maandag 11 februari 2013

Bultrugblues

Dat krijg je ervan. Al die aandacht in de media brengt mensen op een idee.
Word je gepest? Dan schrijf je geen droevige verhaaltjes in de dagboek. Je scheldt niet terug. Je schakelt niet je ouders of leraren in. Ouderwets…
Nee, je hangt je op, je springt voor een trein, je snijdt je polsen door.
Dat zal ze leren: schuldgevoel en wroeging, hun hele leven lang.

Datzelfde zal Johannes hebben gedacht. Wij mensen denken wel dat wij zo anders zijn dan dieren, maar ook een bultrug heeft gevoel. Zeker een puberbultrug.

Al zijn hele jonge leven lang werd hij gepest. Werd zij gepest - want daar zat 'm nou juist het probleem. Oké, Johanna kwam wat jongensachtig over. Maar ze was toch echt een meisje.
En als je dan gaat puberen en je schoolmaatjes noemen je Johannes, alleen maar omdat je iets meer snorharen hebt en een stukje verder spuit dan de andere meisjes, dan komt dat aan bij een gevoelige walvisziel. Je raakt in jezelf gekeerd, je vertrouwt niemand meer, je schaamt je, ook voor je ouders en voor het hoofd van de walvisschool. Je speelt niet meer met de anderen, je wordt steeds eenzamer.

En dan, op een dag, als je ligt te treuren op een zandbank, hoor je opvarenden van een naburige vissersboot praten over mensenkinderen die net zo worden gepest als jij: Tim, Fleur, Anass. Net zo bespot en vernederd als jij. Net zo ongelukkig en wanhopig. Maar zíj hebben er iets op gevonden...

Even voel je je nóg eenzamer: jíj kunt niet voor een trein springen, jij kunt je niet ophangen, en polsen heb je niet eens.
Maar dan bedenk je iets. Jij kunt hetzelfde doen als wat je oma heeft gedaan: een eenzaam plekje opzoeken, stoppen met eten en drinken, en na een paar dagen ben je uit je lijden verlost en heb je wraak genomen op je pestende soortgenoten.

Je hoeft niet eens lang uit te kijken naar een geschikte plek. In de verte zie je een mooi en vooral leeg eilandje. Je zwemt erheen, hijst je aan land, en je gaat liggen. Om je heen is het heerlijk stil. Geen schepen, geen mensen, en vooral: geen andere walvissen die je met z'n allen uitlachen, bespuiten en bespotten: “Johánnes, Johánnes, ná ná nánana!”.
Je sluit je ogen, je voelt de zon op je huid en de wind in je snorharen. Langzaam dommel je weg. De honger en dorst vallen mee, je voelt je vredig, je hebt eindelijk rust. De stemmen van de andere bultruggen klinken steeds verder weg, je kunt ze nauwelijks nog horen, je waant je al een beetje in de walvishemel. Nog even, dan ben je verlost uit dit lijden dat leven heet...

Nog even... Maar dan schrik je op. In de verte hoor je motorgeronk. En mensenstemmen. Met moeite doe je één oog open. Het is een schip en het komt snel naderbij. Aan boord zie je mensen met filmcamera's en fototoestellen. Maar ook mannen met takelwerktuigen en netten. Voordat je het weet, beginnen ze aan je te trekken en sjorren.
"Ga toch weg, ik wil niet terug, ik wil hier rustig sterven!", zou je willen uitroepen. Maar je bent al te veel verzwakt, en bovendien: ze begrijpen je toch niet - 'the story of your life'...

Alles wat je kunt doen is stil blijven liggen en hopen dat ze het zullen opgeven omdat je te zwaar bent. Na vele uren gebeurt dat ook, maar de volgende dag komen ze weer terug. Met nog zwaarder materieel. Het geruk en gesjor wordt nog erger.
En de mensen schreeuwen, ze bekogelen je met visjes, ze roepen pesterig "Johannes, Johannes"!

En wat doe jij, lieve Johanna? Jij huilt alleen maar, heel dikke walvistranen...
Je hebt zo'n vreselijk en eenzaam leven gehad.
Je wilde er zo graag bij horen maar de andere bultruggen wilden je er niet bij hebben.
En nu je eindelijk rust hebt gevonden, zijn het de mensen die je niet willen laten gáán. Zelfs in je laatste ogenblikken wordt je weer geen rust gegund.
Dieren zijn wreed, maar mensen zijn wreder.


Loes Gouweloos
februari 2013



Geen opmerkingen: