Geluk
Een fietstochtje door de polders in de buurt van Alphen aan
den Rijn.
De geur van vers gemaaid gras, het geluid van zingende
vogels, de zon op mijn huid.
Ik geniet.
Dan een harde klap. Ik schiet over mijn stuur heen. Knal
met mijn gezicht op de punt van een verkeerspaaltje dat ik niet had gezien.
Daarna op het wegdek. Stuiter nog even door.
Dan is het stil. Doodstil.
Bloed, bloed, overal bloed. Maar vooral een ondraaglijke
pijn in mijn nek. Ik kan niet bewegen. Ik kan niets zeggen. Maar ik denk: Ik ga dood, ik ga dood,
ik heb mijn nek gebroken, ik ga dood!
Andere fietsers snellen toe. Schrikken van het bloed dat in
straaltjes uit mijn hoofd gutst.
Maar ik denk alleen maar: mijn nek, mijn nek. Nee, ik wil
niet dood. Ik wil niet dood!
112, ambulance, ziekenhuis. Een hele avond op de
Spoedeisende Hulp.
Onderzoek na onderzoek. Foto's, hechtingen, pijnstillers,
weer een onderzoek.
De pijn zakt een beetje. Ik beweeg mijn voeten. Ik beweeg
mijn handen.
En langzaamaan besef ik: nee, ik ga niet dood, ik heb
ontzettend veel geluk gehad.
Diagnose: kneuzingen van top tot teen. Ontelbare bulten en
blauwe plekken. Scheurtje in mijn oogkas. Gebroken vinger. Een gezicht vol
schaafwonden, en drie diepe gaten in mijn voorhoofd.
"Die littekens op uw gezicht zullen altijd zichtbaar
blijven, mevrouw. Maar u heeft geluk gehad. Het heeft maar een haartje
gescheeld. Hersenletsel, een dwarslaesie... Het kan een tijd duren, maar u zult
weer helemaal genezen."
De eerste paar weken thuis ben ik uitsluitend bezig met
overleven.
Ik weet met mijn verstand dat ik geluk heb gehad. Maar ik vรณel alleen maar
pijn, pijn, pijn.
Zwellingen van kruin tot kin. Slapeloze nachten. En
steeds weer zie ik mezelf door de lucht vliegen, voel ik hoe mijn hoofd over
het fietspad stuitert, zie ik plassen bloed.
Dan word ik langzaam wakker uit mijn roes. De pijn wordt
minder, de zwellingen verdwijnen, het beeld van mijn ongeluk vervaagt.
Als een mol die boven de grond komt, kom ik uit mijn hol
tevoorschijn. Ik knipper tegen het felle zonlicht, schuifel voorzichtig over
straat, zijg neer op een bankje in het park.
En daar dringt het pas echt tot me door: ik leef, ik leef.
Tranen van dankbaarheid.
Nu weet ik niet alleen
dat ik geluk heb gehad, nu voel ik het ook. Domweg gelukkig, blij dat ik
er nog ben. Zorgen van voor mijn val betekenen niets meer, lijken iets uit een
heel ver verleden.
Ik hoop dat ik in staat zal zijn
dat gevoel vast te houden.
Het schijnt dat je ontsierende
littekens kunt laten weg-laseren. Maar ik ga dat niet doen, ik ga ze
koesteren als een herinnering aan het geluk dat ik heb gehad.
Ik heb niets meer nodig dan dit:
ademen, ruiken, horen, zien. Leven.
Gewoon een bankje in een park in Alphen aan den Rijn.
De geur van vers gemaaid gras, het geluid van zingende
vogels, de zon op mijn huid.
Geluk.
Loes Gouweloos
mei 2014
Geen opmerkingen:
Een reactie posten