zaterdag 26 juli 2008

Dierenvrienden

Sommigen van mijn beste vrienden hebben een hond. Als ik gezellig een avondje op bezoek kom, word ik als eerste verwelkomd door de hond. Die neemt voorrang, alsof ik voor hém kom. En dat is bepaald niet het geval, integendeel.
Nog erger is de maníer van verwelkomen. Grote honden springen ongegeneerd tegen mij op, planten pijnlijk trefzeker hun voorpoten op mijn borsten, hijgen hitsig in mijn gezicht, en duwen me als ik niet oppas pardoes weer over de drempel naar buiten toe.
Kleine honden komen niet zo hoog. Maar de schade is er niet minder om. Zij zetten hun poten tegen mijn panty of broek, waardoor ik voor de rest van de avond opgezadeld zit met een flinke ladder of ophaal die nooit meer helemaal te repareren zal zijn.
Wegduwen helpt niet, terechtwijzen ook niet.
Dat moeten de baasjes doen, maar die vinden hun hond belangrijker dan hun vrienden. Glimlachend staan ze toe te kijken hoe ik word gemolesteerd. Vertederd zeggen ze: ‘Ach ja, hij is altijd zo blij als er bezoek komt. Hij moet zich even uitleven.’ Of ik er prijs op stel daarvan het lijdend voorwerp te zijn, is blijkbaar niet belangrijk. Als ik mijn walging uit over deze hondse verwelkoming, klinkt het vergoelijkend: ‘Och, je moet hem even aaien, dan houdt hij wel op.’
Dat doe ik dan maar. Maar het helpt maar even. Gedurende de rest van de avond zal de opdringerige huisgenoot regelmatig om me heen cirkelen, aan mijn voeten en benen likken, mijn koekjes uit mijn hand grissen, me zeer ongewenst zeer intiem besnuffelen, en blaffend onze conversatie verstoren.
Vrienden met honden zijn nog erger dan vrienden met kleine kinderen. Die worden op een gegeven moment naar bed gestuurd. Maar honden blijven erbij, tot de laatste minuut. Ik mag al blij zijn als mijn gastheer of -vrouw niet halverwege de avond opeens de jas aantrekt om het beest uit te gaan laten. Daar zit ik dan, alleen op de bank in een vreemd huis, wachtend op de terugkeer van mijn vriend of vriendin. Helaas altijd mét hond.

En als ik na zo’n avond vol ergernis en ongerief naar huis ga, stap ik buiten in het donker steevast in een verse hondendrol. Dan is de maat vol. Ik vloek hardop, ik vervloek de honden, ik vervloek hun baasjes. Ik ga nooit meer naar ze toe, als ze me willen zien, komen ze maar naar míj toe. Alleen.


Loes Gouweloos

Geen opmerkingen: