"Prinses Beatrix heeft haar jukbeen gebroken na een onfortuinlijke val in
huiselijke kring", zo meldt de Rijksvoorlichtingsdienst.
Over het algemeen is het taalgebruik van deze wat mysterieuze organisatie
weliswaar zwaar koninklijk omfloerst, maar wel altijd even onberispelijk als
het orkaanbestendige kapsel van dezelfde Prinses Beatrix. Maar de Koninklijke
Smak heeft kennelijk zo'n schok teweeg gebracht dat men nu twee standaard
Rijksvoorlichtingsdienstuitdrukkingen met elkaar heeft verward:
Op 31 januari pleegt de voormalige vorstin haar verjaardag te vieren in
huiselijke kring. Dat wil zeggen: gezellig onder de slingers, met een kopje
koffie en een moorkop, omgeven door haar talloze nakomelingen.
Maar een val maak je niet in huiselijke kring, dat doe je gewoon in huis. En
bijna nooit te midden van je met papieren mutsen en roltongen getooide
familieleden. Nee, je valt op een doodgewone donderdagmiddag, onverwacht, als
je alleen thuis bent, meestal bij een alledaagse beweging of bezigheid. En die
val in huis is niet onfortuinlijk - alsof een val ooit fortuinlijk kan zijn
("Hé, ik ben gisteren toch zo heerlijk gevallen! Moet jij ook eens
proberen."). Een val is een val, alleen de afloop was – in dit geval - onfortuinlijk.
Maar afgezien van de taalfoutjes, prikkelt deze mededeling de fantasie, juist
omdat hij zo vaag is.
Wat is er nu precies gebeurd? Heeft Beatrix bij het beeldhouwen een
rondvliegend stuk speksteen tegen haar wang gekregen? Heeft ze op een wiebelig
laddertje gestaan om een kapotte lamp te vervangen in een van de paleiselijke
kroonluchters? Wilde ze nu eens lekker stevig de bovenste plank afstoffen van
haar metershoge Rococo-boekenkast en is ze ten gevolge van haar multifocale brillenglazen half naast haar opstappertje gestapt?
Is ze gestruikeld over een Perzisch tapijtje en onfortuinlijkerwijs met haar
jukbeen op de punt van een slagtand gevallen van een van de vele jachttrofeeën
van haar vader? Of moest ze weer zo nodig op haar afgesleten, maar o zo lekker
zittende geruite sloffen lopen na de zoveelste koninklijke verplichting op
knellende pumps, en is ze dientengevolge door haar enkel gezwikt en
onfortuinlijk geland op een antiek Spaans kastje - geschenk van haar goede
vriend Koning Carlos?
We weten het niet, dit soort intieme details betreffende de koninklijke familie
gaat ons niets aan. Maar juist door de geheimzinnigheid waarmee ze omgeven
zijn, zijn ze zo fascinerend.
Zo vraag ik me ook regelmatig af, als ik Beatrix of Maxima een lint zie
doorknippen of met een bevroren glimlach op een feestelijke openingsknop zie
drukken, waarom ze daarbij een tas aan hun arm dragen. Kunnen ze die niet even
afgeven aan een van de talloze kleurloze hofdames die ook altijd zo opvallend
onopvallend hun boeketten in ontvangst nemen?
Trouwens, waarom heeft onze geliefde ex-vorstin überhaupt een tas bij zich? Wat
zit daarin? De sleutel van het paleis? Die past ook wel in haar zak, zou je
zeggen. Evenals een zakdoek. En verder heeft ze toch niets nodig? Haar
rijbewijs kan ze thuislaten: ze heeft een chauffeur. Geld heeft ze niet nodig:
ze hoeft geen entree te betalen als ze de nieuwste attractie in de Efteling
komt openen. En haar smartphone neemt ze al helemaal niet mee: stel je voor dat
ze, tussen het lintknippen en champagne drinken door, plotseling haar
telefoontje tevoorschijn haalt. Dat zou tot de wildste speculaties leiden. Wie
moet ze op dit moment zo nodig bellen? En waarom? ("Ja, met mij. Ik ben
hier goddank bijna klaar, zet de kaviaar maar alvast in de magnetron").
Wil ze haar lintknipmoment op haar Facebook-tijdlijn zetten? Of speelt ze Angry
Birds?
Nee, nergens voor nodig, zo'n tas.
Of misschien toch wel: juist omdat hij geen praktisch nut heeft, draagt hij bij
aan de geheimzinnigheid die de koninklijke familie omgeeft. Als we alles van De
Familie - zoals zij zichzelf graag noemen - zouden weten, zouden ze niet meer
boeiend zijn. Dan verliezen zowel de keizer als de prinses hun kleren en is het sprookje uit waarin
nog altijd 90% van de Nederlandse bevolking zo graag wil geloven.
Daarom is het maar goed dat we niet weten hoe Prinses Beatrix is gevallen, hoe
hard ze heeft geschreeuwd, wie haar heeft gevonden, en of ze haar stofdoek nog
in haar hand had.
Alles wat we willen weten is dat ze spoedig herstelt en over een paar weken
weer onverschrokken glimlachend haar werkzaamheden zal hervatten.
Loes
Gouweloos
september 2013
woensdag 25 september 2013
dinsdag 27 augustus 2013
Struisvogel
Rimpels, grijze haren, zakkende oogleden. Stuk voor stuk tekenen van ouderdom.
Toch lig ik er geen seconde wakker van. Want het zit allemaal aan de buitenkant.
Zolang mijn vitale organen het maar blijven doen, maak ik me geen zorgen. Maar
als die het gaan laten afweten, ja, dan wordt het eng…
Daarom ben ik blij dat ik, zij het met de tong op de schoenen, gezond en wel bovenkom na een rustpauzeloze beklimming van een trap van zo’n 50 treden. Van het strand naar een terras op een Noordwijks duin.
Genietend van een espressootje en van het uitzicht op de zee, zie ik een echtpaar de trap opklimmen die ik zojuist ook bestegen heb.
Van deze afstand laat hun leeftijd zich moeilijk inschatten, temeer daar de man een pet draagt en de vrouw een rieten zonnehoed.
Hém kost de klim geen enkele moeite, en dat wil hij weten ook. Gekleed in een vuurrode korte broek en een helblauw poloshirt klimt hij vitaal en veerkrachtig de trap op. Met een verbetenheid die doet vermoeden dat hij aan een wedstrijd meedoet en als eerste boven wil zijn.
Zijn vrouw sjokt meters achter hem aan. Mouwloze witte strandjurk, wijd model - maar toch zit hij strak om haar lichaam: zij moet heel wat extra kilo’s mee naar boven torsen. Haar vlezige bovenarmen trillen na bij elke stap. Ik kan haar niet horen, maar aan haar wijd geopende mond zie ik dat ze kreunt van inspanning. En haar hoofd steekt steeds roder af tegen haar hagelwitte jurk.
De man lijkt nu toch te merken dat zijn vrouw niet meer naast hem loopt. Hij stopt en kijkt achterom. Uit zijn lichaamstaal spreekt een mengeling van ergernis en superioriteit. Met zijn handen in zijn zij wacht hij tot de vrouw naast hem staat. Ze overleggen kort. De vrouw wijst vermoeid naar een bankje op een tussenplateautje halverwege de trap.
Nog vier treden. Ze sleept zichzelf omhoog, en valt dan uitgeput neer op het bankje.
Nu kan ik het stel beter zien. Een jaar of zestig denk ik. Mijn leeftijd dus. De vrouw ziet eruit alsof ze ter plekke dood kan neervallen wegens een hartstilstand. Haar ogen puilen uit, ze hijgt en zweet en hapt naar adem. Ze doet haar hoed af en kijkt wanhopig omhoog naar haar man, die wijdbeens tegenover haar staat.
Hij is duidelijk niet van plan om naast haar te gaan zitten. Met één hand in de zij en de andere boven zijn ogen kijkt hij vastberaden en hardnekkig over haar heen, turend naar de zee. Alsof hij elk moment een schip verwacht waarop hij moet aanmonsteren.
Ooit, lang geleden, liepen ze hier hand in hand over het strand, op blote voeten, langs de zeelijn. Wisselden verliefde blikken uit, keken naar de zonsondergang, zagen alleen elkaar. Helemaal samen.
De vrouw geeft het op. Ze kijkt niet meer naar haar man, buigt haar rug en steunt haar voorhoofd in haar handen. Haar schouders gaan snel op en neer van het hijgen.
Terwijl haar man zijn gewicht verplaatst van zijn ene naar zijn andere been, wordt haar ademhaling heel langzaamaan wat rustiger. Na een minuut of tien hijst ze zichzelf overeind.
Samen alleen zetten ze hun beklimming voort. Nog twintig treden, nog tien.
Op zoek naar steun en medeleven, probeert de vrouw nog één keer de blik van haar man te vangen. Tevergeefs.
Haar blik dwaalt verder. Nog even, dan zal ze mij zien zitten. Een sekse- en leeftijdgenote.
Die begrijpt vast wel hoe ze zich voelt…
Opeens krijg ook ik het benauwd. Nog net op tijd kijk ik weg.
augustus 2013
Daarom ben ik blij dat ik, zij het met de tong op de schoenen, gezond en wel bovenkom na een rustpauzeloze beklimming van een trap van zo’n 50 treden. Van het strand naar een terras op een Noordwijks duin.
Genietend van een espressootje en van het uitzicht op de zee, zie ik een echtpaar de trap opklimmen die ik zojuist ook bestegen heb.
Van deze afstand laat hun leeftijd zich moeilijk inschatten, temeer daar de man een pet draagt en de vrouw een rieten zonnehoed.
Hém kost de klim geen enkele moeite, en dat wil hij weten ook. Gekleed in een vuurrode korte broek en een helblauw poloshirt klimt hij vitaal en veerkrachtig de trap op. Met een verbetenheid die doet vermoeden dat hij aan een wedstrijd meedoet en als eerste boven wil zijn.
Zijn vrouw sjokt meters achter hem aan. Mouwloze witte strandjurk, wijd model - maar toch zit hij strak om haar lichaam: zij moet heel wat extra kilo’s mee naar boven torsen. Haar vlezige bovenarmen trillen na bij elke stap. Ik kan haar niet horen, maar aan haar wijd geopende mond zie ik dat ze kreunt van inspanning. En haar hoofd steekt steeds roder af tegen haar hagelwitte jurk.
De man lijkt nu toch te merken dat zijn vrouw niet meer naast hem loopt. Hij stopt en kijkt achterom. Uit zijn lichaamstaal spreekt een mengeling van ergernis en superioriteit. Met zijn handen in zijn zij wacht hij tot de vrouw naast hem staat. Ze overleggen kort. De vrouw wijst vermoeid naar een bankje op een tussenplateautje halverwege de trap.
Nog vier treden. Ze sleept zichzelf omhoog, en valt dan uitgeput neer op het bankje.
Nu kan ik het stel beter zien. Een jaar of zestig denk ik. Mijn leeftijd dus. De vrouw ziet eruit alsof ze ter plekke dood kan neervallen wegens een hartstilstand. Haar ogen puilen uit, ze hijgt en zweet en hapt naar adem. Ze doet haar hoed af en kijkt wanhopig omhoog naar haar man, die wijdbeens tegenover haar staat.
Hij is duidelijk niet van plan om naast haar te gaan zitten. Met één hand in de zij en de andere boven zijn ogen kijkt hij vastberaden en hardnekkig over haar heen, turend naar de zee. Alsof hij elk moment een schip verwacht waarop hij moet aanmonsteren.
Ooit, lang geleden, liepen ze hier hand in hand over het strand, op blote voeten, langs de zeelijn. Wisselden verliefde blikken uit, keken naar de zonsondergang, zagen alleen elkaar. Helemaal samen.
De vrouw geeft het op. Ze kijkt niet meer naar haar man, buigt haar rug en steunt haar voorhoofd in haar handen. Haar schouders gaan snel op en neer van het hijgen.
Terwijl haar man zijn gewicht verplaatst van zijn ene naar zijn andere been, wordt haar ademhaling heel langzaamaan wat rustiger. Na een minuut of tien hijst ze zichzelf overeind.
Samen alleen zetten ze hun beklimming voort. Nog twintig treden, nog tien.
Op zoek naar steun en medeleven, probeert de vrouw nog één keer de blik van haar man te vangen. Tevergeefs.
Haar blik dwaalt verder. Nog even, dan zal ze mij zien zitten. Een sekse- en leeftijdgenote.
Die begrijpt vast wel hoe ze zich voelt…
Opeens krijg ook ik het benauwd. Nog net op tijd kijk ik weg.
augustus 2013
woensdag 31 juli 2013
Wolken
“Nee, televisie kijken gaat niet meer. Die beelden verspringen zo snel, daar
kan ik niet tegen”.
“Wat doe je dan?”, vraag ik de oude dame, “lees je? Dat heb je altijd veel gedaan.”
“Ja, zeker. Maar nu interesseert het me op de een of andere manier niet meer. Gek hè?”
“Muziek luisteren dan? Weet je nog hoe we hebben genoten van de klassieke concerten waar we heen gingen?”
“Ja, dat was prachtig. Dan liepen de rillingen soms over mijn rug, zo mooi…
Maar nu heb ik die oorsuizingen. Dus ik kan niet meer naar muziek luisteren.”
Ik aarzel even, maar vraag dan toch: “Wat doe je dan wél?”
Er verschijnt een glimlach om haar lippen. Ze trekt zich met moeite een klein stukje omhoog op de kussens. Met een broodmager armpje wijst ze naar buiten.
“Ik kijk naar de wolken. Ik heb mijn bed nu zo laten neerzetten dat ik die goed kan zien. De wolken veranderen de hele dag door. Dat is zo prachtig om naar te kijken. Daar kan ik echt van genieten.
Nou, en verder lig ik gewoon wat voor me uit te kijken en te mijmeren.”
Met haar grote bruine ogen kijkt ze me onderzoekend aan. Benieuwd of ik haar begrijp.
Ik probeer het…
De oude dame is 92 en voor mij is ze een voorbeeld. Een voorbeeld van levenskunst. Van alles uit het leven halen wat erin zit, tot het allerlaatste moment. Van steeds weer zoeken naar dingen die je nog wél kunt in plaats van treuren om wat je niet meer kunt.
Ze kan vrijwel niets meer en heeft 24 uur per dag verpleegkundige hulp nodig. Bij alles. En toch kan ze nog steeds genieten.
Van de wolken. Van de bezoekjes van haar familie en kennissen. En van de bloemen die we meebrengen. Telkens als ik een praatje met haar ga maken, neem ik een bosje mee.
Ze heeft de kracht niet meer om het aan te pakken. Maar als ik de bloemen onder haar neus houd, ruikt ze eraan met gesloten ogen. Dan verschijnt er een gelukzalige glimlach op haar gezicht.
“Ach, wat heerlijk. Dankjewel hoor. Wil je ze daar op tafel zetten, dan kan ik er de hele dag naar kijken.”
Zo ligt ze de laatste maanden van haar leven in bed. Haar lijf is tenger maar ook taai. En haar geest is nog taaier. Ze verzwakt zienderogen. Maar de blik in haar ogen is nog zoals ie altijd is geweest: zacht, sprankelend, en volledig gericht op degene die ze aankijkt.
Als ik binnenkom, zegt ze: “Loes, vertel me nu eerst eens hoe het gaat met je rug. Ik vind het toch zo erg dat voor je dat je zoveel pijn hebt.”
Altijd belangstellend, ondanks haar eigen, toch veel ellendiger situatie. Ze klaagt nauwelijks. Ook niet nu ze niets meer kan. Ze ligt vredig af te wachten. Ze is kalm.
En ze geniet van de wolken.
Levenskunst dus. Ik weet niet of ik het ooit zo zal kunnen, daar kan ik alleen maar op hopen. Maar in elk geval kijk ik nu al anders naar de wolken dan voorheen. Dankzij de oude dame.
mei 2013
“Wat doe je dan?”, vraag ik de oude dame, “lees je? Dat heb je altijd veel gedaan.”
“Ja, zeker. Maar nu interesseert het me op de een of andere manier niet meer. Gek hè?”
“Muziek luisteren dan? Weet je nog hoe we hebben genoten van de klassieke concerten waar we heen gingen?”
“Ja, dat was prachtig. Dan liepen de rillingen soms over mijn rug, zo mooi…
Maar nu heb ik die oorsuizingen. Dus ik kan niet meer naar muziek luisteren.”
Ik aarzel even, maar vraag dan toch: “Wat doe je dan wél?”
Er verschijnt een glimlach om haar lippen. Ze trekt zich met moeite een klein stukje omhoog op de kussens. Met een broodmager armpje wijst ze naar buiten.
“Ik kijk naar de wolken. Ik heb mijn bed nu zo laten neerzetten dat ik die goed kan zien. De wolken veranderen de hele dag door. Dat is zo prachtig om naar te kijken. Daar kan ik echt van genieten.
Nou, en verder lig ik gewoon wat voor me uit te kijken en te mijmeren.”
Met haar grote bruine ogen kijkt ze me onderzoekend aan. Benieuwd of ik haar begrijp.
Ik probeer het…
De oude dame is 92 en voor mij is ze een voorbeeld. Een voorbeeld van levenskunst. Van alles uit het leven halen wat erin zit, tot het allerlaatste moment. Van steeds weer zoeken naar dingen die je nog wél kunt in plaats van treuren om wat je niet meer kunt.
Ze kan vrijwel niets meer en heeft 24 uur per dag verpleegkundige hulp nodig. Bij alles. En toch kan ze nog steeds genieten.
Van de wolken. Van de bezoekjes van haar familie en kennissen. En van de bloemen die we meebrengen. Telkens als ik een praatje met haar ga maken, neem ik een bosje mee.
Ze heeft de kracht niet meer om het aan te pakken. Maar als ik de bloemen onder haar neus houd, ruikt ze eraan met gesloten ogen. Dan verschijnt er een gelukzalige glimlach op haar gezicht.
“Ach, wat heerlijk. Dankjewel hoor. Wil je ze daar op tafel zetten, dan kan ik er de hele dag naar kijken.”
Zo ligt ze de laatste maanden van haar leven in bed. Haar lijf is tenger maar ook taai. En haar geest is nog taaier. Ze verzwakt zienderogen. Maar de blik in haar ogen is nog zoals ie altijd is geweest: zacht, sprankelend, en volledig gericht op degene die ze aankijkt.
Als ik binnenkom, zegt ze: “Loes, vertel me nu eerst eens hoe het gaat met je rug. Ik vind het toch zo erg dat voor je dat je zoveel pijn hebt.”
Altijd belangstellend, ondanks haar eigen, toch veel ellendiger situatie. Ze klaagt nauwelijks. Ook niet nu ze niets meer kan. Ze ligt vredig af te wachten. Ze is kalm.
En ze geniet van de wolken.
Levenskunst dus. Ik weet niet of ik het ooit zo zal kunnen, daar kan ik alleen maar op hopen. Maar in elk geval kijk ik nu al anders naar de wolken dan voorheen. Dankzij de oude dame.
mei 2013
zondag 17 februari 2013
Crisisbestrijding
Stom hoor, die Hindoes met hun heilige koeien.
En Moslims mogen geen varkensvlees eten, tssssss!
Achterlijke culturen, daar staan wij ver boven.
Totdat er geruchten zijn over paardenvlees in onze lasagne. Het huis is te klein, de actualiteiten-rubrieken zijn te kort, de kranten te dun: schande!
Waarom? Wij zijn toch zo ruimdenkend, wij hebben toch geen heilige huisjes meer, laat staan heilige dieren?
Nee, maar wel een 'edel' dier, zo wordt ons verteld.
O ja? Wie bepaalt dat?
Niemand, maar het schijnt bij onze cultuur te horen.
Toch weet ik toch nog heel goed dat ik in mijn jeugd paardenvlees als broodbeleg kreeg: "Mager vlees, dat is gezond, eet maar lekker op", zei mijn moeder.
Niemand had het toen over het verboden vlees van edele dieren.
Misschien ook omdat het goedkoper was dan rundvlees?
Als dat zo is, wordt het in deze tijden van crisis hoog tijd dat we ons over onze luxe, morele Marianne Thieme-verontwaardiging heenzetten: paarden zijn niets beter dan andere dieren. Je eet vlees of je eet geen vlees. Maar als je vlees eet, wees dan zuinig en eet paardenvlees. Zo houd je meer geld over om uit te geven aan andere dingen en geef je onze economie de stimulans die hij zo hard nodig heeft.
Het wordt tijd voor een herziening van het imago van onze veestapel. Runderen kosten meer en vervuilen meer, dus laat die een luxeartikel worden. Geen luxepaardjes meer, maar luxekoetjes, dat is veel logischer:
Terwijl het volk zich tegoed doet aan paardenvleeskroketten, kijkt het op Prinsjesdag toe hoe onze nieuwe koning en zijn lieftallige echtgenote ons hartelijk toewuiven vanuit de Gouden Koets die wordt voortgetrokken door acht glanzend geborstelde koeien.
Opdringerige toeschouwers worden in bedwang gehouden door politie te koe.
Terwijl we massaal genieten van kruidige paardengehaktballen, zien we hoe op de volgende Olympische Spelen onze Anky van Grunsven opnieuw goud in de wacht sleept dankzij een sierlijke kür op Klaartje III.
In het elitaire schaakspel wordt het paard vervangen door een varken en in de turnsport door een rund.
Maar wij, de massa, eten voortaan alleen nog paardenvlees.
Goed voor de lijn, goed voor de portemonnee, goed voor de economie.
Loes Gouweloos
februari 2013
En Moslims mogen geen varkensvlees eten, tssssss!
Achterlijke culturen, daar staan wij ver boven.
Totdat er geruchten zijn over paardenvlees in onze lasagne. Het huis is te klein, de actualiteiten-rubrieken zijn te kort, de kranten te dun: schande!
Waarom? Wij zijn toch zo ruimdenkend, wij hebben toch geen heilige huisjes meer, laat staan heilige dieren?
Nee, maar wel een 'edel' dier, zo wordt ons verteld.
O ja? Wie bepaalt dat?
Niemand, maar het schijnt bij onze cultuur te horen.
Toch weet ik toch nog heel goed dat ik in mijn jeugd paardenvlees als broodbeleg kreeg: "Mager vlees, dat is gezond, eet maar lekker op", zei mijn moeder.
Niemand had het toen over het verboden vlees van edele dieren.
Misschien ook omdat het goedkoper was dan rundvlees?
Als dat zo is, wordt het in deze tijden van crisis hoog tijd dat we ons over onze luxe, morele Marianne Thieme-verontwaardiging heenzetten: paarden zijn niets beter dan andere dieren. Je eet vlees of je eet geen vlees. Maar als je vlees eet, wees dan zuinig en eet paardenvlees. Zo houd je meer geld over om uit te geven aan andere dingen en geef je onze economie de stimulans die hij zo hard nodig heeft.
Het wordt tijd voor een herziening van het imago van onze veestapel. Runderen kosten meer en vervuilen meer, dus laat die een luxeartikel worden. Geen luxepaardjes meer, maar luxekoetjes, dat is veel logischer:
Terwijl het volk zich tegoed doet aan paardenvleeskroketten, kijkt het op Prinsjesdag toe hoe onze nieuwe koning en zijn lieftallige echtgenote ons hartelijk toewuiven vanuit de Gouden Koets die wordt voortgetrokken door acht glanzend geborstelde koeien.
Opdringerige toeschouwers worden in bedwang gehouden door politie te koe.
Terwijl we massaal genieten van kruidige paardengehaktballen, zien we hoe op de volgende Olympische Spelen onze Anky van Grunsven opnieuw goud in de wacht sleept dankzij een sierlijke kür op Klaartje III.
In het elitaire schaakspel wordt het paard vervangen door een varken en in de turnsport door een rund.
Maar wij, de massa, eten voortaan alleen nog paardenvlees.
Goed voor de lijn, goed voor de portemonnee, goed voor de economie.
Loes Gouweloos
februari 2013
maandag 11 februari 2013
Bultrugblues
Dat krijg je ervan. Al die aandacht in de media brengt mensen op een idee.
Word je gepest? Dan schrijf je geen droevige verhaaltjes in de dagboek. Je scheldt niet terug. Je schakelt niet je ouders of leraren in. Ouderwets…
Nee, je hangt je op, je springt voor een trein, je snijdt je polsen door.
Dat zal ze leren: schuldgevoel en wroeging, hun hele leven lang.
Datzelfde zal Johannes hebben gedacht. Wij mensen denken wel dat wij zo anders zijn dan dieren, maar ook een bultrug heeft gevoel. Zeker een puberbultrug.
Al zijn hele jonge leven lang werd hij gepest. Werd zij gepest - want daar zat 'm nou juist het probleem. Oké, Johanna kwam wat jongensachtig over. Maar ze was toch echt een meisje.
En als je dan gaat puberen en je schoolmaatjes noemen je Johannes, alleen maar omdat je iets meer snorharen hebt en een stukje verder spuit dan de andere meisjes, dan komt dat aan bij een gevoelige walvisziel. Je raakt in jezelf gekeerd, je vertrouwt niemand meer, je schaamt je, ook voor je ouders en voor het hoofd van de walvisschool. Je speelt niet meer met de anderen, je wordt steeds eenzamer.
En dan, op een dag, als je ligt te treuren op een zandbank, hoor je opvarenden van een naburige vissersboot praten over mensenkinderen die net zo worden gepest als jij: Tim, Fleur, Anass. Net zo bespot en vernederd als jij. Net zo ongelukkig en wanhopig. Maar zíj hebben er iets op gevonden...
Even voel je je nóg eenzamer: jíj kunt niet voor een trein springen, jij kunt je niet ophangen, en polsen heb je niet eens.
Maar dan bedenk je iets. Jij kunt hetzelfde doen als wat je oma heeft gedaan: een eenzaam plekje opzoeken, stoppen met eten en drinken, en na een paar dagen ben je uit je lijden verlost en heb je wraak genomen op je pestende soortgenoten.
Je hoeft niet eens lang uit te kijken naar een geschikte plek. In de verte zie je een mooi en vooral leeg eilandje. Je zwemt erheen, hijst je aan land, en je gaat liggen. Om je heen is het heerlijk stil. Geen schepen, geen mensen, en vooral: geen andere walvissen die je met z'n allen uitlachen, bespuiten en bespotten: “Johánnes, Johánnes, ná ná nánana!”.
Je sluit je ogen, je voelt de zon op je huid en de wind in je snorharen. Langzaam dommel je weg. De honger en dorst vallen mee, je voelt je vredig, je hebt eindelijk rust. De stemmen van de andere bultruggen klinken steeds verder weg, je kunt ze nauwelijks nog horen, je waant je al een beetje in de walvishemel. Nog even, dan ben je verlost uit dit lijden dat leven heet...
Nog even... Maar dan schrik je op. In de verte hoor je motorgeronk. En mensenstemmen. Met moeite doe je één oog open. Het is een schip en het komt snel naderbij. Aan boord zie je mensen met filmcamera's en fototoestellen. Maar ook mannen met takelwerktuigen en netten. Voordat je het weet, beginnen ze aan je te trekken en sjorren.
"Ga toch weg, ik wil niet terug, ik wil hier rustig sterven!", zou je willen uitroepen. Maar je bent al te veel verzwakt, en bovendien: ze begrijpen je toch niet - 'the story of your life'...
Alles wat je kunt doen is stil blijven liggen en hopen dat ze het zullen opgeven omdat je te zwaar bent. Na vele uren gebeurt dat ook, maar de volgende dag komen ze weer terug. Met nog zwaarder materieel. Het geruk en gesjor wordt nog erger.
En de mensen schreeuwen, ze bekogelen je met visjes, ze roepen pesterig "Johannes, Johannes"!
En wat doe jij, lieve Johanna? Jij huilt alleen maar, heel dikke walvistranen...
Je hebt zo'n vreselijk en eenzaam leven gehad.
Je wilde er zo graag bij horen maar de andere bultruggen wilden je er niet bij hebben.
En nu je eindelijk rust hebt gevonden, zijn het de mensen die je niet willen laten gáán. Zelfs in je laatste ogenblikken wordt je weer geen rust gegund.
Dieren zijn wreed, maar mensen zijn wreder.
Loes Gouweloos
februari 2013
Word je gepest? Dan schrijf je geen droevige verhaaltjes in de dagboek. Je scheldt niet terug. Je schakelt niet je ouders of leraren in. Ouderwets…
Nee, je hangt je op, je springt voor een trein, je snijdt je polsen door.
Dat zal ze leren: schuldgevoel en wroeging, hun hele leven lang.
Datzelfde zal Johannes hebben gedacht. Wij mensen denken wel dat wij zo anders zijn dan dieren, maar ook een bultrug heeft gevoel. Zeker een puberbultrug.
Al zijn hele jonge leven lang werd hij gepest. Werd zij gepest - want daar zat 'm nou juist het probleem. Oké, Johanna kwam wat jongensachtig over. Maar ze was toch echt een meisje.
En als je dan gaat puberen en je schoolmaatjes noemen je Johannes, alleen maar omdat je iets meer snorharen hebt en een stukje verder spuit dan de andere meisjes, dan komt dat aan bij een gevoelige walvisziel. Je raakt in jezelf gekeerd, je vertrouwt niemand meer, je schaamt je, ook voor je ouders en voor het hoofd van de walvisschool. Je speelt niet meer met de anderen, je wordt steeds eenzamer.
En dan, op een dag, als je ligt te treuren op een zandbank, hoor je opvarenden van een naburige vissersboot praten over mensenkinderen die net zo worden gepest als jij: Tim, Fleur, Anass. Net zo bespot en vernederd als jij. Net zo ongelukkig en wanhopig. Maar zíj hebben er iets op gevonden...
Even voel je je nóg eenzamer: jíj kunt niet voor een trein springen, jij kunt je niet ophangen, en polsen heb je niet eens.
Maar dan bedenk je iets. Jij kunt hetzelfde doen als wat je oma heeft gedaan: een eenzaam plekje opzoeken, stoppen met eten en drinken, en na een paar dagen ben je uit je lijden verlost en heb je wraak genomen op je pestende soortgenoten.
Je hoeft niet eens lang uit te kijken naar een geschikte plek. In de verte zie je een mooi en vooral leeg eilandje. Je zwemt erheen, hijst je aan land, en je gaat liggen. Om je heen is het heerlijk stil. Geen schepen, geen mensen, en vooral: geen andere walvissen die je met z'n allen uitlachen, bespuiten en bespotten: “Johánnes, Johánnes, ná ná nánana!”.
Je sluit je ogen, je voelt de zon op je huid en de wind in je snorharen. Langzaam dommel je weg. De honger en dorst vallen mee, je voelt je vredig, je hebt eindelijk rust. De stemmen van de andere bultruggen klinken steeds verder weg, je kunt ze nauwelijks nog horen, je waant je al een beetje in de walvishemel. Nog even, dan ben je verlost uit dit lijden dat leven heet...
Nog even... Maar dan schrik je op. In de verte hoor je motorgeronk. En mensenstemmen. Met moeite doe je één oog open. Het is een schip en het komt snel naderbij. Aan boord zie je mensen met filmcamera's en fototoestellen. Maar ook mannen met takelwerktuigen en netten. Voordat je het weet, beginnen ze aan je te trekken en sjorren.
"Ga toch weg, ik wil niet terug, ik wil hier rustig sterven!", zou je willen uitroepen. Maar je bent al te veel verzwakt, en bovendien: ze begrijpen je toch niet - 'the story of your life'...
Alles wat je kunt doen is stil blijven liggen en hopen dat ze het zullen opgeven omdat je te zwaar bent. Na vele uren gebeurt dat ook, maar de volgende dag komen ze weer terug. Met nog zwaarder materieel. Het geruk en gesjor wordt nog erger.
En de mensen schreeuwen, ze bekogelen je met visjes, ze roepen pesterig "Johannes, Johannes"!
En wat doe jij, lieve Johanna? Jij huilt alleen maar, heel dikke walvistranen...
Je hebt zo'n vreselijk en eenzaam leven gehad.
Je wilde er zo graag bij horen maar de andere bultruggen wilden je er niet bij hebben.
En nu je eindelijk rust hebt gevonden, zijn het de mensen die je niet willen laten gáán. Zelfs in je laatste ogenblikken wordt je weer geen rust gegund.
Dieren zijn wreed, maar mensen zijn wreder.
Loes Gouweloos
februari 2013
zaterdag 5 januari 2013
Ondergedoken
Gek word ik ervan! Al een week lang, maar zeker nu, op Oudejaarsavond. Ik heb
al drie keer een klacht ingediend via www.vuurwerkoverlast.nl. Maar denk maar
niet dat ze er iets tegen doen! Strijkers, rotjes, vuurpijlen, en vooral de
zogenaamde 'vuurwerkbommen' zijn veel te veel voor mijn fijnbesnaarde en
hooggevoelige ziel.
Nergens in dit doorgedraaide land ben je veilig voor het dag en nacht aanhoudende geknal.
'Vluchten kan niet meer', schreef collega Annie M.G. al jaren geleden. Nee, en vluchten voor de jaarlijkse vuurwerkterreur kan al helemáál niet meer.
Hoewel... Ik heb natuurlijk wel een ruimte in huis waar het lawaai minder doordringt: mijn inpandige badkamer. Kan ik allicht proberen...
Ik ben zo opgefokt en wanhopig dat ik de oudejaarsconference laat voor wat ie is. Ik vlucht mijn badkamer in. Deuren dicht, boek mee, drankje en hapje onder handbereik op de tegelvloer. Ik zit hier eigenlijk best goed.
Alleen de harde stoel die ik heb meegenomen, is niet echt comfortabel. En och, nu ik hier toch ben, waarom zou ik dan niet in mijn uitnodigende bad gaan liggen? Ook wel een beetje hard, maar als ik mijn yogamatje erin leg, zal die hardheid wel meevallen.
Zo gezegd, zo gedaan.
En jawel hoor, het werkt. Hé Annie, vluchten kan nog wél!
Met een kussen achter mijn hoofd en het matje onder de rest van mijn lichaam, lig ik een paar uur lang genoeglijk te lezen in mijn overigens lege badkuip. Het vuurwerklawaai klinkt aangenaam ver weg, gedempt door de deuren en muren tussen de boze buitenwereld en mij op mijn onderduik-plek.
'Tell the world I'm not in', ze bekijken het maar daar buiten!
Ik lees in mijn boek, en neem af en toe een slokje uit mijn glas en een hap uit een bak met 750 gram van mijn favoriete Johmasalade. Vanwege het oudejaarsavondfeest extra rijk gegarneerd met stukjes vrolijk oranje wortel, van plezier glimmende zilveruitjes, subtiel met peterselie bestrooide plakjes ei, en twee in een sierlijke punt gedraaide feestbolletjes kwaliteitsmayonaise.
Ik kalmeer, eindelijk. Mijn bonkende hartslag wordt rustiger, mijn hoofdpijn verdwijnt en mijn humeur wordt allengs beter.
Dan is het 12 uur. Nieuwjaar! Ik proost met mezelf en neem mijn laatste hap salade. Dan pak ik mijn boek weer op: ik ga lekker lui lezend het nieuwe jaar in.
!@?!(*#!#?!!
Een oorverdovende knal. Mijn hart slaat op hol en mijn oren piepen van de enorme dreun. Die kwam van heel dichtbij - ik weet zeker dat er een stuk vuurwerk tegen mijn raam is ontploft!
Zou de ruit stuk zijn? Heeft mijn bankstel vlamgevat?
Dit is een noodgeval, nu moet ik toch echt mijn onderduikadres verlaten. En snel ook!
Normaliter kom ik, ondanks gevorderde leeftijd en gevorderde artrose, nog redelijk snel mijn bad uit. Maar, zo besef ik nu, dat dank ik vooral aan de opwaartse druk van het badwater. En dat is er nu niet.
Ik probeer me op te drukken met mijn handen op de badrand. Maar telkens weer val ik terug op mijn yogamatje.
Ik probeer me om te draaien en op mijn knieën te gaan zitten. Maar dankzij het gerieflijk dikke matje is mijn badkuip zo smal geworden dat ik niet genoeg ruimte heb om te draaien.
Daar lig ik dan... Terwijl op luttele meters afstand mijn gordijnen misschien wel in lichtelaaie staan.
Maar dat is al niet eens meer mijn allergrootste zorg...:
Ik lig moederziel alleen in mijn bad. Ik kan er niet uit komen, en geen mens weet dat ik hier lig. Mijn telefoon ligt in de huiskamer. Ik kan niemand bereiken.
Hoe lang zal het duren voordat iemand me mist?
Leef ik dan nog?
En wat zullen ze denken, die stoere politieagenten die mijn voordeur hebben opengebroken en mij uiteindelijk vinden in de badkamer?
En wat staat er de volgende dag in de krant?
Wie begrijpt wat er is gebeurd? Met die overleden vrouw van 62, volledig aangekleed aangetroffen in een leeg bad, op een rood matje, met naast haar op de grond een leeg glas en een lege bak rijk gegarneerde Johma-zalmsalade?
Loes Gouweloos
januari 2013
Nergens in dit doorgedraaide land ben je veilig voor het dag en nacht aanhoudende geknal.
'Vluchten kan niet meer', schreef collega Annie M.G. al jaren geleden. Nee, en vluchten voor de jaarlijkse vuurwerkterreur kan al helemáál niet meer.
Hoewel... Ik heb natuurlijk wel een ruimte in huis waar het lawaai minder doordringt: mijn inpandige badkamer. Kan ik allicht proberen...
Ik ben zo opgefokt en wanhopig dat ik de oudejaarsconference laat voor wat ie is. Ik vlucht mijn badkamer in. Deuren dicht, boek mee, drankje en hapje onder handbereik op de tegelvloer. Ik zit hier eigenlijk best goed.
Alleen de harde stoel die ik heb meegenomen, is niet echt comfortabel. En och, nu ik hier toch ben, waarom zou ik dan niet in mijn uitnodigende bad gaan liggen? Ook wel een beetje hard, maar als ik mijn yogamatje erin leg, zal die hardheid wel meevallen.
Zo gezegd, zo gedaan.
En jawel hoor, het werkt. Hé Annie, vluchten kan nog wél!
Met een kussen achter mijn hoofd en het matje onder de rest van mijn lichaam, lig ik een paar uur lang genoeglijk te lezen in mijn overigens lege badkuip. Het vuurwerklawaai klinkt aangenaam ver weg, gedempt door de deuren en muren tussen de boze buitenwereld en mij op mijn onderduik-plek.
'Tell the world I'm not in', ze bekijken het maar daar buiten!
Ik lees in mijn boek, en neem af en toe een slokje uit mijn glas en een hap uit een bak met 750 gram van mijn favoriete Johmasalade. Vanwege het oudejaarsavondfeest extra rijk gegarneerd met stukjes vrolijk oranje wortel, van plezier glimmende zilveruitjes, subtiel met peterselie bestrooide plakjes ei, en twee in een sierlijke punt gedraaide feestbolletjes kwaliteitsmayonaise.
Ik kalmeer, eindelijk. Mijn bonkende hartslag wordt rustiger, mijn hoofdpijn verdwijnt en mijn humeur wordt allengs beter.
Dan is het 12 uur. Nieuwjaar! Ik proost met mezelf en neem mijn laatste hap salade. Dan pak ik mijn boek weer op: ik ga lekker lui lezend het nieuwe jaar in.
!@?!(*#!#?!!
Een oorverdovende knal. Mijn hart slaat op hol en mijn oren piepen van de enorme dreun. Die kwam van heel dichtbij - ik weet zeker dat er een stuk vuurwerk tegen mijn raam is ontploft!
Zou de ruit stuk zijn? Heeft mijn bankstel vlamgevat?
Dit is een noodgeval, nu moet ik toch echt mijn onderduikadres verlaten. En snel ook!
Normaliter kom ik, ondanks gevorderde leeftijd en gevorderde artrose, nog redelijk snel mijn bad uit. Maar, zo besef ik nu, dat dank ik vooral aan de opwaartse druk van het badwater. En dat is er nu niet.
Ik probeer me op te drukken met mijn handen op de badrand. Maar telkens weer val ik terug op mijn yogamatje.
Ik probeer me om te draaien en op mijn knieën te gaan zitten. Maar dankzij het gerieflijk dikke matje is mijn badkuip zo smal geworden dat ik niet genoeg ruimte heb om te draaien.
Daar lig ik dan... Terwijl op luttele meters afstand mijn gordijnen misschien wel in lichtelaaie staan.
Maar dat is al niet eens meer mijn allergrootste zorg...:
Ik lig moederziel alleen in mijn bad. Ik kan er niet uit komen, en geen mens weet dat ik hier lig. Mijn telefoon ligt in de huiskamer. Ik kan niemand bereiken.
Hoe lang zal het duren voordat iemand me mist?
Leef ik dan nog?
En wat zullen ze denken, die stoere politieagenten die mijn voordeur hebben opengebroken en mij uiteindelijk vinden in de badkamer?
En wat staat er de volgende dag in de krant?
Wie begrijpt wat er is gebeurd? Met die overleden vrouw van 62, volledig aangekleed aangetroffen in een leeg bad, op een rood matje, met naast haar op de grond een leeg glas en een lege bak rijk gegarneerde Johma-zalmsalade?
Loes Gouweloos
januari 2013
Abonneren op:
Posts (Atom)