Het begon toen ik zes werd. Voor mijn verjaardag kreeg ik een knalrood tweedehands doortrappertje. Ik vond het leuk om er mijn vriendinnetjes de ogen mee uit te steken, maar erop rijden vond ik een stuk minder leuk. Doelloos draaide ik rondjes rond ons flatgebouw. Ik mocht nog niet op de middenstraat, dus mijn actieradius was zeer beperkt en al gauw sloeg de verveling toe. Elk Hollands kind hoort fietsen leuk te vinden, maar ik begreep toen al niet waarom.
Je voortbewegen zonder doel is überhaupt erg vervelend. Daarom heb ik net zo'n hekel aan schaatsen en zwemmen, ook twee van die saaie oer-Hollandse bezigheden die iedereen geweldig vindt behalve ik.
Dat doel kwam gelukkig toen ik op twaalfjarige leeftijd mijn verkeersexamen moest doen. Om geen figuur te slaan op mijn moeders roestige omafiets met blokken op de trappers, kreeg ik toen zelfs mijn eerste echte nieuwe grotemensenfiets. Maar dat mocht niet baten. Ik, de slimste van de klas, zakte voor het praktijkexamen. Het enige examen in mijn hele leven waar ik ooit voor ben gezakt, nog steeds een smet op mijn blazoen.
Zonder verkeersdiploma zette ik vervolgens elke dag koers naar de hbs. Vijf jaar lang reed ik door weer en wind 16 kilometer heen en 16 kilometer terug. Elke dag dezelfde route. Nu had ik wél een doel, maar dit was zo saai dat ik de fiets nóg meer ging haten.
Na mijn eindexamen kocht ik opgelucht een brommer, en later een auto. Nu zou ik nooit meer hoeven fietsen! Maar helaas, de gezondheidsmanie deed zijn intrede, en ik trapte erin. Letterlijk en figuurlijk. Voortaan ging ik fietsen omdat het gezond was.
En leuk, zo vertelden mijn vrienden me. Op rijwielen met 21 versnellingen reden zij fluitend afstanden van 100 kilometer. Ik hoorde enthousiaste verhalen over molentochten, fietsvakanties en fietsvierdaagsen. Ik móest gewoon meedoen, anders dreigde een vreselijk isolement. Ik kocht een racefiets - die na zes weken al werd gestolen -, maakte mezelf wijs dat ik recreatief fietsen wél leuk vond, en scherpte met ijzeren discipline mijn PR aan op mijn vaste parcours. Mijn longinhoud werd steeds indrukwekkender, mijn ego en mijn dijspieren zwollen op.
Wat kan een mens zichzelf toch voor de gek houden, alleen maar om erbij te horen. Ik weet echt niet hoe het kwam, maar een jaar of wat geleden, tijdens een tochtje door het Groene Hart, vielen de schellen mij opeens van de ogen.
Ik heb er bijna een halve eeuw over gedaan om tot inkeer te komen, maar nu weet ik het zeker: ik haat fietsen! Het is saai en nutteloos.
Ga maar na: na elke flinke rit kom ik dodelijk verveeld en buiten adem thuis. En dat is nog niets vergeleken met de ontberingen die ik onderweg moet doorstaan. Op heen- en terugweg altijd wind tegen, vaak dóórnat van de regen, en overal auto's die me rakelings passeren en vervolgens hun uitlaatgassen in mijn neusgaten blazen. En waar ik vroeger nog wel eens een denkbeeldige wedstrijd won tegen medefietsers - de enige manier om nog wat spanning te brengen in die saaie ritten - word ik nu door iedereen ingehaald. Door kinderen, door oude mannen, zelfs door oude vrouwtjes op oude fietsen zonder versnellingen en een grote boodschappentas van Albert Heyn achterop van waaruit de bossen prei mij hatelijk toewuiven terwijl ze snel uit zicht verdwijnen.
Waarom doe ik dit nog? Een auto gaat sneller, je wordt er niet moe van, en je komt droog aan. En voor de korte stukjes is de benenwagen beter geschikt, die kan niet worden gestolen terwijl je even een brood haalt bij de bakker.
Een fiets brengt alleen maar ellende: lekke banden, loerende fietsendieven, zadelpijn. De fiets is niets.
In elke geval niet voor mij. Ik kap ermee.
Te Koop: blauwe Gazellefiets, bereden door dame. Zeven versnellingen, zo goed als nieuw.
Belangstellenden kunnen zich melden via www.loesgouweloos.weblog.com
Vraag niet hoe het kan, profiteer ervan!
Loes Gouweloos
zaterdag 26 juli 2008
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten