De Zevende Symfonie van Sjostakovitsj is voor mij het prachtigste, heftigste, vurigste, meest dramatische muziekstuk dat er bestaat. Deze machtige, anderhalf uur lange symfonie heeft telkens weer een verpletterend effect op me. Dat komt door de onaards mooie muziek, maar ook door de ontstaansgeschiedenis, die een extra dimensie geeft aan mijn beleving. Die geschiedenis is op zichzelf zo aangrijpend dat je de magie al voelt voordat je één toon van het stuk hebt gehoord.
Sjostakovitsj, geboren in Leningrad, schreef zijn 'Leningrad Symfonie' tijdens de Tweede Wereldoorlog, als eerbetoon aan de burgers van zijn stad tijdens de belegering door de Nazi's.
In het eerste deel, een mars, hoor je de Duitse troepen naderbij komen, je voelt het geweld van de helse, allesvernietigende oorlogsmachine. Maar daar tussendoor hoor je ook steeds, soms schreeuwend hard, soms fluisterend zacht, hetzelfde lieflijke Russische volksliedje. Dat eerste deel is het meest indrukwekkende van de vier delen. Maar de rest mag er ook zijn, en in de finale barst het orkest los als nooit tevoren. Leningrad is verwoest, er zijn meer dan 600.000 burgers omgekomen, maar de onoverwinnelijkheid van het Russiche volk, de onbreekbaarheid van de Russiche ziel, zal uiteindelijk overwinnen. Dat geloofde Sjostakovitsj, en dat hóór je in zijn muziek.
Al ontelbare keren heb ik dit meesterwerk thuis beluisterd, met rillingen over de rug en kippenvel van top tot teen. Toen las ik dat het eindelijk in Nederland zou worden uitgevoerd.
En ook nog op een zeer bijzondere wijze. Voor één keer zouden het Rotterdams Philharmonisch Orkest en het orkest van de Kirov Opera - uit Leningrad - gezamenlijk plaatsnemen op het podium. En dirigent van dit spektakel zou Valery Gergiev zijn. Niet alleen een charismatische, bezielde topdirigent, uitblinkend en gespecialiseerd in vurige uitvoeringen van modern-klassieke Russische muziek, maar ook nog afkomstig uit Leningrad.
Wat wilde ik nog meer? Ik bestelde onmiddellijk een kaartje. En ik bofte: ik had een prachtige plek. Precies midden voor het toneel en - heel toevallig - op de zevende rij.
Een garantie voor optimaal genieten. En gisteravond was het eindelijk zo ver.
De hele dag verkeer ik al in hoger sferen. Vanavond gaat het gebeuren, dan hoor ik voor het eerst 'mijn' Zevende van Sjostakovitsj live! Ik kan haast niet wachten, en ga zeer ruim op tijd van huis.
Maar toch niet ruim genoeg. In mijn opwinding ben ik vergeten dat het op vrijdag in Rotterdam koopavond is. Daardoor zijn alle parkeergarages vol, en duurt het anderhalf uur voordat ik eindelijk het concertgebouw De Doelen binnenren.
"Het is al begonnen hoor, mevrouw", zegt de kaartjescontroleur. Dan snap ik, maar - hoewel ik niet eens weet wat er vóór de pauze wordt uitgevoerd - ik ben tóch alleen maar geïnteresseerd in de Zevende, die natuurlijk daarna zal komen. Ik besluit te wachten voor de deur van de concertzaal, zodat ik in de pauze meteen mijn plaats kan zoeken, 20 minuten heb om bij te komen van parkeerperikelen, en dan kan gaan genieten van het spektakel.
Bij de deur staat een ouvreuse. Een oudere, gezette vrouw, in een feestelijk rood ouvreuse-jasje dat zo strak is aangemeten dat haar respectabele buste eveneens zeer feestelijk uitkomt.
Met een onvervalst Rotterdams accent vertelt ook zíj me dat het concert al begonnen is en dat ze me dus niet mag binnenlaten. Ontspannen glimlachend vertel ik haar dat ik het niet erg vind om te wachten tot de pauze.
"Maar er ís geen pauze, mevrouw," antwoordt ze, "ze zijn al begonnen met de symfonie."
Ik ben sprakeloos. Maandenlang heb ik moeten wachten, heb ik me verheugd op deze avond, en dan zal ik nu alles missen omdat ik tien minuten te laat ben? Als ik enigszins ben bekomen van de schrik, vraag ik: "Maar mag ik dan niet heel stil naar binnen sluipen? Desnoods blijf ik stáán, ik zal heus niet uitgebreid naar mijn plaats gaan zoeken."
"Sorry Mevrouw", zegt ze, en ik hoor aan haar toon dat ze echt met me te doen heeft, "maar ik mag alleen mensen binnenlaten als er applaus is, en ze zitten nu al middenin het stuk, dus er kómt geen applaus meer."
Ik vertel haar wanhopig dat ik anderhalf uur onderweg ben geweest en dat ik er écht niets aan kan doen dat ik te laat ben. Ik zie haar medelijden groeien. Maar ze blijft onvermurwbaar.
Ik hoor hoe binnen het eerste deel zijn oorverdovende climax nadert. Slechts een houten klapdeur scheidt me van De Zevende, van Gergiev. Zo dichtbij en toch zo ver weg…
"Normaal zou ik u nog wel stiekem binnenlaten", zegt de moederlijke ouvreuse, "maar dit is zó'n speciale avond… De hele Directie zit binnen, ik ken het echt niet maken. Ik vind het héél erg rot voor u, want we zijn allemaal maar mensen, maar het kén gewoon niet!"
Ik snap dat zij er ook niets aan kan doen, slik mijn verdriet weg, verfrommel mijn entréebewijs van 30 Euro, draai me om, en loop weg. Met gebogen hoofd en tranen in mijn ogen.
En dan, vlak voordat ik naar buiten wil stappen, hoor ik opeens in de verte een klaterend applaus. Middenin een symfonie! Óf het publiek is zo ondeskundig dat ze denken dat ze na een mooi gespeelde passage mogen klappen, óf er is zo prachtig gespeeld dat men spontaan is uitgebarsten in een applaus. Maar wat maakt míj het uit? Er wordt geklapt, en zo lang dat duurt, mag ik naar binnen. Dat had de ouvreuse immers gezegd?
Ik ren terug, door de immense, verlaten entreehal, twee trappen op, richting zaal. Hijgend arriveer ik weer op de plek waar ik een paar minuten geleden nog was afgedropen. De ouvreuse staat met de deurknop in haar hand, ze had me blijkbaar al verwacht. Ze lacht me blij toe, opent de deur op een kier, en sist:
"Vlúg, naar binnen! En gauw gaan zitten hoor, als ze weer gaan spelen!"
"Oké, en bedankt!".
Zodra ik binnen ben, verstomt het applaus. Je kunt een speld horen vallen. Daar stá ik dan, hijgend en zwetend, in een bomvolle concertzaal met 2300 mensen. Die allemaal zítten.
Ik heb het gevoel dat iedereen naar me kijkt. Ik zoek of ik ergens een lege stoel zie, maar die is er natuurlijk niet. Het orkest speelt alweer, dus ik kan ook niet gaan lopen zoeken. Daarom blijf ik maar staan. Doodstil. Leunend tegen de muur. Na een half uur krijg ik overal pijn, dit houd ik echt geen anderhalf uur vol.
Aan het eind van het tweede deel ruik ik mijn kans. Even verslapt de concentratie, er worden kelen geschraapt in het orkest en in de zaal, men gaat verzitten, men snuit neuzen. Ik sluip naar de dichtstbijzijnde trap tussen twee rijen publiek, en ga zitten. Geen luxe plaats, maar in elk geval zít ik en ik kan alles horen. Maar niet alles zíen.
Zo onopvallend mogelijk schuif ik geleidelijk aan omhoog tot ik het hele orkest kan zien. Ik tel de treden: ik zit op… de zevende.
Pas nu kan ik me echt gaan concentreren op het concert. Wat ik zie en hoor is imposant. Elke centimeter van het immense toneel is bezet. Bij elkaar zitten er 131 musici. Acht daarvan zijn slagwerkers, een meer dan dubbele bezetting. Bij de meest heftige passages slaan ze alle acht uit alle macht op hun pauken en trommels. Er staat zelfs een manshoge gong opgesteld.
Langzaamaan valt de spanning van me af en raak ik toch nog in hoger sferen.
Ik kijk naar Gergiev: die is daar allang. Super-geconcentreerd dirigeert hij met half gesloten ogen en trillende handen zijn twee orkesten. Het samenspel is perfect, alsof ze nooit anders hebben gedaan. Het publiek is muisstil, de sfeer om te snijden. Geleidelijk aan verdwijnt mijn pijn. De ontberingen van de avond worden verdrongen door de overweldigend prachtige muziek.
Ik zit op mijn harde traptree en denk: "Ik zit hier niet echt lekker. Maar dat klopt eigenlijk wel, want in 1942 zaten de concert-bezoekers tijdens de première óók niet echt lekker."
Ik herinner me wat ik daarover heb gelezen: tijdens die eerste uitvoering zaten er soldaten in de zaal met hun mitrailleurs nog in de hand. Ze hadden het front even verlaten om deze bij voorbaat reeds historische avond bij te wonen. Halverwege het concert, toen het publiek al volledig in trance was, kwam er een hoogwaardigheidsbekleder het toneel op. Hij ging naast de dirigent staan en zei: "Dames en heren, er komt zo direct een Duitse luchtaanval. U wordt dringend verzocht onmiddellijk naar de schuilkelders te gaan."
Maar het publiek bleef zitten, niemand verliet de zaal, men riep alleen massaal: "Dóórspelen!" Toen dezelfde ambtenaar na de finale weer, met dezelfde boodschap, het toneel betrad, schreeuwde men: "Dat wéten we!"
En men bleef applaudiseren, meer dan een uur, met gevaar voor eigen leven. Ik heb dat altijd een prachtig verhaal gevonden, maar tegelijk ook onbegrijpelijk.
Dan begint de finale. Gergiev gebaart zijn 131 orkestleden dat zij nu echt álles moeten geven.
De blazers spelen de longen uit hun lijf, de batterij slagwerkers haalt nog één keer alles uit de kast. Oorverdovend tromgeroffel, dreunende pauken, schetterende trompetten. Ik voel de vloer trillen, ik voel mezelf trillen. En pas nu begrijp ik écht wat Sjostakovitsj wilde zeggen. Ik voel zijn gevoel van onoverwinnelijkheid in elke vezel van mijn lichaam.
Bij elke trompetstoot, elke paukenslag, voel ik dat de Russische, de menselijke ziel inderdaad niet te breken is. En na de laatste, afsluitende klap op de reusachtige gong begrijp ik nu opeens wél dat in 1942 die zaal in Leningrad bleef doorapplaudiseren tijdens de luchtaanval.
Als je zoiets magistraals hoort, voel je geen angst meer, dan wil je alleen nog maar uitbarsten in een daverende ovatie.
Datzelfde gebeurt nu, bijna 60 jaar later, in Rotterdam. Het publiek is uitzinnig. Men klapt niet alleen, men stampt, men schreeuwt, men fluit - dit heb ik nog nooit meegemaakt na een klassiek concert. Keer op keer moet Gergiev terugkomen. Zijn ogen staan hol, hij ziet er bleek en uitgeput uit, volkomen leeg. Maar ook intens gelukkig. Hij straalt.
En ik ook. Het was een onvergetelijke avond. Ik klap tot ik niet meer kan en loop dan als in een roes de zaal uit. Achter me gaat de ovatie voort. De vermoeide Gergiev komt opnieuw het podium op om het applaus in ontvangst te nemen. Voor de zevende keer.
Loes Gouweloos
zaterdag 26 juli 2008
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten