“Mevrouw. Mevrouw!”
Ik hoor paniek in zijn schrille stem. En als ik opkijk van de boodschappenband bij de supermarktkassa, zie ik paniek in zijn ogen.
Een lange, magere man van een jaar of zestig. Tasje om zijn linkerarm, klein bosje narcissen in de rechterhand. Nog in de knop, zonder papiertje erom. Net zo lang en dun en kaal als de man zelf.
Die gaat zijn vrouw eens flink verrassen, grinnik ik in mezelf.
Maar het grinniken vergaat me als hij opnieuw roept, nog harder en met nog meer paniek in zijn stem dan zoëven: “Mevrouw, mevrouw, staat daar onder de kassa nog mijn winkelmandje? Ik ben mijn tas kwijt, met alles erin! Misschien heb ik hem in het mandje laten liggen!”
Ik check het ene mandje dat eenzaam onder de kassa staat.
“Nee hoor, het is leeg, er zit niets in”, roep ik terug.
Paniek slaat om in wanhoop. De man wendt zich tot de caissière, een vlot, vrolijk meisje van een jaar of achttien, en vraagt op smekende toon: “Heeft iemand bij u misschien een tas afgegeven? Al mijn spullen zitten erin: geld, pasjes, sleutels…”
“Nee meneer, ik weet van niks.”
Opeens schiet ze in de lach. “Maar meneer, kijk eens goed, uw tas hangt gewoon om uw arm!”
Ze schatert het uit. Klanten die het schouwspel hebben gadegeslagen, schieten ook in de lach.
Verdwaasd kijkt de man naar zijn linkerarm.
Opnieuw schrikt hij, maar nu niet omdat hij zijn tas kwijt is.
Hij probeert zijn schrik te camoufleren. Lacht mee, net iets te hard. Steekt joviaal zijn hand omhoog, net iets te uitbundig. En roept terug:
“Ja ja, de leeftijd hè? En dat wordt alleen maar erger hoor!”
Dan beent hij haastig de winkel uit.
De klanten lachen nog wat na. Maar ik niet meer.
Ik zie mijn vader voor me. Bij hem begon het ook zo. Met rare vergissingen, waar hij zich tegenover de buitenwereld met een grap nog prima uit kon redden.
Maar van binnen knaagde de twijfel. De onzekerheid. Ben ik niet iets vergeten? Kan ik dat nog wel? Als ik een verhaal vertel, heb ik dat dan al niet tien keer eerder verteld? Vinden ze me dom?
Eens zo zelfverzekerd en alert, veranderde hij in zijn laatste levensjaren steeds meer in een onzekere, angstige man die zichzelf niet meer vertrouwde. Die uiteindelijk noodgedwongen alleen nog maar op anderen kon vertrouwen. Wat dat betreft bofte hij nog, met een vrouw die een glashelder geheugen had. Dankzij haar kon hij nog enigszins blijven functioneren.
Inderdaad, de leeftijd. Inderdaad, het wordt alleen maar erger.
Bij bijna iedereen. Ook bij mij. Het is zelfs al een beetje begonnen.
Ik loop een kamer in om iets te halen en als ik er sta, weet ik niet meer wat ik kwam halen. Ik vergeet namen. Ik loop buiten en weet opeens niet meer of ik de deur achter me heb dichtgetrokken.
Ik kijk in de spiegel en zie de twijfel die ik ook in mijn vaders ogen zag. En de angst. Omdat het alleen maar erger wordt. En ík heb geen partner die mijn geheugen wordt als ik dat niet meer heb.
Net zo min als al die andere twee miljoen alleenstaanden in Nederland. Hoe gaan we dit oplossen?
Loes Gouweloos,
februari 2012