Dat krijg je ervan. Al die aandacht in de media brengt mensen op een idee.
Word je gepest? Dan schrijf je geen droevige verhaaltjes in de dagboek. Je
scheldt niet terug. Je schakelt niet je ouders of leraren in. Ouderwets…
Nee, je hangt je op, je springt voor een trein, je snijdt je polsen door.
Dat zal ze leren: schuldgevoel en wroeging, hun hele leven lang.
Datzelfde zal Johannes hebben gedacht. Wij mensen denken wel dat wij zo anders
zijn dan dieren, maar ook een bultrug heeft gevoel. Zeker een puberbultrug.
Al zijn hele jonge leven lang werd hij gepest. Werd zij gepest - want daar zat 'm nou juist het probleem. Oké, Johanna
kwam wat jongensachtig over. Maar ze was toch echt een meisje.
En als je dan gaat puberen en je schoolmaatjes noemen je Johannes, alleen maar
omdat je iets meer snorharen hebt en een stukje verder spuit dan de andere
meisjes, dan komt dat aan bij een gevoelige walvisziel. Je raakt in jezelf
gekeerd, je vertrouwt niemand meer, je schaamt je, ook voor je ouders en voor
het hoofd van de walvisschool. Je speelt niet meer met de anderen, je wordt
steeds eenzamer.
En dan, op een dag, als je ligt te treuren op een zandbank, hoor je opvarenden
van een naburige vissersboot praten over mensenkinderen die net zo worden
gepest als jij: Tim, Fleur, Anass. Net zo bespot en vernederd als jij. Net zo
ongelukkig en wanhopig. Maar zíj hebben er iets op gevonden...
Even voel je je nóg eenzamer: jíj kunt niet voor een trein springen, jij kunt
je niet ophangen, en polsen heb je niet eens.
Maar dan bedenk je iets. Jij kunt hetzelfde doen als wat je oma heeft gedaan:
een eenzaam plekje opzoeken, stoppen met eten en drinken, en na een paar dagen
ben je uit je lijden verlost en heb je wraak genomen op je pestende
soortgenoten.
Je hoeft niet eens lang uit te kijken naar een geschikte plek. In de verte zie
je een mooi en vooral leeg eilandje. Je zwemt erheen, hijst je aan land, en je
gaat liggen. Om je heen is het heerlijk stil. Geen schepen, geen mensen, en
vooral: geen andere walvissen die je met z'n allen uitlachen, bespuiten en
bespotten: “Johánnes, Johánnes, ná ná nánana!”.
Je sluit je ogen, je voelt de zon op je huid en de wind in je snorharen.
Langzaam dommel je weg. De honger en dorst vallen mee, je voelt je vredig, je
hebt eindelijk rust. De stemmen van de andere bultruggen klinken steeds verder
weg, je kunt ze nauwelijks nog horen, je waant je al een beetje in de
walvishemel. Nog even, dan ben je verlost uit dit lijden dat leven heet...
Nog even... Maar dan schrik je op. In de verte hoor je motorgeronk. En
mensenstemmen. Met moeite doe je één oog open. Het is een schip en het komt
snel naderbij. Aan boord zie je mensen met filmcamera's en fototoestellen. Maar ook
mannen met takelwerktuigen en netten. Voordat je het weet, beginnen ze aan je
te trekken en sjorren.
"Ga toch weg, ik wil niet terug, ik wil hier rustig sterven!", zou je
willen uitroepen. Maar je bent al te veel verzwakt, en bovendien: ze begrijpen
je toch niet - 'the story of your life'...
Alles wat je kunt doen is stil blijven liggen en hopen dat ze het zullen
opgeven omdat je te zwaar bent. Na vele uren gebeurt dat ook, maar de volgende
dag komen ze weer terug. Met nog zwaarder materieel. Het geruk en gesjor wordt
nog erger.
En de mensen schreeuwen, ze bekogelen je met visjes, ze roepen pesterig
"Johannes, Johannes"!
En wat doe jij, lieve Johanna? Jij huilt alleen maar, heel dikke
walvistranen...
Je hebt zo'n vreselijk en eenzaam leven gehad.
Je wilde er zo graag bij horen maar de andere bultruggen wilden je er niet bij
hebben.
En nu je eindelijk rust hebt gevonden, zijn het de mensen die je niet willen laten
gáán. Zelfs in je laatste ogenblikken wordt je weer geen rust gegund.
Dieren zijn wreed, maar mensen zijn wreder.
Loes Gouweloos
februari 2013
maandag 11 februari 2013
Abonneren op:
Posts (Atom)