefabriceerd van het gifgroene, van een ingewikkeld familiewapen voorziene briefpapier van het hotel.
Een oude truc, geleerd van mijn vader: een stukje papier met een vouw in het midden, waarvan ik de bovenkant onder mijn bril heb geschoven. Van een ontroerende eenvoud, en toch indrukwekkend effectief.
Mijn adellijke derde neusvleugel heeft mijn neus de hele dag optimaal beschermd tegen de kankerverwekkende en anderszins vileine zonnestralen.
Maar ik geef toe: te midden van kroonluchters, eeuwenoud porselein en zwaar tafelzilver had ik hem beter af kunnen zetten.
Loes Gouweloos
augustus 2012
Toch zijn die er, in Friesland, als ik daar in augustus een weekje vakantie houd - bij wijze van buitensporige zelfverwennerij in een luxe vijfsterrenhotel: een voormalige 'staete' omgeven door een uitgestrekt landgoed met vijvers, fonteinen, eeuwenoude eikenbomen, en grasgazonnen waarvan elk sprietje dagelijks met een loep wordt geïnspecteerd en vervolgens nauwkeurig met een zilveren nagelschaartje wordt gemillimeterd.
Alvorens het wijde Friese land in te trekken, breng ik elke ochtend door op het idyllisch gelegen terras voor het landhuis, met uitzicht op de zeshonderd meter lange oprijlaan en de trots wapperende vlag van de adellijke familie die hier in vroeger tijden heeft gewoond.
Dankzij de schone Friese lucht steekt de zomerzon extra hard, waardoor ik er al na twee dagen uitzie als de kreeft waarvan de vijfsterrenkok hier zulke exquise soep bereidt.
Mijn huid brandt en prikt, hier is zelfs geen Factor 86 tegen opgewassen. Mijn neus heeft het, zoals gebruikelijk, het zwaarst te verduren. Uit ervaring weet ik dat het slechts een kwestie is van tijd voordat de vellen erbij zullen hangen. Ik moet er dus iets op bedenken.
Ik leg mijn hand op mijn neus, ik schaf een zonnehoedje aan, maar de zon weet mijn neus desondanks steeds weer te vinden. En het ergste moet nog komen...:
Op de zonnigste dag van de week begeef ik me met een van verheugen bonkend hart naar wat al jaren mijn favoriete plekje is in Nederland: de dijk bij de Zwarte Haan, het uiterste noordwestpuntje van Friesland, waar de weg doodloopt, de meeuwen schreeuwen, en de toerisme-industrie nog niet heeft toegeslagen. In-tevreden nestel ik me op een klapstoeltje op de dijk van de Waddenzee en geniet ik een hele middag van het weidse uitzicht, het geluid van de stilte, de zon, de wind en niet in het minst van de afwezigheid van mensen en hun bijbehorende gekwetter, geschreeuw en mobiele telefoongeluiden.
Aan het eind van de middag keer ik, nog steeds in een flow, terug naar mijn hotel.
Die flow wil ik niet doorbreken, dus ik besluit me niet om te kleden voor het diner. Na een verkoelend drankje op het terras begeef ik me rechtstreeks naar de met gobelins en eeuwenoude familieportretten versierde zaal waar het zevengangendiner bij kaarslicht zal worden opgediend door de eigenaar zelf: een heer van stand, in een smetteloos lichtgrijs kostuum, die met gedempte stem en zedig gevouwen handen liefdevolle toelichtingen geeft bij de exquise gerechten en verfijnde wijnen. Aan het eind van elke gang informeert hij steevast: "Heeft het u mogen smaken?"
Daarbij probeert hij me aan te kijken met een zorgvuldig uitgebalanceerde combinatie van vriendelijke beschaving en professionele distantie - maar toch heb ik het gevoel dat dat laatste hem niet helemaal lukt. Iets in zijn blik klopt niet, ik bespeur een lichte verwildering, een subtiel ongemak.
Zou hij het me kwalijk nemen dat ik niet in mijn galajurk ben verschenen? Dat ik me, na mijn dag op de Waddenzeedijk, niet uitgebreid heb opgemaakt noch heb besprenkeld met Chanel 19?
Ik weet het niet, ik tast in het duister, maar ik besluit mijn stemming er niet door te laten bederven.
Ik geniet van de heerlijke amuses, voor-, tussen- en hoofdgerechten, en als afsluiting van een hangop van originele Friese kletskop, linksdraaiend roomijs en rechtsdraaiende huisgemaakte passievruchten, op een delicaat bedje van gepureerde Beerenburggelatine.
Als ik voldaan de dinerzaal verlaat, kijken de andere gasten me opvallend langdurig na. Ik staar hooghartig terug. Wat denken ze wel?! Zo lelijk is mijn spijkerbroek nou toch ook weer niet?
Als ik vervolgens, nog steeds voldaan, mijn luxe staetekamer binnenkom, loop ik langs de aldaar hangende metershoge spiegel met massief eikenhouten rand.
En dan zie ik het... Daar zit ie, nog steeds:
Mijn eigen, huisgemaakte neusvleugel, die ik eerder deze dag heb gefabriceerd van het gifgroene, van een ingewikkeld familiewapen voorziene briefpapier van het hotel.
Een oude truc, geleerd van mijn vader: een stukje papier met een vouw in het midden, waarvan ik de bovenkant onder mijn bril heb geschoven. Van een ontroerende eenvoud, en toch indrukwekkend effectief.
Mijn adellijke derde neusvleugel heeft mijn neus de hele dag optimaal beschermd tegen de kankerverwekkende en anderszins vileine zonnestralen.
Maar ik geef toe: te midden van kroonluchters, eeuwenoud porselein en zwaar tafelzilver had ik hem beter af kunnen zetten.
Loes Gouweloos
augustus 2012
Noorse Kroon
Eindelijk!
Al mijn halve leven wil ik naar Noorwegen, het land van de imposante fjorden,
de eeuwige sneeuw en het noorderlicht. Nu is het eindelijk zover.
Na mijn mislukte rivierencruise van vorig jaar, waar ik een week lang werd ondergebracht in een lawaaierige hut ter grootte van een bezemkast, heb ik nu een chique zeecruise geboekt. Ik geniet van de luxe en het comfort. Als ik moe word, trek ik me even terug in mijn ruime hut - die op dit schip 'stateroom' heet - en vlei ik me neer op mijn dubbele boxspring. Heerlijk.
Ook het eten is heerlijk. Maar tijdens het diner voel ik opeens een hevige zenuwpijnscheut, vanuit mijn kies recht omhoog tot bij mijn wenkbrauw. De pijn wordt 's nachts alleen maar erger, ik doe geen oog dicht. Dat heb ík weer!
Na een lange zeereis open ik om 5 uur ‘s ochtends mijn gordijnen. In de verte zie ik heuvels. Dit is dan eindelijk Noorwegen, het land van mijn dromen.
Even later stappen we aan wal in Bergen. Mooie stad, maar ik heb er weinig oog voor. Ik heb de hele nacht niet geslapen, heb niet kunnen ontbijten, en crepeer van de kiespijn. Ik had me mijn eerste kennismaking met Noorwegen heel anders voorgesteld...
Ik kan het beroemde stadscentrum met de houten huisjes niet bekijken, want ik moet naar een tandarts, in een buitenwijk van Bergen. Na een op een kidnapping lijkende taxirit met onbekende bestemming, wacht daar de volgende tegenvaller: zojuist is de stroom uitgevallen. De patiënten zijn naar huis gestuurd, want de apparatuur werkt niet. De receptioniste heeft geen idee hoe lang de stroomstoring zal duren en of ik nog wel kan worden geholpen. Verslagen val ik neer in een stoel. Wat nu?...
Dan komt de tandarts binnen. Mijn beeld van Noorse mannen is gebaseerd op Scandinavische films: grofgebouwd, corpulent, peper-en-zoutkleurig haar.
Maar deze tandarts voldoet niet aan dat beeld. Integendeel. Voor me staat een man die zo is weggelopen uit een Hollywoodfilm: lang, slank, gitzwart haar, lichtblauwe ogen die onweerstaanbaar twinkelen, hagelwitte tanden en dito broek, en een tandartsshirt in dezelfde kleur als zijn ogen. Hij lacht me toe en zegt in perfect Engels: "I'm sorry, we have a power cut. But don't worry, I'll make sure you're gonna be alright". Een prachtige donkerbruine stem, en een betoverende glimlach - ik geloof hem direct.
Hij vertelt dat hier nooit stroomstoringen zijn, dus dat ik getuige ben van een historisch moment. Even verderop wordt aan de weg gewerkt, en bij het graven is vermoedelijk een kabel geraakt. En als dat niet de oorzaak is, zegt hij - verwijzend naar Anders Breivik - dan is het 'another terrorist attack'.
Leuk! Humor op het randje, daar houd ik wel van. Ik krijg de smaak te pakken, en antwoord dat de wegwerkers hetzelfde doen als hij, namelijk: boren.
Zijn ogen twinkelen nu nog mooier. "Yes, but they drill deeper…", zegt hij zacht.
Ik kan er niets aan doen: ik moet opeens denken aan het schunnige maar oh zo leuke liedje van Bette Midler, over de onweerstaanbare Doctor Long John.
Na mijn mislukte rivierencruise van vorig jaar, waar ik een week lang werd ondergebracht in een lawaaierige hut ter grootte van een bezemkast, heb ik nu een chique zeecruise geboekt. Ik geniet van de luxe en het comfort. Als ik moe word, trek ik me even terug in mijn ruime hut - die op dit schip 'stateroom' heet - en vlei ik me neer op mijn dubbele boxspring. Heerlijk.
Ook het eten is heerlijk. Maar tijdens het diner voel ik opeens een hevige zenuwpijnscheut, vanuit mijn kies recht omhoog tot bij mijn wenkbrauw. De pijn wordt 's nachts alleen maar erger, ik doe geen oog dicht. Dat heb ík weer!
Na een lange zeereis open ik om 5 uur ‘s ochtends mijn gordijnen. In de verte zie ik heuvels. Dit is dan eindelijk Noorwegen, het land van mijn dromen.
Even later stappen we aan wal in Bergen. Mooie stad, maar ik heb er weinig oog voor. Ik heb de hele nacht niet geslapen, heb niet kunnen ontbijten, en crepeer van de kiespijn. Ik had me mijn eerste kennismaking met Noorwegen heel anders voorgesteld...
Ik kan het beroemde stadscentrum met de houten huisjes niet bekijken, want ik moet naar een tandarts, in een buitenwijk van Bergen. Na een op een kidnapping lijkende taxirit met onbekende bestemming, wacht daar de volgende tegenvaller: zojuist is de stroom uitgevallen. De patiënten zijn naar huis gestuurd, want de apparatuur werkt niet. De receptioniste heeft geen idee hoe lang de stroomstoring zal duren en of ik nog wel kan worden geholpen. Verslagen val ik neer in een stoel. Wat nu?...
Dan komt de tandarts binnen. Mijn beeld van Noorse mannen is gebaseerd op Scandinavische films: grofgebouwd, corpulent, peper-en-zoutkleurig haar.
Maar deze tandarts voldoet niet aan dat beeld. Integendeel. Voor me staat een man die zo is weggelopen uit een Hollywoodfilm: lang, slank, gitzwart haar, lichtblauwe ogen die onweerstaanbaar twinkelen, hagelwitte tanden en dito broek, en een tandartsshirt in dezelfde kleur als zijn ogen. Hij lacht me toe en zegt in perfect Engels: "I'm sorry, we have a power cut. But don't worry, I'll make sure you're gonna be alright". Een prachtige donkerbruine stem, en een betoverende glimlach - ik geloof hem direct.
Hij vertelt dat hier nooit stroomstoringen zijn, dus dat ik getuige ben van een historisch moment. Even verderop wordt aan de weg gewerkt, en bij het graven is vermoedelijk een kabel geraakt. En als dat niet de oorzaak is, zegt hij - verwijzend naar Anders Breivik - dan is het 'another terrorist attack'.
Leuk! Humor op het randje, daar houd ik wel van. Ik krijg de smaak te pakken, en antwoord dat de wegwerkers hetzelfde doen als hij, namelijk: boren.
Zijn ogen twinkelen nu nog mooier. "Yes, but they drill deeper…", zegt hij zacht.
Ik kan er niets aan doen: ik moet opeens denken aan het schunnige maar oh zo leuke liedje van Bette Midler, over de onweerstaanbare Doctor Long John.
Intussen
heeft míjn Doctor Long John, die ik in gedachten heb omgedoopt tot Niels, de
wachtkamer verlaten. Terwijl ik in mezelf het Midlerliedje zit te zingen,
floepen de lampen aan en beginnen de computers te piepen. We hebben weer stroom!
De receptioniste leidt me de behandelkamer binnen. Ik verheug me al op mijn weerzien met Niels. Wat mij betreft mag hij, à la Doctor Long John, heel 'deep' bij me gaan 'drillen' - ik geef me graag aan hem over...
Maar helaas: voor me staat een veel jongere tandarts. Leuke jongen, maar lang niet zo charismatisch als Niels.
Hij pulkt met een haakje in mijn pijnlijke kies.
Peng! Behendig vangt hij de gebroken vulling op die uit mijn mond naar buiten vliegt. Ik kuch en produceer een halve kies die spontaan heeft besloten om, uit solidariteit met de vulling, ook af te breken.
De jonge tandarts doet zijn monddoekje voor en pakt zijn boor. Maar die doet niets. En de lichten zijn ook weer uitgegaan. Opnieuw een stroomstoring...
Daar zit ik dan, op mijn eerste vakantiedag, in een Noorse tandartsstoel, met in mijn mond een gat ter grootte van een fjord.
De deur zwaait open. Daar is Niels weer. Hij kijkt naar het witte doekje waarop mijn kies plus vulling liggen uitgestald. "Wow…", zegt hij bewonderend, gevolgd door opnieuw die betoverende glimlach. "Don't worry, you'll be alright."
Als er even later weer stroom is, wordt mijn kies inderdaad vakkundig gevuld. Maar als ik weer thuis ben, moet er een kroon op.
Ik had liever een Noorse kroon gehad, aangebracht door Niels himself tijdens een zéér langdurige behandeling.
Maar ja, ik heb geen pijn meer, ik zal het ermee moeten doen. Nu kan mijn droomvakantie eindelijk beginnen.
Loes Gouweloos
juli 2012
floepen de lampen aan en beginnen de computers te piepen. We hebben weer stroom!
De receptioniste leidt me de behandelkamer binnen. Ik verheug me al op mijn weerzien met Niels. Wat mij betreft mag hij, à la Doctor Long John, heel 'deep' bij me gaan 'drillen' - ik geef me graag aan hem over...
Maar helaas: voor me staat een veel jongere tandarts. Leuke jongen, maar lang niet zo charismatisch als Niels.
Hij pulkt met een haakje in mijn pijnlijke kies.
Peng! Behendig vangt hij de gebroken vulling op die uit mijn mond naar buiten vliegt. Ik kuch en produceer een halve kies die spontaan heeft besloten om, uit solidariteit met de vulling, ook af te breken.
De jonge tandarts doet zijn monddoekje voor en pakt zijn boor. Maar die doet niets. En de lichten zijn ook weer uitgegaan. Opnieuw een stroomstoring...
Daar zit ik dan, op mijn eerste vakantiedag, in een Noorse tandartsstoel, met in mijn mond een gat ter grootte van een fjord.
De deur zwaait open. Daar is Niels weer. Hij kijkt naar het witte doekje waarop mijn kies plus vulling liggen uitgestald. "Wow…", zegt hij bewonderend, gevolgd door opnieuw die betoverende glimlach. "Don't worry, you'll be alright."
Als er even later weer stroom is, wordt mijn kies inderdaad vakkundig gevuld. Maar als ik weer thuis ben, moet er een kroon op.
Ik had liever een Noorse kroon gehad, aangebracht door Niels himself tijdens een zéér langdurige behandeling.
Maar ja, ik heb geen pijn meer, ik zal het ermee moeten doen. Nu kan mijn droomvakantie eindelijk beginnen.
Loes Gouweloos
juli 2012
Abonneren op:
Posts (Atom)