Friesland. Misschien komt het door de naam. Maar bij deze
Elfstedentochtprovincie denk ik, hoewel het hartje zomer is, niet aan een
brandend hete zon en tropische temperaturen.
Toch zijn die er, in Friesland, als ik daar in augustus een weekje vakantie
houd - bij wijze van buitensporige zelfverwennerij in een luxe
vijfsterrenhotel: een voormalige 'staete' omgeven door een uitgestrekt landgoed
met vijvers, fonteinen, eeuwenoude eikenbomen, en grasgazonnen waarvan elk
sprietje dagelijks met een loep wordt geïnspecteerd en vervolgens nauwkeurig
met een zilveren nagelschaartje wordt gemillimeterd.
Alvorens het wijde Friese land in te trekken, breng ik elke ochtend door op het
idyllisch gelegen terras voor het landhuis, met uitzicht op de zeshonderd meter
lange oprijlaan en de trots wapperende vlag van de adellijke familie die hier
in vroeger tijden heeft gewoond.
Dankzij de schone Friese lucht steekt de zomerzon extra hard, waardoor ik er al
na twee dagen uitzie als de kreeft waarvan de vijfsterrenkok hier zulke exquise
soep bereidt.
Mijn huid brandt en prikt, hier is zelfs geen Factor 86 tegen opgewassen. Mijn
neus heeft het, zoals gebruikelijk, het zwaarst te verduren. Uit ervaring weet
ik dat het slechts een kwestie is van tijd voordat de vellen erbij zullen
hangen. Ik moet er dus iets op bedenken.
Ik leg mijn hand op mijn neus, ik schaf een zonnehoedje aan, maar de zon weet
mijn neus desondanks steeds weer te vinden. En het ergste moet nog komen...:
Op de zonnigste dag van de week begeef ik me met een van verheugen bonkend hart
naar wat al jaren mijn favoriete plekje is in Nederland: de dijk bij de Zwarte
Haan, het uiterste noordwestpuntje van Friesland, waar de weg doodloopt, de
meeuwen schreeuwen, en de toerisme-industrie nog niet heeft toegeslagen.
In-tevreden nestel ik me op een klapstoeltje op de dijk van de Waddenzee en
geniet ik een hele middag van het weidse uitzicht, het geluid van de stilte, de
zon, de wind en niet in het minst van de afwezigheid van mensen en hun
bijbehorende gekwetter, geschreeuw en mobiele telefoongeluiden.
Aan het eind van de middag keer ik, nog steeds in een flow, terug naar mijn
hotel.
Die flow wil ik niet doorbreken, dus ik besluit me niet om te kleden voor het
diner. Na een verkoelend drankje op het terras begeef ik me rechtstreeks naar
de met gobelins en eeuwenoude familieportretten versierde zaal waar het
zevengangendiner bij kaarslicht zal worden opgediend door de eigenaar zelf: een
heer van stand, in een smetteloos lichtgrijs kostuum, die met gedempte stem en
zedig gevouwen handen liefdevolle toelichtingen geeft bij de exquise gerechten
en verfijnde wijnen. Aan het eind van elke gang informeert hij steevast:
"Heeft het u mogen smaken?"
Daarbij probeert hij me aan te kijken met een zorgvuldig uitgebalanceerde
combinatie van vriendelijke beschaving en professionele distantie - maar toch
heb ik het gevoel dat dat laatste hem niet helemaal lukt. Iets in zijn blik
klopt niet, ik bespeur een lichte verwildering, een subtiel ongemak.
Zou hij het me kwalijk nemen dat ik niet in mijn galajurk ben verschenen? Dat
ik me, na mijn dag op de Waddenzeedijk, niet uitgebreid heb opgemaakt noch heb
besprenkeld met Chanel 19?
Ik weet het niet, ik tast in het duister, maar ik besluit mijn stemming er niet
door te laten bederven.
Ik geniet van de heerlijke amuses, voor-, tussen- en hoofdgerechten, en als
afsluiting van een hangop van originele Friese kletskop, linksdraaiend roomijs
en rechtsdraaiende huisgemaakte passievruchten, op een delicaat bedje van
gepureerde Beerenburggelatine.
Als ik voldaan de dinerzaal verlaat, kijken de andere gasten me opvallend
langdurig na. Ik staar hooghartig terug. Wat denken ze wel?! Zo lelijk is mijn
spijkerbroek nou toch ook weer niet?
Als ik vervolgens, nog steeds voldaan, mijn luxe staetekamer binnenkom, loop ik
langs de aldaar hangende metershoge spiegel met massief eikenhouten rand.
En dan zie ik het... Daar zit ie, nog steeds:
Mijn eigen, huisgemaakte neusvleugel, die ik eerder deze dag heb gefabriceerd
van het gifgroene, van een ingewikkeld familiewapen voorziene briefpapier van
het hotel.
Een oude truc, geleerd van mijn vader: een stukje papier met een vouw in het
midden, waarvan ik de bovenkant onder mijn bril heb geschoven. Van een
ontroerende eenvoud, en toch indrukwekkend effectief.
Mijn adellijke derde neusvleugel heeft mijn neus de hele dag optimaal beschermd
tegen de kankerverwekkende en anderszins vileine zonnestralen.
Maar ik geef toe: te midden van kroonluchters, eeuwenoud porselein en zwaar
tafelzilver had ik hem beter af kunnen zetten.
Loes Gouweloos
augustus 2012
maandag 27 augustus 2012
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten